7 september 2026: Publicatie versie 11.0. De richtlijn is aangepast naar aanleiding van de najaarsronde 2026.

De belangrijkste wijzigingen in de richtlijn zijn:

  • Tijdens de vaccinatieronde in het najaar 2026 (welke op 21 september 2026 start) komen personen van 70 jaar en ouder, personen van 50 tot en met 69 jaar die vanwege een ziekte of aandoening een verhoogd risico hebben op ernstige COVID-19, volwassenen en kinderen uit de medische hoogrisicogroepen en medewerkers in de gezondheidszorg die direct contact hebben met kwetsbare patiënten, in aanmerking voor een COVID-19-vaccinatie. Meer informatie over de vaccinatiestrategie is opgenomen in paragraaf 2.1 Vaccinatieronde najaar.
  • Het XFG mRNA-vaccin van BioNTech/Pfizer is beschikbaar vanaf 21 september 2026. Op 29 juli 2026 is dit vaccin goedgekeurd door de Europese Commissie. Andere, eerder gebruikte vaccins van BioNTech/Pfizer, worden vanaf 21 september niet meer ingezet in het COVID-19-vaccinatieprogramma. Specifieke informatie over het vaccin is opgenomen in hoofdstuk 6. Ook de werkinstructies ‘Klaarmaken Comirnaty XFG’ en de poster Coronavaccinatie spuit-naaldcombinaties zijn aangepast.
  • De Handleiding COVID-19-vaccinatie van immuungecompromitteerde patiënten is opgeheven en de informatie is opgenomen in deze uitvoeringsrichtlijn in hoofdstuk 2.
  • Het beleid voor bewoners van instellingen voor langdurige zorg is aangepast. Bewoners komen alleen in aanmerking voor COVID-19 vaccinatie als zij behoren tot een medische (hoog)risicogroep of op basis van hun leeftijd.
  • De vorige versies (1-10) van deze uitvoeringsrichtlijn zijn gearchiveerd. De oude versies blijven via het sitearchief beschikbaar, maar zijn niet meer actueel.

1. Over deze richtlijn

Dit is de elfde versie van de uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie voor professionals. De vorige versies van deze richtlijn zijn niet meer actueel en zijn gearchiveerd.

1.1 Verantwoording

In deze professionele uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie staan de kaders voor de uitvoering van COVID-19-vaccinatie en de medische informatie over de uitvoering. De uitvoeringsrichtlijn is tot stand gekomen op basis van: rapporten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), het Europees Centrum voor ziektebestrijding en preventie (ECDC) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), brieven en adviezen van de Gezondheidsraad en het (Outbreak Management Team)-Vaccinatie (OMT-V), bijsluiters van de betreffende vaccins, recente wetenschappelijke publicaties en algemene principes zoals beschreven in het handboek Plotkin’s Vaccines (2017). Het is van belang om altijd de laatste online versie van de uitvoeringsrichtlijn te consulteren. Belangrijke wijzigingen in de richtlijn zullen via de website, via de organisaties van professionals en via de Nieuwsbrief Vaccinaties voor volwassenen kenbaar gemaakt worden.

De eerste versie van de richtlijn (versie 1.0) is opgesteld door het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) in samenwerking met gemandateerden vanuit de beroepsverenigingen NVAVG, (Nederlands Huisartsen Genootschap), Verenso, (Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde), NVIB, AJN, (Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering), V&VN en NIV. Daarmee is ook de basis gelegd voor volgende versies van de richtlijn COVID-19-vaccinatie. In samenwerking met de genoemde gemandateerden is deze richtlijn (versie 11) aangepast op basis van het Gezondheidsraadadvies ‘Advies COVID-19-vaccinatie in 2026 en 2027’, het besluit van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en nieuwe medische informatie. De richtlijn kan waar nodig op onderdelen worden aangepast aan de (veranderende) praktijk, in overleg met koepels van de uitvoerende partijen en/of betrokken specialisten.

1.2 Doelgroep

De richtlijn is bedoeld voor alle professionals die betrokken zijn bij de uitvoering van de COVID-19-vaccinatie. De richtlijn is ook bedoeld om overige professionals te informeren over de praktijk uitvoering van de COVID-19-vaccinatie om zo mogelijk vragen van specifieke patiëntengroepen te kunnen beantwoorden.

1.3 Reikwijdte

Personen woonachtig in Nederland en ingeschreven bij de gemeente komen in aanmerking voor een COVID-19-vaccinatie, indien zij behoren tot één van de doelgroepen voor vaccinatie. Daarnaast komen ook ongedocumenteerden, personen in detentiecentra, personen die niet in Nederland wonen of zijn geregistreerd maar langer dan 1 maand in Nederland verblijven, asielzoekers en Nederlandse diplomaten en militairen in aanmerking voor een COVID-19-vaccinatie, indien zij behoren tot de doelgroepen voor vaccinatie. Zie hoofdstuk 2 voor de indicatie voor de COVID-19-vaccinatie.

Caribisch deel van het Koninkrijk

Ook op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is deze richtlijn van toepassing. De eilanden zijn zelf verantwoordelijk voor de lokale opslag en distributie van vaccins. Het RIVM heeft hierbij een adviserende rol en controleert of aan de randvoorwaarden voor correct vaccinbeheer wordt voldaan.

1.4 Wettelijke kaders en organisatie

In opdracht van de minister van VWS is het RIVM verantwoordelijk voor de regie over het COVID-19-vaccinatieprogramma. Daaronder valt de ontwikkeling van de professionele richtlijn voor de uitvoering, het opzetten en de coördinatie van de communicatie over de COVID-19-vaccinatie naar professionals en de monitoring en evaluatie van het vaccinatieprogramma.

Deze professionele richtlijn komt tot stand in overleg met de medisch professionals die de vaccinaties (laten) toedienen. De uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie is de professionele norm voor medisch verantwoord handelen in het COVID-19-vaccinatieprogramma. Alleen in individuele gevallen kan een medisch professional, met argumenten onderbouwd, hiervan afwijken.

Vanuit de Rijksoverheid zijn partijen gecontracteerd voor de uitvoering van de vaccinaties. Het Besluit publieke gezondheid is voor het Rijksvaccinatieprogramma (RVP)-deel betreffende een vaccinatie tegen de infectie veroorzaakt door SARS-CoV-2 (het virus dat COVID-19 veroorzaakt) in maart 2021 aangepast. De uitvoering van deze vaccinatie is daarmee vastgelegd op twee niveaus: dit besluit en deze professionele richtlijn. De status van deze richtlijn is daarmee wettelijk vastgelegd.

De overheid heeft via de Europese Commissie contractafspraken gemaakt met vaccinontwikkelaars. Het EMA is verantwoordelijk voor beoordeling en goedkeuring voor gebruik van vaccins. Het Centrum Supply Chain voor Preventieprogramma’s en Opschaling (SPO, voorheen DVP), verzorgt de opslag en distributie van vaccins naar de uitvoerende partijen.

Artsen, die op grond van de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG) zelfstandig bevoegd zijn om te vaccineren, dragen zorg voor de uitvoering. Onder hun verantwoordelijkheid kan de vaccinatie efficiënt en laagdrempelig worden uitgevoerd. De organisaties waaraan deze artsen verbonden zijn, worden hierna uitvoeringsorganisaties genoemd.

Vervolgens gaan de uitvoeringsgegevens naar het RIVM voor centrale registratie. De gevaccineerde wordt om toestemming gevraagd. Centrale registratie is van belang om de vaccinatiegraad, effectiviteit en veiligheid van de vaccins te kunnen monitoren; om eventueel bijwerkingen te onderzoeken in samenwerking met Bijwerkingencentrum Lareb; en om diverse wetenschappelijke onderzoeken uit te voeren rondom COVID-19 zoals naar immuniteit en duur bescherming van vaccins, voor de uitvoering van het vaccinatieprogramma, en voor de gevaccineerde (MijnRIVM - vaccinaties). Het RIVM-SPO verzorgt de centrale registratie van de vaccinaties en de toegediende vaccins in het COVID-vaccinatie Informatie- en Monitoringssysteem (CIMS) en controleert de gegeven vaccinaties op juistheid wat betreft het merk van het vaccin en de expiratiedatum.

1.5 Toestemming en informatieverstrekking minderjarigen

De KNMG-wegwijzer Toestemming en informatie behandeling van minderjarigen bevat een praktische uitwerking van de wettelijke regels over toestemming en informatie bij de behandeling van minderjarige kinderen. Er staat beschreven wie de arts moet informeren en om toestemming moet vragen in verband met een medische handeling zoals de COVID-19-vaccinatie. Dit is afhankelijk van de leeftijd van de minderjarige.

In de praktijk van het vaccineren van kinderen en jongeren komt het op het volgende neer, zoals dat ook binnen het Rijksvaccinatieprogramma gebruikelijk is:

  • Kinderen tot en met 11 jaar vallen volledig onder de zeggenschap van de ouders, gezaghebbenden of wettelijke vertegenwoordigers.
  • Jongeren vanaf 12 tot en met 15 jaar hebben volgens de wet bij medische behandelingen of onderzoeken een belangrijke eigen stem. Bij verschil van mening tussen kind en ouders is de mening van het kind doorslaggevend als duidelijk is dat het kind goed weet waarover het gaat. Dit betekent dat als een jongere op de vaccinatielocatie verschijnt er in principe toestemming is voor vaccineren.
  • Jongeren vanaf 16 jaar en ouder worden door de wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) op één lijn gesteld met volwassenen.

1.6 Uitvoeringsvragen professionals

Zorgprofessionals met medisch inhoudelijke vragen kunnen, indien deze richtlijn onvoldoende uitkomst biedt, contact opnemen met de Landelijke Coördinatie infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM, LCI-voorwacht, telefoonnummer: 088-689 7000 of via LCI@rivm.nl. (Zie ook Contact LCI en GGD.)

Voor zorgprofessionals met uitvoeringsvragen is Team Supply Chain Support beschikbaar op telefoonnummer: 088-689 8900 op werkdagen bereikbaar van 08.30 tot 17.00 uur. Het telefoonnummer +31 88 689 8900 is ook beschikbaar voor professionals uit het Caribisch deel van het Koninkrijk. Als zorgprofessionals kunt u hier terecht voor:

  • vragen, opmerkingen en informatie over de vaccins en toebehoren, over vaccinbeheer en bewaarcondities, over logistieke vragen zoals bestellen en leveren
  • vragen of eventuele twijfel over productkwaliteit
    • Productmeldingen kunnen ook per e-mail, voorzien van foto’s, doorgegeven worden aan support.lcc@rivm.nl.
    • Cold chain incidenten kunnen digitaal gemeld worden via Report Cold Chain Incident. Het Team Supply Chain Support neemt na beoordeling van het cold chain incident contact op met de melder.
  • vragen over het registreren van vaccinatiegegevens van cliënten.

Bijwerkingencentrum Lareb is het meld- en kenniscentrum voor bijwerkingen van geneesmiddelen, vaccins en gezondheidsproducten. Bijwerkingen na coronavaccinatie kunnen gemeld worden via het meldformulier op de website van Bijwerkingencentrum Lareb. Voor meer informatie over bijwerkingen na coronavaccinatie zie Bijwerkingen coronavaccins (Lareb.nl). Zowel zorgverleners als personen die een vaccinatie hebben gekregen kunnen een bijwerking melden. Zie ook hoofdstuk 10.

1.7 De vaccins, vaccindistributie en -beheer

De minister van VWS besluit over welk vaccin, wanneer en voor welke doelgroepen wordt ingezet. VWS wordt hierover geadviseerd door de Gezondheidsraad.

Het RIVM is verantwoordelijk voor de distributie van de vaccins, spuiten en naalden. De uitvoerende organisaties worden bevoorraad door de logistiek dienstverlener van het RIVM. De vaccins worden verstrekt op voorwaarde dat ze alleen worden gebruikt voor de geïndiceerde doelgroepen van het vaccinatieprogramma. Het Centrum Supply Chain voor Preventieprogramma’s en Opschaling (SPO) binnen het RIVM is verantwoordelijk voor distributie en ‘cold chain’ tot en met de levering aan de uitvoerder. Het vaccin blijft eigendom van het RIVM. Zie hoofdstuk 8 voor meer informatie.

De uitvoerder is verantwoordelijk vanaf levering tot en met de toediening en registratie van het vaccin. Vaccins moeten onder gecontroleerde omstandigheden worden bewaard en vervoerd en mogen alleen worden toegediend als dat te allen tijde is gegarandeerd. Bij vaccinincidenten en vragen over vaccins moet men contact opnemen met het Team Supply Chain Support via het telefoonnummer 088-689 8900. Zie ook hoofdstuk 8.

1.8 Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij vaccinatie

De indicatie voor vaccinatie staat vermeld in deze richtlijn en hoeft dus niet bij iedereen afzonderlijk gesteld te worden. Het vaststellen van eventuele contra-indicaties is de verantwoordelijkheid van een arts.

Vaccineren is een voorbehouden handeling. Op de Rijksoverheid staat een overzicht van alle voorbehouden handelingen en welke beroepsgroep deze uit mag voeren. Zie voor meer informatie over welke zorgverleners (zelfstandig) bevoegd zijn om te vaccineren ook het nieuwsbericht op de BIG-website en bijlage 1 Taakverdeling.

Taken kunnen door de arts worden gedelegeerd aan verpleegkundigen met een functionele zelfstandigheid en professionals zonder een functionele zelfstandigheid, conform de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG).

Degene die vaccineert, is verantwoordelijk voor de juiste toediening en dient zich te houden aan de professionele standaard zoals is beschreven in deze richtlijn. De uitvoerende organisatie is eindverantwoordelijk voor het inrichten van het vaccinatieproces binnen de eigen organisatie en voor het laatste stuk in de keten van het vaccinbeheer (zie ook hoofdstuk 8). De praktische uitwerking van deze richtlijn is aan de uitvoerende partijen zelf, kan per beroepsgroep enigszins verschillen en valt buiten deze richtlijn.

Het RIVM is verantwoordelijk voor de deskundigheidsbevordering van professionals (inclusief deze richtlijn) en voor het vaccinbeheer volgens GDP (‘good distribution practice’). De fabrikant is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het vaccin.

1.9 Financiële regels

VWS is verantwoordelijk voor de financiering. Mensen die zich laten vaccineren betalen geen bijdrage voor COVID-19-vaccinaties.

1.10 Gehanteerde definities

  • Arts: Tenzij anders aangegeven, kan waar ‘arts’ staat ook verpleegkundig specialist (algemene gezondheidszorg) of ‘physician assistent’ worden gelezen (mits binnen deskundigheidsgebied, zie paragraaf 1.8).
  • Doelgroep: hiermee worden groepen bedoeld die een indicatie hebben voor een COVID-19-vaccinatie.
     

2. Vaccinatiestrategie COVID-19

De COVID-19 vaccinatiestrategie is gebaseerd op het advies ‘Structureel vaccinatieprogramma tegen COVID-19 ’ van de Gezondheidsraad (28 juni 2023), het Advies COVID-19-vaccinatie in 2025  van de Gezondheidsraad (27 maart 2025), het Advies COVID-19-vaccinatie in 2026 en 2027 (10 maart 2026), de Kamerbrief over diverse onderwerpen met betrekking tot COVID-19  (18 december 2023), de Kamerbrief over de invulling aanbod COVID-19-vaccinatie naar aanleiding van geactualiseerd Gezondheidsraadsadvies  (12 mei 2025) en de Beleidsreactie VWS GR-advies COVID-19-vaccinatie in 2026 en 2027 (10 maart 2026). Hoofdstuk 3 biedt een overzicht van de risicogroepen.

In 2023 adviseerde de Gezondheidsraad om vaccinatie aan te bieden aan mensen van 60 jaar en ouder, volwassenen die in aanmerking komen voor de jaarlijkse griepprik en volwassenen en kinderen uit medische hoog- risicogroepen. Daarnaast is het advies om medewerkers in de gezondheidszorg die direct contact hebben met kwetsbare patiënten te vaccineren voor indirecte bescherming.

In maart 2026 adviseerde de Gezondheidsraad om de leeftijdsgrens voor vaccinatie te verhogen naar 70 jaar, omdat ziekenhuisopnames onder gezonde mensen jonger dan 70 jaar in de huidige situatie nog maar weinig voorkomen, zie het Advies COVID-19-vaccinatie in 2026 en 2027.

Sinds 2025 raadt de Gezondheidsraad geen vaccinatie meer aan voor 18-49-jarige volwassenen die in aanmerking komen voor de griepvaccinatie. Het risico op ernstige ziekte en sterfte als gevolg van COVID-19 is bij personen van 18-49 jaar behorend tot de griepgroep lager dan bij de griepgroep vanaf 50 jaar. Daarom is voor deze jongere groep de toegevoegde waarde van vaccinatie in de huidige situatie beperkt. Mensen van 50-69 jaar behorend tot een medische risicogroep (vanwege een of meerdere ziekten of aandoeningen met een verhoogd risico op ernstige COVID-19) blijven wel in aanmerking komen voor COVID-19-vaccinatie.

Voor kinderen en volwassenen uit de medische hoogrisicogroepen blijft de COVID-19-vaccinatie geadviseerd, zie het Gezondheidsraadadvies COVID-19-vaccinatie in 2025. Hoofdstuk 3 biedt een overzicht van de medische (hoog)risicogroepen.

In maart 2026 adviseerde de Gezondheidsraad om de indicatie voor COVID-19-vaccinatie voor bewoners van instellingen voor langdurige zorg aan te passen. Bewoners komen alleen in aanmerking voor COVID-19 vaccinatie als zij behoren tot een medische (hoog)risicogroep of op basis van hun leeftijd.

In 2023 adviseerde de Gezondheidsraad om zwangeren een hervaccinatie aan te bieden tijdens de zwangerschap. Zwangerschap is echter sinds 4 april 2024 geen indicatie meer voor een COVID-19-vaccinatie, omdat aanvullende gegevens laten zien dat er geen verhoogd risico op ernstige ziekte door COVID-19 tijdens de zwangerschap meer is. Daarom acht de Gezondheidsraad de toegevoegde waarde van vaccinatie voor alle zwangeren te beperkt.

2.1 Vaccinatieronde najaar

De Gezondheidsraad heeft op 10 maart 2026 geadviseerd over de vaccinatierondes in het najaar van 2026 en 2027, zie Advies COVID-19-vaccinatie in 2026 en 2027. De minister heeft dit advies voor 2026 overgenomen, zie Beleidsreactie VWS.

De volgende mensen komen in aanmerking voor vaccinatie tijdens de vaccinatieronde 2026: 

  • mensen van 70 jaar en ouder;
  • kinderen en volwassenen uit de medische hoogrisicogroepen, zie paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3;
  • mensen van 50-69 jaar met één of meerdere ziekten of aandoeningen die vanwege die aandoeningen een verhoogd risico hebben op ernstige COVID-19 (de medische risicogroepen, overeenkomend met de medische indicaties voor de influenzavaccinatie), zie paragraaf 3.1;
  • bewoners van verpleeghuizen (vanaf 18 jaar);
  • medewerkers in de gezondheidszorg die direct contact hebben met kwetsbare patiënten.

Daarnaast kunnen er individuele situaties bestaan waarin besloten kan worden om een vaccinatie aan te bieden aan personen buiten bovengenoemde doelgroepen, bijvoorbeeld als er een kwetsbaar gezinslid is of op advies van een behandelend arts.

De indicatie voor COVID-19-vaccinatie voor bewoners van instellingen voor langdurige zorg is aangepast naar aanleiding van het Gezondheidsraadadvies 'COVID-19-vaccinatie in 2026 en 2027'. Bewoners van verpleeghuizen blijven vanaf 18 jaar allemaal in aanmerking komen voor de COVID-19-vaccinatie. Bewoners van andere langdurige zorginstellingen komen in aanmerking voor COVID-19-vaccinatie als zij behoren tot een medische (hoog)risicogroep of op basis van hun leeftijd.

Zie voor verdere uitwerking de betreffende werkinstructie:

Uitnodiging

Personen van 70 jaar en ouder krijgen via het RIVM een uitnodigingsbrief voor de COVID-19-vaccinatie. Medische (hoog)risicogroepen jonger dan 70 jaar krijgen geen uitnodigingsbrief van het RIVM, omdat de medische gegevens van die personen niet bekend zijn bij het RIVM. Zij zullen worden gewezen op de mogelijkheid tot vaccinatie via een publiekscampagne, zelfchecktool of door hun behandelend arts, en kunnen een afspraak maken voor de vaccinatie. Bewoners van instellingen ontvangen een uitnodiging via de instelling.

2.2 Beschikbare vaccins, dosering en timing

Beschikbare vaccins

In het COVID-19-vaccinatieprogramma is het mRNA-vaccin Comirnaty XFG beschikbaar. Het eiwitvaccin Bimervax XFG.1.1 is goedgekeurd door de EMA, maar is bij aanvang van de najaarsronde nog niet beschikbaar. Zodra het beschikbaar is, wordt deze richtlijn aangepast. Bimervax is niet geregistreerd voor gebruik in een primaire- of hervaccinatieserie.

Tabel 2.2: Beschikbare vaccins en doseringen
* Dit vaccin is bij aanvang van de najaarsronde 2026 nog niet beschikbaar. Zodra het vaccin beschikbaar is, wordt deze richtlijn aangepast.
FabrikantMerknaamLeeftijdSoort vaccinDosis
BioNTech/PfizerComirnaty 
XFG
6 mnd t/m 11 jaarmRNA10 µg
(0,3 ml)
BioNTech/PfizerComirnaty 
XFG
vanaf 12 jaarmRNA30 µg
(0,3 ml)
HIPRA*Bimervax XFG.1.1vanaf 12 jaareiwit40 µg
(0,5 ml)

Zie hoofdstuk 6 voor uitgebreide informatie over het BioNTech/Pfizer-vaccin en het HIPRA-vaccin.

Dosering

Eén dosis volstaat bij de meeste mensen, ongeacht aantal en soort eerder gegeven vaccin(s). Echter, indien er mogelijk geen bestaande immuniteit door infectie of vaccinatie aanwezig is of indien er sprake is van verlies van immuniteit, volstaat één vaccinatie niet. Zie hiervoor paragrafen 2.3 en 2.4.

Interval na eerdere COVID-19 vaccinatie

Na de vorige COVID-19-vaccinatie wordt bij voorkeur een interval van 6 maanden of langer aangehouden. Voor Comirnaty XFG van BioNTech/Pfizer geldt een minimuminterval van 3 maanden (12 weken) na een eerdere COVID-19-vaccinatie. Voor Bimervax XFG.1.1 van HIPRA geldt een minimuminterval van 6 maanden na een eerdere COVID-19-vaccinatie.

Vaccineren na doorgemaakte SARS-CoV-2-infectie

Een infectie stimuleert het immuunsysteem en leidt tot een verbetering van de immuniteit. Na een infectie neemt de immuniteit tegen het virus geleidelijk aan weer af. De eerste 6 maanden na een (bekende) SARS-CoV-2-infectie heeft vaccinatie waarschijnlijk immunologisch slechts beperkte toegevoegde waarde. Hoe langer geleden de infectie, hoe groter de toegevoegde waarde van een vaccinatie. Terwijl infecties het hele jaar door kunnen voorkomen, is de vaccinatie in het najaar in een afgebakende periode beschikbaar. Indien ten tijde van de vaccinatieronde sprake is van een recente (afgelopen 6 maanden) SARS-CoV-2-infectie, kan op individuele basis worden overwogen om wel of niet te vaccineren. Een recente SARS-CoV-2-infectie is geen contra-indicatie voor vaccinatie.

Interval met andere vaccins

Bij het toedienen van een COVID-19-vaccinatie hoeft geen specifiek interval gehanteerd te worden met andere vaccinaties. Het gelijktijdig toedienen van een ander vaccin kan veilig en heeft geen duidelijke invloed op de immunogeniciteit of reactogeniciteit van de vaccins (paragraaf 7.5).

2.3 Primaire vaccinatieserie bij kinderen jonger dan 5 jaar met medisch hoog risico

Voor kinderen van 6 maanden tot en met 4 jaar met een medisch hoog risico gelden de volgende adviezen:

  • voor kinderen van 6 maanden tot en met 4 jaar met een voorgeschiedenis van voltooiing van een primaire serie COVID-19-vaccinatie volstaat een enkele dosis vaccin van het mRNA-vaccin Comirnaty XFG (10µg).
  • voor kinderen van 6 maanden tot en met 4 jaar zonder voorgeschiedenis van voltooiing van een primaire serie COVID-19-vaccinatie kan overwogen worden om een volledige primaire vaccinatieserie aan te bieden van het mRNA-vaccin Comirnaty XFG (10µg). Uitgangspunt is dat eerder gegeven vaccins niet opnieuw toegediend hoeven te worden.

De (kinder)arts die de indicatie stelt voor een primaire vaccinatieserie kan patiënten verwijzen naar de (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) middels een verwijsbrief met informatie over het aantal benodigde vaccinaties.

Achtergrondinformatie: Uit de (patient, intervention, comparison, outcome)-data blijkt dat bijna alle kinderen in de leeftijd van 2-12 jaar COVID-19 hebben doorgemaakt. Voor kinderen <2 jaar zijn geen betrouwbare gegevens beschikbaar. Zie de resultaten van het PIENTER Corona onderzoek.

Voor kinderen jonger dan 5 jaar zonder medisch hoog risico waarbij vaccinatie om een andere reden toch wenselijk wordt geacht, volstaat één dosis van het mRNA-vaccin Comirnaty XFG (10µg).

Tabel 2.3. Vaccinatieschema primaire serie (voor kinderen) en hervaccinatie
*Bij 6 maanden tot en met 11 jaar worden twee doses in de primaire vaccinatieserie gegeven met een aanbevolen interval van  8 weken. Indien het interval langer is dan 8 weken hoeft de primaire vaccinatieserie niet opnieuw te worden gestart.
**Een derde vaccindosis kan geadviseerd worden voor een selecte groep ernstig immuungecompromitteerde patiënten vanaf 12 jaar, bij wie mogelijk de standaarddosering van twee vaccin doses onvoldoende vaccinatierespons geeft.
LeeftijdPrimaire vaccinatieserieIntervalStreefinterval voor revaccinatie (booster)
6 mnd t/m 11 jaar2 doses Comirnaty XFG, 10 µg (0,3 ml)8 weken*6 maanden of meer
Vanaf 12 jaar2 doses Comirnaty XFG, 30 µg (0,3 ml), additionele (3e) dosis op indicatie van behandelend arts**3 weken 
(een eventuele 3e dosis wordt minimaal 4 weken na de 2e dosis gegeven)
6 maanden of meer

2.4 Hervaccinatie na verlies immuniteit

Na een stamceltransplantatie (allogeen of autoloog) of een B-cel-depleterende therapie is de opgebouwde immuniteit (door vaccinatie of infectie) niet meer of onvoldoende aanwezig. Beide groepen patiënten (zowel kinderen als volwassenen) komen in aanmerking voor een hervaccinatie. Hervaccinatie is een herhaling van de primaire vaccinatieserie, waarbij het interval per leeftijdsgroep verschilt (zie tabel 2.3 hiervoven). Eventueel wordt hervaccinatie gevolgd door een revaccinatie (booster).

Allogene en autologe stamceltherapie

Bij autologe transplantaties ontvangen patiënten hun eigen stamcellen, bij allogene transplantatie ontvangen patiënten stamcellen van een donor. Personen waarbij de pre-existente immuniteit is verdwenen door allogene of autologe stamceltransplantatie worden door hun behandelend specialist verwezen naar de GGD-vaccinatielocatie voor hervaccinatie vanaf 4 maanden na de stamceltransplantatie.

B-cel-depletie

Hervaccinatie wordt geadviseerd na het staken van B-cel depleterende therapie omdat de humorale vaccinrespons onvoldoende ontwikkeld is door B-cel-depletie tijdens gebruik van rituximab, ocrelizumab, ofatumumab, obinutuzumab of CD19xCD3-bispecifieke T-cel-engagers (BiTE’s). Pas na een periode van minimaal 8 maanden na de laatste dosis van B-cel-depleterende therapie wordt geadviseerd een primaire serie gevolgd door een revaccinatie (booster) toe te dienen. Die periode van minimaal 8 maanden blijkt nodig voor functioneel herstel van de humorale vaccinrespons.

Als de behandeling van B-cel-depleterende therapie niet gestopt kan worden, dan wordt zekerheidshalve aanbevolen de patiënt te verwijzen voor de COVID-19-vaccinatie in het najaar en eventueel voor een nieuwe vaccinatie na 6 maanden, onafhankelijk van laboratoriumwaarden. De noodzaak voor een additionele vaccinatie naast de COVID-19-vaccinatie  in het najaar,  wordt bepaald door de behandelend specialist. Het wordt afgeraden om B-cel-depleterende therapie tijdelijk te staken rond het tijdstip van vaccinatie, vanwege de lange duur van functioneel herstel (minimaal 8 maanden) na het staken.

Hervaccinatie na infectie

Indien iemand voorafgaand of tijdens een hervaccinatie (dit is een nieuwe primaire vaccinatieserie van 2 of 3 doses) een bevestigde SARS-CoV-2-infectie doormaakt, is het advies om 4 weken (28 dagen) na het begin van de symptomen of de positieve testuitslag de (volgende) vaccinatiedosis toe te dienen. Het totaal aantal geadviseerde doses in het kader van de hervaccinatie (zie tabel 2.3) blijft, ondanks een doorgemaakte infectie, voor deze doelgroep ongewijzigd.

2.5 Doorlopend aanbod buiten najaarsronde

Hoewel voor de meeste personen uit de risicogroepen één (jaarlijkse) dosis van een COVID-19-vaccin volstaat, kan er op individueel niveau een indicatie zijn voor COVID-19 vaccinatie vaker dan een keer per jaar, vanwege een verminderde afweerrespons door een onderliggende ziekte of medicatie.  Ook kan bij immuungecompromitteerde patiënten de duur van bescherming korter zijn dan bij personen zonder immuunstoornis. Vooral ernstig immuungecompromitteerde patiënten houden een verhoogde kans op een ernstig beloop door een SARS-CoV-2 infectie ondanks eerdere vaccinaties of infectie. Ook zij kunnen baat hebben bij een COVID-19-vaccinatie vaker dan één keer per jaar binnen het behandeltraject van hun medisch specialist. 

Buiten de najaarsronde is COVID-19-vaccinatie alleen beschikbaar voor:

  • volwassenen en kinderen uit medisch hoogrisicogroepen indien de behandelend arts op individuele basis (extra) vaccinatie(s) adviseert, bijvoorbeeld als er sprake is van ernstige immuunsuppressie. Dit kan gaan om een extra vaccinatie (revaccinatie buiten de najaarsronde) of een hele nieuwe vaccinatieserie (hervaccinatie);
  • personen die op individuele basis door een behandelend arts zijn verwezen voor vaccinatie.

In beide situaties betreft dit maatwerk, waarbij een verwijzing van een behandelend arts nodig is voor de extra vaccinatie(s). Indien iemand buiten de najaarsronde zonder verwijzing van een behandelend arts gevaccineerd wil worden, valt dit buiten de kaders van het vaccinatieprogramma en is vaccinatie in principe niet mogelijk.

Verwijzing naar de GGD en timing bij vaker dan 1 keer per jaar vaccineren bij immuunstoornis

De behandelend arts maakt tijdens het spreekuur de afweging of een patiënt verwezen dient te worden naar de GGD voor een extra COVID-19-vaccinatie. Hier is een verwijsbrief voor nodig. De verwijsbrief bevat informatie over het optimale vaccinatiemoment waarbij een zo goed mogelijke vaccinatierespons verwacht kan worden. Een voorbeeldverwijsbrief is verstrekt via de ziekenhuiskoepels, (Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde) en (Federatie Medisch Specialisten). Dit is de standaardroute. In uitzonderingsgevallen kunnen patiënten gevaccineerd worden in het ziekenhuis.

Naast de individuele afweging zijn ook de timing van indicatiestelling en verwijzing naar de GGD van belang:

  • tijdens ernstige immuunsuppressie: vaccinatie vindt plaats vanaf 6 maanden na een eerdere vaccinatie (of COVID-19 infectie);
  • voorafgaand aan een nieuw(e) behandeling(traject) gepaard gaand met ernstige immuunsuppressie: minimaal 12 weken na een eerdere vaccinatie of COVID-19-infectie;
  • voorafgaand aan een behandeling bestaande uit de volgende immuunsuppressiva:
    • B-cel-depleterende medicatie: anti-CD20-therapie, zoals rituximab, ocrelizumab;
    • sterk lymfopenie-inducerende medicatie: fingolimod (of soortgelijke S1P agonisten), cyclofosfamide (zowel pulsen als hoog oraal);
    • mycofenolaat mofetil in combinatie met een of meerdere andere immunosuppressiva;
  • bij plaatsing op de wachtlijst voor orgaantransplantatie;
  • ten tijde van een behandeling van een maligniteit, als de specialist de vaccinatie geïndiceerd vindt.

Aanbevolen wordt om minimaal 2 weken vóór de start van deze immunosuppressieve behandeling te vaccineren om een optimale vaccinatierespons te kunnen bereiken.
 

3. Definitie medische (hoog)risicogroepen

Onderstaande overzichten geven de samenstelling weer van de medische risicogroepen en de medische hoogrisicogroepen. Beide groepen lopen een groter risico op een ernstig beloop van een SARS-CoV-2-infectie, waarbij medische hoogrisicogroepen het grootste risico lopen.  Voor een onderbouwing van de indeling van medische (hoog)risicogroepen, zie de adviesnota Vaststelling volwassen medische risicogroepen COVID-19-vaccinatiecampagne en het advies COVID-19-vaccinatie in 2025 van de Gezondheidsraad (27 maart 2025). De afbakening van de medische hoogrisicogroepen is afgestemd met de behandelende medische beroepsgroepen. Voor kinderen met een verhoogd medisch risico zijn de criteria opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK).

3.1 Medische risicogroepen

Tot de medische risicogroep voor COVID-19 behoren:

3.2 Medische hoogrisicogroep van 6 maanden t/m 17 jaar oud

Tabel 3.2: Indicatiecriteria van de NVK voor kinderen met een medisch hoog risico die in aanmerking komen voor COVID-19-vaccinatie in de leeftijdscategorie 6 maanden t/m 17 jaar
NB. Naar inzicht van de behandelend kinderarts kunnen ook andere kinderen met vergelijkbare diagnoses in aanmerking komen voor (re)vaccinatie.
SectieIndicatiecriteria
Erfelijke en aangeboren aandoeningen
  • 22q11: geen indicatie voor extra/eerdere COVID19-vaccinatie, tenzij combinatie van:
    • zeer ernstige T-cel lymfopenie en/of
    • hemodynamisch relevante hartafwijking/rest-hartafwijking en/of
    • gecompromitteerde luchtwegen en/of
    • eerdere PICU-opname of herhaalde ziekenhuisopname i.v.m. onderste luchtweginfectie(s)
  • ZEVMB (zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperkingen), EMB, cerebrale parese of neuromusculaire aandoening o.b.v. sputumklaringproblematiek
  • Kinderen met syndromale aandoening met zuurstof thuis
  • Kinderen met thuisbeademing (via CTB, Centrum voor Thuisbeademing)
CardiologieMet name kinderen met een zogenoemde fontancirculatie (kinderen met een half hart), kinderen met hartfalen en kinderen met pulmonale hypertensie
EndocrinologieNiet van toepassing
Hematologie
  • Asplenie
  • Sikkelcelziekte
  • Post beenmergtransplantatie
  • Beenmergfalen
  • Ernstige neutropenie die academische zorg behoeft
  • Kinderen die cyclofosfamide, MMF of rituximab gebruiken
  • Vaatmalformaties behandeld met sirolimus, al dan niet gecombineerd met prednison
Longziekten
  • Kinderen met of wachtend op longtransplantatie
  • Kinderen met ernstige beperkingen in ophoesten van luchtwegsecreties op basis van ernstig onderliggend (neuro)musculair lijden; dit zijn onder meer kinderen met ernstige neurologische aandoeningen zoals cerebrale parese, neuromusculaire ziekten, ernstige motorische beperkingen en kinderen met een ernstige metabole ziekte die leidt tot ernstig neurologisch lijden
  • Kinderen die afhankelijk zijn van ademhalingsondersteuning via tracheostomie en non-invasieve CPAP en BiPAP
  • Kinderen met ernstig obstructief en/of restrictief longlijden die thuis continu of ’s nachts zuurstofbehoeftig zijn of afhankelijk van intermitterende niet-invasieve beademing
  • Kinderen met ernstige obstructieve en/of restrictieve en/of interstitiële longaandoeningen met een voorgeschiedenis van frequente ziekenhuisopnames door onderste luchtweginfecties
Kindermaag-darm-leverziektes
  • Levertransplantatiepatiënten
  • Kinderen die cyclofosfamide, MMF en rituximab gebruiken
Nefrologie
  • Chronische nierinsufficiëntie klasse 4/5; hieronder vallen dan automatisch de patiënten op de wachtlijst voor niertransplantatie
  • Patiënten aan hemodialyse of peritoneaaldialyse
  • Patiënten na een niertransplantatie
  • Patiënten die cyclofosfamide, MMF en rituximab gebruiken
Reumatologie

Kinderen die behandeld worden met:

  • MMF (mycofenolaat mofetil) in combinatie met een ander immuunsuppressief/modulerend medicijn, met uitzondering van hydroxychloroquine (Plaquenil) en low dose prednison
  • Rituximab of belimumab
  • Cyclofosfamide
  • Cyclosporine
Metabole ziekten
  • Er is sprake van spierzwakte (op basis van neuromusculaire betrokkenheid) waarbij er een verhoogd risico bestaat op luchtweginfecties door verminderd goed ophoesten van slijm
  • Er is sprake van een afweerstoornis bij de metabole ziekte of bij de behandeling daarvan (bijv. status na stamcel-, lever- of niertransplantatie)
  • Er is sprake van een onderliggend longprobleem of hartafwijkingen (hierin wordt het advies gevolgd van respectievelijk de behandelend kinderlongarts of kindercardioloog)
Pediatrische infectieziekten en immunologie
  • Rondom orgaan/stamcel
  • Met primaire afweerstoornissen (PID) die academische zorg behoeven
  • Patiënten die cyclofosfamide, MMF en rituximab gebruiken
Kinderoncologie
  • Alle oncologische kinderen die behandeld worden met chemotherapie, tot 3 maanden na stop behandeling
  • Alle oncologische kinderen met ernstige pulmonale late effecten tot langer dan 3 maanden na behandeling
  • Patiënten met een (stamceltransplantatie) tot 1 jaar na behandeling
AllergologieNiet van toepassing
Neurologie
  • Kinderen met een neurologische aandoening waarvoor relevante immuunsuppressie/modulatie: hierbij moet worden gedacht aan B-cel-therapie zoals rituximab, ocrelizumab, medicatie met evidente lymfopenie: bijv. S1p-agonisten (zoals fingolimod), cyclofosmide; daarnaast ook cellcept/azathioprine in combinatie met andere immuun suppressiva/modulerende medicatie
  • Kinderen met koortsgevoelige encefalopathie: meest concrete voorbeelden zijn het ziektebeeld vanishing white matter of een koortsgevoelig epilepsiesyndroom als het Dravetsyndroom
  • Kinderen met neurologische aandoening, inclusief neuromusculaire aandoening die OF bekend zijn bij thuisbeademing OF thuis zuurstof hebben OF een PEG-sonde hebben (als indicatie voor ernst neuromusculaire aandoening)

3.3 Medische hoogrisicogroep vanaf 18 jaar

Tot de medische hoogrisicogroep voor COVID-19 behoren: 

  • 70-plussers, op volgorde van oud naar jong
  • Bewoners van verpleeghuizen
  • Patiënten met hematologische maligniteit gediagnosticeerd in de laatste 5 jaar of chronisch aanwezig
  • Sikkelcelziekte
  • Patiënten met ernstig nierfalen (dialyse of voorbereiding voor dialyse)
  • Patiënten na orgaan- of stamcel- of beenmergtransplantatie en de personen op de wachtlijst daarvoor
  • Patiënten met een ernstige aangeboren afweerstoornis (primaire immuundeficiëntie) die door de NVVI-NIV zijn aangemerkt als risicogroep
  • Patiënten met neurologische aandoeningen waardoor de ademhaling gecompromitteerd is
  • Patiënten met een solide tumor die in de laatste 6 maanden behandeld zijn met chemotherapie en/of radiotherapie
  • Personen met het syndroom van Down
  • Patiënten die behandeld worden met de volgende immunosuppressiva:
    • B-cel-depleterende medicatie: anti-CD20-therapie, zoals rituximab, ocrelizumab
    • Sterk lymfopenie-inducerende medicatie: fingolimod (of soortgelijke S1P-agonisten), cyclofosfamide (zowel pulsen als hoog oraal)
    • Mycofenolaat mofetil in combinatie met een of meerdere andere immunosuppressiva
  • Mensen met zeer ernstig overgewicht (BMI ≥ 40)
     

4. Contra-indicaties

4.1 Absolute contra-indicaties

Voor het stellen van een contra-indicatie voor een vaccinatie moet een individuele afweging gemaakt worden. Voor de COVID-19-vaccins gelden als absolute contra-indicaties:

  • een bevestigde allergie voor bestanddelen van het COVID-19-vaccin, waarbij door een allergoloog* is bevestigd dat er geen COVID-19-vaccinatie kan worden toegediend;
  • een aangetoonde ernstige en/of onmiddellijke** voor allergie verdachte reactie na een eerdere toediening van het COVID-19-vaccin, waarbij door een allergoloog* is bevestigd dat er geen volgende COVID-19-vaccinatie kan worden toegediend.

* In geval van een contra-indicatie in verband met een mogelijke allergie moeten deelnemers altijd met een behandelend arts/allergoloog overleggen of ze alsnog een volgende COVID-19-vaccinatie (ongeacht merk) mogen krijgen. Zie paragraaf 4.3.
** Met ‘ernstig’ worden geobjectiveerde major symptomen bedoeld zoals acute dyspneu, hypotensie met snelle pols of gegeneraliseerde huidreactie met urticaria/angio-oedeem. Met ‘onmiddellijk’ wordt binnen 4 uur bedoeld. Ook een acute (niet ernstige) gegeneraliseerde voor allergie verdachte huidreactie (zoals jeukend erytheem) is een contra-indicatie. Zie ook de handreiking Beoordelen van een voor allergie verdachte reactie na COVID-19-vaccinatie.

Zie de bijsluiters voor de bestanddelen van de COVID-19-vaccins, frequente bijwerkingen en andere absolute contra-indicaties.

Het onderscheid maken tussen anafylactische reacties en stressgerelateerde reacties kan lastig zijn. Voor het beoordelen van stressreacties versus anafylactische reacties gerelateerd aan de vaccinatie is een handreiking van de WHO van de WHO beschikbaar, waarin met name Table 4.1 ‘Differences between anaphylaxis, general acute stress response and vasovagal reaction with syncope’ goed bruikbaar is in de praktijk (zie paragraaf 4.5). Voor verdere postvaccinale verschijnselen, zie hoofdstuk 10.

4.2 Verhoogde bloedingsneiging

Zowel aangeboren als verworven (door medicatie) verhoogde bloedingsneiging kan een contra-indicatie zijn voor intramusculair (i.m.) vaccineren in verband met een verhoogde kans op spierbloedingen. COVID-19-vaccins worden in principe niet subcutaan (s.c.) toegediend en zijn alleen geregistreerd voor intramusculaire toediening.

Subcutane toediening is niet in een vergelijkende studie onderzocht en het is niet bekend of het vaccin subcutaan een even goede effectiviteit kan bieden als intramusculair. Wel bleek bij een groep gezonde volwassenen die per ongeluk subcutaan gevaccineerd was, het mRNA-vaccin voldoende immunogeen (Friedensohn 2021). Het is onbekend of s.c. vaccinatie meer kans geeft op lokale bijwerkingen.

Ondanks stollingsstoornissen kan er vrijwel altijd toch (intramusculair) gevaccineerd worden. In een aantal gevallen zijn er bij i.m.-vaccinatie wel extra voorzorgsmaatregelen nodig of moet eerst contact opgenomen worden met de behandelaar. Soms kan er na overleg met de behandelend specialist gekozen worden voor s.c.-vaccinatie. Bijvoorbeeld bij mensen met een ernstige stollingsstoornis die niet te corrigeren is en waarbij i.m.-vaccinatie gecontra-indiceerd is, terwijl het onwenselijk is om helemaal van vaccinatie af te zien.

Indien i.v.m. (mogelijke) stollingsstoornissen intercollegiaal overleg met de behandelend specialist of trombosedienst nodig is:

  • Vraag of bij de betreffende persoon het (geringe) volume van het COVID-19-vaccin i.m. mag worden toegediend (zie tabel 2.3).
  • Vraag welke aanvullende maatregelen eventueel nodig zijn, zoals: i.m. vaccinatie kort of langer na inname van de medicatie en/of de prikplek langer afdrukken.
  • Er wordt standaard met een dunne naald 23G gevaccineerd (geleverd door het RIVM).
  • Als de behandelaar i.m. vaccineren afraadt, bespreek dan de mogelijkheid van s.c. vaccineren met behandelaar en cliënt (informed consent).
  • De optie voor s.c. vaccineren is uitsluitend van toepassing op de mRNA vaccins.
  • Mocht er besloten worden tot s.c. vaccinatie druk dan na het vaccineren 10 minuten stevig af.

Als er een andere medische contra-indicatie is voor i.m. vaccinatie (naast stollingstoornissen) kan in voorkomende gevallen eveneens gekozen worden voor een s.c.-vaccinatie met een mRNA-vaccin na overleg met de behandelaar en informed consent van de client of diens wettelijke vertegenwoordiger.

Bij het gebruik van cumarinederivaten – ook wel vitamine K-antagonisten (VKA) genoemd

De patiënt wordt in de gezondheidsvragenlijst gevraagd om zelf contact op te nemen met de trombosedienst indien de laatste INR-waarde hoger was dan 3,5. Check of de patiënt inderdaad voor de vaccinatie contact heeft gehad met de trombosedienst en of de trombosedienst akkoord was met de vaccinatie, al dan niet na aanpassing van de dosering. 

Indien er geen contact is geweest met de trombosedienst wordt het beleid bij 18 jaar en ouder bepaald op basis van de anamnese en (indien bekend) INR; zie onderstaand tabel 4.2. De tabel is gebaseerd op de standaardprotocollen van het (Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering) en de NIV-richtlijn Antitrombotisch beleid, module periprocedureel beleid DOAC's (2021), maar is op diverse punten aangepast mede na overleg met hematologen en behandelaren van hemofiliepatiënten. Alle voorkomende situaties staan in de tabel.

Bij minderjarigen moet er alsnog eerst contact opgenomen worden met de trombosedienst; zie de aparte tabel Stollingsstoornissen bij minderjarigen.

NB. Factor-V-Leiden is een erfelijke aandoening waarbij een verhoogde kans bestaat op spontane trombose en longembolie. Dit is géén contra-indicatie voor intramusculair vaccineren. 

Tabel 4.2 Stollingsstoornissen bij mensen van 18 jaar en ouder
a VKA voorbeelden: acenocoumarol (Sintrom) en fenprocoumon (Marcoumar).
b INR stabiel: de afgelopen 3 maanden hoefde het medicatiebeleid niet aangepast te worden op basis van de INR-controles.
c INR wisselend: er wordt regelmatig gecontroleerd door de trombosedienst.
d LMWH voorbeelden: nadroparine (Fraxiparine, Fraxiparine Forte), dalteparine (Fragmin), tinzaparine (Innohep) en enoxaparine (Clexane, Inhixa, Lovenox). Deze worden onder andere voorgeschreven aan patiënten met veneuze trombose of longembolie bij kanker of aan zwangere vrouwen die antistolling nodig hebben.
e TAR voorbeelden: acetylsalicylzuur (Aspro, Aspirine, Alka-Seltzer), clopidogrel (Grepid, Iscover, Plavix), dipyridamol (Persantin), prasugrel en ticagrelor. Ook voor een combinatie van 2 TAR’s geldt het advies om minimaal 2 minuten stevig af te drukken.
f DOAC voorbeelden: rivaroxaban of edoxaban (eenmaal daags gedoseerd) en apixaban of dabigatran (tweemaal daags gedoseerd).
StollingsstoornisAdvies behandelaar/
interval medicatie en vaccinatie
Beleid t.a.v. intramusculair vaccineren
Aangeboren stollingsstoornis: hemofilie, Z van Von Willebrand (stollingsfactoractiviteit < 10%)Specialist akkoord Intramusculair vaccineren is mogelijk. Eventueel met extra instructies 
Specialist NIET akkoord met i.m. vaccinatie maar onder voorwaarden wel met s.c. vaccinaties.c. vaccinatie met een mRNA-vaccin, 10 minuten stevig afdrukken
Niet meer in behandeling bij specialistBeoordeling door arts op vaccinatielocatie (op basis van ervaringen met vaccinaties bij patiënt) 
Verworven stoornis door antistollingsmedicatie: cumarinederivaten (Vit.K-antagonisten of VKA)aTrombosedienst is akkoordIntramusculair vaccineren is mogelijk. Evt. met extra instructies
Trombosedienst is NIET geraadpleegd, maar INR stabiel < 3,5bIntramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 2 minuten stevig afdrukken
Trombosedienst is NIET geraadpleegd, INR wisselendc
maar 7 dagen vooraf vaccinatie INR <3,5
Intramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 2 minuten stevig afdrukken
Trombosedienst is NIET geraadpleegd, INR wisselendc
en 7 dagen vooraf vaccinatie INR ≥3,5
GEEN vaccinatie; patiënt contact laten opnemen met trombosedienst
Verworven stoornis door antistollingsmedicatie: laag-moleculairgewichtsheparine (LMWH)d, in eenmaal daagse dosering of tweemaal daagse doseringInterval tussen medicatie en vaccinatie is >=6 uurIntramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 2 minuten stevig afdrukken
Interval tussen medicatie en vaccinatie is <6 uurIntramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 10 minuten stevig afdrukken
Verworven stoornis door antistollingsmedicatie: trombocytenaggregatieremmers (TAR)eN.v.t.Intramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 2 minuten stevig afdrukken
Trombopathie of trombopenie 
(aantal trombocyten <50 x 109/l)
Specialist (of behandelend arts) is akkoord Intramusculair vaccineren is mogelijk. Evt. met extra instructies 
Specialist(of behandelend arts) is NIET akkoord met i.m. toediening maar onder voorwaarden wel met s.c. toediening.s.c. vaccinatie met een mRNA-vaccin, 10 minuten stevig afdrukken
Niet meer in behandeling bij specialistBeoordeling door arts op vaccinatielocatie (op basis van ervaringen met vaccinaties bij patiënt)
Direct werkende antistollings-medicatie (DOAC)fN.v.t.Intramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 2 minuten stevig afdrukken
Combinaties van antistollingsmiddelen:
TAR + DOAC: 
Interval tussen DOAC en vaccinatie is ≥6 uurIntramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 2 minuten stevig afdrukken
Interval tussen DOAC en vaccinatie is <6 uurIntramusculair vaccineren is mogelijk, met minimaal 10 minuten stevig afdrukken
Combinaties van antistollings­middelen: TAR + VKAVolg advies voor VKAVolgens advies voor VKA

Toelichting toediening van LMWH of DOAC in combinatie met TAR en moment van vaccinatie

  • Eenmaal daagse dosering van LMWH of een combinatietherapie met TAR en DOAC:
    Bij eenmaal daagse dosering van de DOAC (alleen indien in een combinatietherapie met TAR) of LMWH minimaal 6 uur ná de laatste inname van de DOAC of LMWH-injectie vaccineren. Indien een patiënt ’s avonds de DOAC of LMWH neemt, kan de ochtend erna worden gevaccineerd. Indien een patiënt ’s ochtends de DOAC of LMWH neemt, dan moet er minimaal 6 uur na deze ochtenddosis worden gevaccineerd. Na de vaccinatie minimaal 2 minuten afdrukken zonder te wrijven.
  • Tweemaal daagse dosering van LMWH of een combinatietherapie met TAR en DOAC:
    Bij tweemaal daagse dosering van de DOAC (alleen indien in een combinatietherapie met TAR) of LMWH moet de vaccinatie 1 uur vóór de volgende inname van de DOAC of de LMWH-injectie worden uitgevoerd. Bij vaccineren in de ochtend betekent dit dat de ochtenddosis DOAC of LMWH moet worden uitgesteld en pas kan worden ingenomen of geïnjecteerd tot minimaal 1 uur ná de COVID-19-vaccinatie. Bij vaccineren in de middag moet minimaal 6 uur na de ochtenddosis DOAC of LMWH worden gevaccineerd. Na de vaccinatie minimaal 2 minuten afdrukken zonder te wrijven.
  • LMWH of DOAC (in combinatietherapie met TAR) korter dan 6 uur geleden gehad én patiënt is al op de vaccinatielocatie:
    Indien een patiënt de DOAC of de LMWH korter dan 6 uur geleden voordat de vaccinatie plaatsvindt heeft genomen, of indien de patiënt een combinatie van TAR en DOAC of LMWH gebruikt, kan er wel gevaccineerd worden. Idealiter wordt een interval van 6 uur aangehouden, maar het is onwenselijk om de patiënt een nieuwe vaccinatieafspraak te laten maken. In deze situatie is langer afdrukken noodzakelijk: na de vaccinatie afdrukken gedurende minimaal 10 minuten, zonder te wrijven.
  • Tijdstip laatste dosis LMWH of DOAC (alleen indien in een combinatietherapie met TAR) onbekend én patiënt is al op de vaccinatielocatie:
    Indien een patiënt niet meer weet wanneer de laatste dosis DOAC of LMWH is genomen, kan er wel gevaccineerd worden. Idealiter wordt een interval van 6 uur aangehouden, maar het is onwenselijk om de patiënt een nieuwe vaccinatieafspraak te laten maken. In deze situatie is langer afdrukken noodzakelijk: na de vaccinatie afdrukken gedurende minimaal 10 minuten, zonder te wrijven.

4.3 Allergie

De handreiking Beoordelen van een voor allergie verdachte reactie na COVID-19-vaccinatie is een hulpmiddel voor de arts bij het beoordelen of iemand een volgende COVID-19-vaccinatie mag krijgen, onder normale observatie, onder verlengde observatie of helemaal niet (contra-indicatie). Dit is op basis van (allergische) symptomen die optraden na de vorige COVID-19-vaccinatie. In geval van een contra-indicatie in verband met een mogelijke ernstige allergie moet altijd met een behandelend arts/allergoloog overlegd worden of een volgende COVID-19-vaccinatie (ongeacht merk) gegeven mag worden.

Vervolgbeleid bij verdenking allergische reactie na vaccinatie:

  • Mensen met een ernstige en/of onmiddellijke voor allergie verdachte reactie op het COVID-19-vaccin kunnen door de vaccinatie-arts verwezen worden naar de huisarts.
  • Indien er geen sprake is van een contra-indicatie volgens de huisarts kan de patiënt terugverwezen worden naar de GGD voor toediening van de volgende dosis. De huisarts kan patiënten die voldoen aan bovenstaande contra-indicatie ook doorverwijzen naar een allergoloog voor beoordeling. De allergoloog beoordeelt na verwijzing van de huisarts of de volgende vaccinatie kan worden toegediend bij de GGD en zo ja of daarbij extra voorzorgsmaatregelen nodig zijn, of dat een poliklinische vaccinatie geïndiceerd is.
  • De GGD kan de vaccinatie alleen uitvoeren als de deelnemer een schriftelijk advies heeft van de behandelend (huis)arts/allergoloog en dit advies met documentatie kan overleggen bij de GGD. Als een patiënt een vaccinatie bij de allergoloog heeft gekregen zonder dat een allergische reactie is opgetreden, kan de volgende vaccinatie met identiek vaccin weer door de GGD gegeven worden. Bij een volgende vaccinatie met hetzelfde vaccin wordt niet alsnog een ernstige allergische reactie verwacht. In de brief van de allergoloog die de patiënt mee moet nemen naar de GGD of andere priklocatie, moet dit duidelijk beschreven staan, inclusief of de patiënt wel reageerde, maar met niet-allergische klachten. 

Patiënten die antihistaminica als chronische onderhoudsmedicatie gebruiken (bijvoorbeeld vanwege hooikoorts), hoeven deze voor vaccinatie niet te staken. Verergering van bestaande allergieklachten door het staken ervan kan zorgen voor onduidelijkheid over de oorzaak van klachten na vaccinatie. Een antihistaminicum doorbreekt niet het mechanisme dat een anafylactische shock veroorzaakt.

Tijdens de observatieperiode van 15 minuten na de vaccinatie is het advies om bij onmiddellijk ontstane symptomen geen orale antihistaminica toe te dienen. Effect van antihistaminica oraal kan pas na meer dan een uur worden verwacht. Indien er daadwerkelijk verdenking is op een anafylactische reactie, is snelle toediening van adrenaline (bijvoorbeeld middels een adrenalineauto-injector (bijvoorbeeld EpiPen)) geïndiceerd. Toediening van adrenaline vanwege een (vermoedelijke) allergische reactie na een vaccinatie is altijd een reden voor verwijzing naar de huisarts om de oorzaak van de reactie te duiden. De huisarts kan zo nodig verwijzen naar een allergoloog. 

Langere observatie (minimaal 30 minuten in plaats van 15 minuten) wordt altijd geadviseerd bij:

  • personen die in het verleden een of meerdere anafylactische reacties hebben gehad (ongeacht oorzaak);
  • personen waarvoor de (GGD-)arts uit voorzorg, vanwege een mogelijke ernstige allergische reactie, aangeeft dat er 30 minuten moet worden geobserveerd;
  • personen die een vermoede allergische reactie hebben doorgemaakt op een eerdere vaccinatie, maar voor wie geen (absolute) contra-indicatie voor een volgende vaccinatie bestaat, op basis van beoordeling en advies van de allergoloog.

De verwijzing van huisarts naar allergoloog valt onder de gebruikelijke regels die gelden voor de verdenking op een mogelijke medicatiegerelateerde allergie; vergoeding verloopt via de zorgverzekering, en voor de patiënt zijn er mogelijk kosten vanwege het eigen risico.

4.4 Relatieve contra-indicaties

Bij relatieve contra-indicaties moet overwogen worden waar op dat moment het grootste risico ligt: bij de vaccinatie of bij de door deze vaccinatie te voorkomen ziekte. Een tijdelijke contra-indicatie kan reden zijn om de vaccinatie uit te stellen of om extra voorzorgsmaatregelen te nemen. In deze paragraaf worden de volgende relatieve contra-indicaties besproken:

  • anesthesie;
  • epilepsie;
  • koorts;
  • myocarditis en pericarditis;
  • TTS (trombose met trombocytopeniesyndroom);
  • fillers;
  • allergie en specifieke subcutane immunotherapie (desensibilisatietherapie).

Anesthesie

Een geplande medische ingreep onder volledige anesthesie kan een reden zijn om een vaccinatie uit te stellen. Vaak wordt een interval van minimaal 48 uur gehanteerd tussen geïnactiveerd vaccin of vaccin zonder levend viraal materiaal en anesthesie. 

Dit wordt geadviseerd om de volgende redenen:

  • De mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie zijn dan meestal over de piek of verdwenen, waardoor er geen verwarring op kan treden met eventuele pre- of postoperatieve complicaties. Tevens wordt de kans beperkt dat door bijwerkingen de ingreep moet worden uitgesteld.
  • Het is prettiger om geen anesthesie en medische ingreep te ondergaan tijdens een periode waarin iemand zich niet lekker voelt door mogelijke vaccinatiebijwerkingen.

Het beste kan bij het ziekenhuis geïnformeerd worden welk interval daar gehanteerd wordt.

Ná de medische ingreep hoeft geen interval gehanteerd te worden. Ook als er in verband met de ingreep regulier plasma of immunoglobuline is toegediend, wordt bij vaccinatie met het COVID-19-vaccin geen interval aangehouden

Epilepsie

Bij sommige patiënten met epilepsie kan een vaccinatie of koorts na vaccinatie een convulsie uitlokken. De meerderheid van deze patiënten heeft van zijn of haar behandelaar een protocol wat te doen als dit optreedt. Bij deze patiëntengroepen kan op reguliere wijze een vaccinatiemoment gepland worden. Echter, personen die behandeld worden met anti-epileptica, bekend zijn met het krijgen van herhaalde convulsies na vaccinatie of koorts, én die van hun neuroloog geen protocol hebben voor wat zij moeten doen bij koorts, stress, of vaccinatie, moeten eerst contact opnemen met hun behandelaar. Bij deze patiënten kan de vaccinatie gepland worden als ze hun behandelaar geconsulteerd hebben over instructies rond het vaccinatiemoment.

Koorts

Als een persoon te ziek is, kan een vaccinatie beter uitgesteld worden om verwarring tussen ziekteverschijnselen en bijwerkingen te voorkomen. Koorts is daarvoor een graadmeter. Bij een temperatuur van 38°C of hoger wordt de vaccinatie uitgesteld.

Myocarditis en pericarditis

Myocarditis en pericarditis zijn zeldzame bijwerkingen van de coronavaccins van Pfizer/BioNTech (Comirnaty), Moderna (Spikevax) en Novavax (Nuvaxovid). Zie paragraaf 10.2 voor meer informatie.

Postvaccinatie-myocarditis en -pericarditis zijn relatieve contra-indicaties en kunnen een reden zijn om een vervolgvaccinatie uit te stellen of ervan af te zien. Het advies is daarom om met de behandelend cardioloog te overleggen over vervolgvaccinatie. Hierbij dient de ernst van de myocarditis te worden meegenomen en het risico op de door vaccinatie te voorkomen ziekte. Eventueel kan op individueel niveau besloten worden om een niet-mRNA-vaccin te geven als vervolg. Ook bij Bimervax XFG.1.1 van HIPRA is een enkel geval van pericarditis gemeld tijdens de klinische onderzoeken (zie SmPC). Engelse richtlijnen adviseren minimaal 3 maanden (12 weken) te wachten na volledig herstel van post-vaccinatie-myocarditis en -pericarditis  voordat een volgend mRNA-vaccin wordt gegeven (GOV.UK, 2023). Ook de Amerikaanse richtlijnen adviseren met vervolgvaccinatie te wachten tot herstel van myocarditis of pericarditis (CDC 2023). In een Australische richtlijn staat dat personen revaccinatie moeten uitstellen totdat zij minimaal 6 weken klachtenvrij zijn (Australian Government 2024).

TTS (trombose met trombocytopeniesyndroom) of VITT (vaccine-induced immune thrombotic thrombocytopenia)

TTS, een combinatie van uitgebreide trombose en een laag aantal bloedplaatjes, is een zeldzame bijwerking van de vaccins Vaxzevria (AstraZeneca) en Jcovden (Janssen). Vaxzevria en Jcovden zijn respectievelijk per 1 november 2021 en per 31 juli 2023 niet langer beschikbaar in het COVID-19-vaccinatieprogramma. Na vaccinatie met een mRNA-vaccin is TTS (VITT) zeer zelden beschreven (Sangli 2021, Welsh 2021, Iba 2022, See 2022).

Cosmetische behandeling met fillers

Bij mensen die een behandeling met fillers krijgen of hebben ondergaan, kan een overgevoeligheidsreactie optreden na COVID-19 vaccinatie. Zie paragraaf 10.2 voor meer informatie. De Nederlandse Vereniging Cosmetische Geneeskunde (NVCG) heeft haar leden geadviseerd om geen fillerbehandeling uit te voeren in een periode van 2 weken vóór tot 2 weken ná COVID-19-vaccinatie. De medewerker die de COVID-19 vaccinatie toedient, hoeft een behandeling met fillers niet na te vragen. De genoemde klachten op de plaats van de fillers zijn vooral jeuk, roodheid, zwelling en pijn. De overgevoeligheidsreacties vormen doorgaans geen belemmering voor een eventuele vervolgvaccinatie, aangezien ze meestal kort duren en goed te behandelen zijn.

Allergie en specifieke subcutane immunotherapie (desensibilisatietherapie)

In principe wordt er bij allergeen-specifieke subcutane immunotherapie (SCIT) een interval aangehouden van 7 dagen tussen een s.c.-injectie met allergeenextract (boompollen, graspollen, huisstofmijten, wespengif, bijengif) en een vaccinatie. Bewijs of dit nodig is ontbreekt. De kans op bijwerkingen na SCIT is theoretisch verhoogd als iemand kort van tevoren gevaccineerd is. Meestal is het mogelijk de SCIT 7 dagen uit te stellen. De behandelaar die de desensibilisatietherapie uitvoert, wijst de patiënt hierop en waarborgt dit interval; het is daarom niet nodig om het op te nemen in de gezondheidsvragenlijst van het COVID-19-vaccinatieprogramma.

Sublinguale immunotherapie (SLIT) geeft veel minder bijwerkingen en het risico op een ernstige reactie is na SLIT niet verhoogd. SLIT mag daarom zonder onderbreking worden doorgebruikt bij zowel levend verzwakte als geïnactiveerde vaccins. Ook is de verwachting dat de immuunrespons bij gebruik van SLIT normaal zal zijn.

4.5 Geen contra-indicaties

Reacties na een vorige COVID-19-vaccinatie die geen contra-indicatie vormen:

  • Bijwerkingen van het vaccin die optreden vanaf 1 dag na vaccinatie vallen onder de reactogeniciteit van het vaccin (zie bijsluiters) en hebben geen allergische oorzaak. Bijwerkingen zijn geen contra-indicatie voor een tweede vaccinatie, tenzij ze vallen onder de specifieke, ernstige bijwerkingen. Dan wordt geadviseerd met de specialist te overleggen en kan overwogen worden een ander merk vaccin toe te dienen. Dit geldt voor myo- en pericarditis na een mRNA-vaccin (zie paragraaf 4.4).
  • Forse lokale reacties na de vorige COVID-19-vaccinatie: zwelling >10 cm en meestal maximaal >12 uur na toedienen (Blumenthal 2021).
  • Lokale huidreacties ter plaatse van of uitbreidend vanuit de injectieplek van de COVID-19-vaccinatie, ongeacht de tijd na toedienen. Het betreft hier een niet-allergische overgevoeligheid zonder risico op ernstig reageren bij een volgende toediening.
  • Milde lokale/regionale huidreacties – ongeacht tijd na toediening van vaccin, door een huisarts als (mogelijk) allergisch bestempeld, en waarvoor wel of geen antihistaminica zijn voorgeschreven – zijn geen contra-indicatie voor een volgende vaccinatie.
  • Stressgerelateerde (onmiddellijke en ernstige) reacties – zoals droge mond, hartkloppingen, misselijk gevoel – zijn geen contra-indicatie. Deze reacties zijn in de praktijk soms moeilijk te onderscheiden van ernstige en onmiddellijke voor allergie verdachte reacties. De WHO-handleiding Immunization stress related responses (2019) biedt handvatten om ze onderling te onderscheiden (met name onderstaande tabel).
Differences between anaphylaxis, general acute stress response and vasovagal
reaction with syncope

ANAPHYLAXIS

ACUTE STRESS RESPONSE
GENERALVASOVAGAL REACTION
WITH SYNCOPE
OnsetUsually 5 min after
immunization but may be delayed up
to 60 min
Sudden, occurs before,
during or shortly after
(< 5 min) immunization
Sudden, occurs before,
during or shortly after
(< 5 min) immunization. May
present after 5 min if the
individual stands suddenly.
System   
SkinGeneralized urticaria (hives) or generalized erythema, angioedema,
localized or generalized, generalized
pruritus with or without skin rash,
generalized prickle sensation,
localized injection site urticaria,
red and itchy eyes
Pale, sweaty, cold, clammyPale, sweaty, cold, clammy
RespiratoryPersistent cough, noisy breathing
and airway constriction: wheeze,
stridor. If very severe, respiratory
arrest.
Hyperventilation (rapid, deep
breathing)
Normal to deep breaths
Cardiovascular↑ heart rate,
↓ blood pressure,
circulatory arrest
↑heart rate, normal
or ↑systolic blood pressure
↓ heart rate with or without
transient
↓in blood pressure
GastrointestinalNausea, vomiting,
abdominal cramps
NauseaNausea, vomiting
Neurological
and other symptoms
Uneasiness, restlessness, agitation,
loss of consciousness, little response
when supine or lying flat
Fearfulness, light-headedness
dizziness, numbness,
weakness, tingling around the
lips, spasms in hands, feet
Transient loss of consciousness,
good response once supine
or lying flat, with or without
tonic–clonic seizure

Andere situaties die geen contra-indicatie vormen:

  • Anafylactische reactie na een ander vaccin dan een COVID-19-vaccin, een insectensteek, een voedingsmiddel (inclusief allergie voor kippenei) of een geneesmiddel is geen contra-indicatie. Eén of meerdere anafylactische reacties in het verleden zijn wel een reden voor een observatieperiode na de vaccinatie van minimaal 30 minuten (zie paragraaf 4.3).
  • Antibioticagebruik
  • Asplenie
  • Astma, eczeem, allergie (tenzij het een allergie betreft voor een bestanddeel van het vaccin).
  • Auto-immuunziekten
  • Bloed- en plasmaproducten: na toediening van gewone bloedproducten en plasmaproducten, anders dan plasma met COVID-19-antistoffen of monoklonale antistoffen, wordt geen interval geadviseerd.
  • Borstvoeding
  • Chronische aandoeningen
  • Hartafwijkingen zijn geen contra-indicatie, maar juist een indicatie voor vaccinatie vanwege een verhoogd risico op ernstige COVID-19 bij cardiovasculaire aandoeningen. Myo- en pericarditis na een mRNA-vaccinatie zijn geen absolute contra-indicatie (zie paragraaf 4.4).
  • Herpes zoster. Het hebben van een acute herpes zoster of het recent doormaken ervan is geen contra-indicatie voor vaccinatie.
  • Kippeneiwitallergie
  • Ondervoeding. Geen enkele voedingstoestand is een contra-indicatie op zich.
  • Post-COVID. De wetenschappelijke kennis over het effect van vaccinatie op post-COVID-symptomen is beperkt en daarom is het advies aan post-COVID-patiënten die twijfelen over vaccinatie om te overleggen met de behandelend arts. De behandelend arts kan helpen bij de individuele afweging voor het halen van een COVID-19-vaccinatie.
  • Stabiele neurologische aandoeningen of een familiaire voorgeschiedenis van convulsies.
  • Stofwisselingsstoornissen
  • Trombocytopenie zonder trombose in de voorgeschiedenis: zie paragraaf 4.2 over stollingsstoornissen of (en onder welke voorwaarden) gevaccineerd kan worden. Voor alle merken COVID-19-vaccin geldt hetzelfde beleid.
  • Zwangerschap: personen die zwanger zijn, kunnen tijdens de zwangerschap veilig met een mRNA-vaccin (Comirnaty van BioNTech/Pfizer) worden gevaccineerd. Er is geen ervaring met het gebruik van Bimervax LP.8.1 bij zwangeren (zie paragraaf 6.3 voor meer informatie).
  • Bij onderstaande drie aandoeningen kan vaccinatie soms een opvlamming geven van de aandoening. Deze aandoeningen zijn geen contra-indicatie voor vaccinatie. Een dergelijke ontvlamming wordt geremd door de onderhoudsmedicatie die patiënten gebruiken. Daarom is het belangrijk dat de patiënten de profylactische medicijnen (veelal antihistaminica) doorgebruiken en niet stoppen voor de vaccinatie. Het gaat om:
    • chronische spontane urticaria en chronische induceerbare urticaria;
    • idiopathisch angio-oedeem, medicatie-gerelateerd (ACE-remmer) gerelateerd angio-oedeem en hereditair angio-oedeem;
    • mastocytose en mestcelactivatiesyndroom.

5. Vaccineffectiviteit

In dit hoofdstuk komt de vaccineffectiviteit tegen een SARS-CoV-2 infectie, ernstige ziekte, transmissie en post-COVID aanbod. Let op: deze informatie is aan verandering onderhevig. Voor een overzicht, zie International Vaccine Access Center.

5.1 Bescherming tegen infectie

In verschillende studies nam de effectiviteit van verschillende COVID-19 vaccins tegen SARS-CoV-2-infectie en symptomatische COVID-19 met ongeveer 20-30 procentpunt af in de 6 maanden na vaccinatie (Feikin 2022). De effectiviteit tegen een SARS-CoV-2-infectie na COVID-19-vaccinatie blijkt sneller af te nemen onder personen van 55 jaar en ouder en onder personen met comorbiditeit(en) (Menni 2022).

De Nederlandse Vaccinstudie Corona (VASCO) onderzoekt de effectiviteit van de coronavaccins onder de Nederlandse bevolking op basis van vragenlijsten en bloedtesten via een vingerprik. De vaccineffectiviteit van COVID-19 vaccins tegen (zelfgerapporteerde) SARS-CoV-2-infecties is relatief laag en varieert per Omicron subvariant waartegen het vaccin was gericht en (in mindere mate) per leeftijdsgroep.  De vaccineffectiviteit van Omicron XBB.1.5-vaccins werd voor deelnemers ouder dan 60 jaar geschat op 50% en voor deelnemers van 18-59 jaar (zorgverleners en tot een risicogroep behorend) op 41% (2024). (Huiberts et al 2024) De effectiviteit van Omicron JN.1-vaccins werd voor deelnemers ouder dan 60 jaar geschat op 16% (2025). (Huiberts et al, 2026) De geschatte effectiviteit van vaccins tegen de Omicron LP8.1-variant werd geschat op 36% voor deelnemers > 60 jaar (2026). (Den Hertog, ongepubliceerd) Internationale studies laten vergelijkbare resultaten zien (WHO position paper, 2026).

5.2 Bescherming tegen ernstige ziekte

In verschillende studies bleef de effectiviteit tegen ernstige ziekte (ziekenhuisopname of overlijden), in tegenstelling tot bescherming tegen infectie, hoog en nam slechts in beperkte mate af in de 6 maanden na vaccinatie (Feikin 2022). Rapporten over de relatieve vaccineffectiviteit tegen ziekenhuis- en (Intensive care)-opnames als gevolg van COVID-19 voor de periode 2021-2023 zijn te vinden op deze RIVM-webpagina. Uit Nederlandse data uit 2023-24 blijkt dat de vaccin-effectiviteit tegen ziekenhuisopname tussen de 55 en 67% ligt in de eerste drie maanden na vaccinatie. De effectiviteit is grotendeels verloren na 6 maanden bij personen in medische risicogroepen, waardoor herhaalvaccinaties met name zinvol zijn voor deze groepen (De Gier, 2026). De te behalen gezondheidswinst met COVID-19 vaccinatie is het hoogst bij personen uit medische risicogroepen, omdat zij een veel hogere kans hebben op ziekenhuisopname door COVID-19.

5.3 Bescherming tegen transmissie

Vaccinatie kan de besmettelijkheid verlagen (in geval van infectie), hoewel dit effect waarschijnlijk gering is en bovendien tijdelijk (zie ook het 2e OMT-V-advies). De Gezondheidsraad benoemt in zijn advies d.d. 28 juni 2023 dat ondanks de mindere werking van neutraliserende antistoffen van vaccinatie tegen omikron(sub)variant(en) er – zeker bij hybride immuniteit – ook een effect op de overdracht (transmissie) van het virus te verwachten is. 

5.4 Bescherming tegen post-COVID

Een deel van de personen houdt persisterende gezondheidsklachten na het doormaken van een SARS-CoV-2-infectie. Dit wordt  post-COVID maar ook frequent long-COVID genoemd. Vaccinatie met de basisserie en de eerste booster gaven een lagere kans op het optreden van post-COVID-klachten, maar de kans op post-COVID bleef ook na vaccinatie bestaan. Verder lijkt vaccinatie de klachten en het ziektebeloop bij reeds bestaande post-COVID vaak niet duidelijk positief of negatief te beïnvloeden. Zie voor meer informatie over de bescherming van vaccinatie tegen post-COVID het briefrapport dat in 2023 is opgesteld vanuit het  (Centrum Infectieziektebestrijding) voor de Gezondheidsraad. 

Onderzoek laat zien dat het risico op post-COVID in tijden van de omikronvariant lager is vergeleken met het pre-omikrontijdperk (Antonelli 2022, de Bruijn 2023, Hernández-Aceituno 2023). Recent onderzoek toont aan dat het bivalente vaccin en het XBB.1.5-vaccin niet geassocieerd waren met een lager risico op post-COVID na SARS-CoV-2-infectie (Huiberts 2025, De Bruijn 2025). Een aannemelijke verklaring is dat het overall risico op post-COVID zeer klein is, door herhaalde blootstelling door eerdere vaccinaties. Indirecte preventie van post-COVID door het voorkómen van (ernstige) infectie was in deze studies niet meegenomen.
 

6. Specifieke informatie per vaccin

6.1 Beschikbare vaccins

Op dit moment is Comirnaty XFG (vaccin van BioNTech/Pfizer) in Nederland beschikbaar in het COVID-19-vaccinatieprogramma. Deze vaccins zijn door het EMA en het (College ter Beoordeling van Geneesmiddelen) goedgekeurd. In paragraaf 2.2 staat een overzicht van de beschikbare COVID-19-vaccins per leeftijdsgroep.

In eerdere vaccinatierondes zijn ook de vaccins Vaxzevria (AstraZeneca), Spikevax (Moderna), Jcovden (Janssen) en Nuvaxovid (Novavax) ingezet. Vaxzevria, Spikevax, Jcovden en Nuvaxovid zijn respectievelijk per 1 november 2021, per 17 april 2023, per 31 juli 2023 en 1 juli 2024 niet langer beschikbaar in het COVID-19-vaccinatieprogramma.

Zie voor het klaarmaken van de vaccins de poster Coronavaccinatie spuit-naaldcombinaties. Met de QR-code op de poster komt men direct bij de webpagina met links naar de verschillende werkinstructies klaarmaken vaccin. Het is van belang om de instructies goed te volgen en de voorgeschreven spuiten en naalden te gebruiken. 

6.2 Comirnaty XFG (BioNTech/Pfizer)

Comirnaty, het vaccin van BioNTech/Pfizer, is een COVID-19-mRNA-vaccin. Het bevat mRNA dat codeert voor XFG, onderdeel van het spike-eiwit van het virus (SmPC). Het vaccin bevat geen levend viraal materiaal.

Toedieningsleeftijd en dosering

Voor verschillende leeftijdsgroepen zijn verschillende doseringen beschikbaar.

  • Voor kinderen van 6 maanden tot en met 11 jaar: Eén dosis van 0,3 ml bevat 10 microgram mRNA dat codeert voor XFG; deze multidoses flacon heeft een blauwe dop.
  • Voor personen vanaf 12 jaar: Eén dosis van 0,3 ml bevat 30 microgram mRNA dat codeert voor XFG; deze multidoses flacon heeft een grijze dop.

Voor kinderen is de dosering afhankelijk van de leeftijd, en onafhankelijk van het gewicht (zie ook de SmPC).

Vaccinatieschema

Zie paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2.

Contra-indicaties

Zie paragraaf 4.1 en paragraaf 4.3. Voor de relatieve contra-indicaties, zoals o.m. myocarditis en pericarditis na vaccinatie, zie paragraaf 4.4.

Bijwerkingen

De meeste bijwerkingen zijn binnen 1-2 dagen verdwenen. Als pijn of koorts toch heftig is, kan hiervoor paracetamol worden ingenomen. Zie de bijsluiter. Meer informatie over bijwerkingen en het melden ervan staat in hoofdstuk 10.

Gereedmaken van het vaccin

Comirnaty XFG wordt intramusculair (i.m.) toegediend in de bovenarm (m. deltoïdeus). Als er niet in de bovenarm gevaccineerd kan worden, bijvoorbeeld bij jonge kinderen, wordt de vaccinatie in het bovenbeen toegediend (m. vastus lateralis). Onder de 1 jaar wordt het vaccin toegediend in het dijbeen. Zie hoofdstuk 7 voor informatie over de toediening.

Voor het gereedmaken van beschikbare vaccins zijn specifieke instructies beschikbaar, zie Werkinstructies klaarmaken vaccin.

Verpakking Comirnaty 10 µg voor 6 maanden t/m 11 jaar (blauwe dop)

Het kant-en-klaar vaccin Comirnaty XFG wordt geleverd in een multidoses glazen vaccinflacon van 2,25 ml groot voor het gereedmaken van ten minste 6 doses vaccin van 0,3 ml. Er zitten 10 vaccinflacons in 1 verpakking. De dop van de vaccinflacon is blauw. Eén vaccinflacon bevat 2,25 ml bevroren vaccin. De dispersie is wit tot gebroken wit van kleur. Het vaccin wordt ontdooid geleverd aan de uitvoerende organisatie.

De kinderdosering van Comirnaty heeft een blauwe dop

 

Verpakking Comirnaty 30 µg voor 12 jaar en ouder (grijze dop)

Het kant-en-klaar vaccin Comirnaty XFG wordt geleverd in een multidoses glazen vaccinflacon van 2,25 ml groot voor het gereedmaken van ten minste 6 doses vaccin van 0,3 ml. Er zitten 10 vaccinflacons in 1 verpakking. De dop en de kleuring op het label op de flacon zijn grijs. Een vaccinflacon bevat 2,25 ml bevroren vaccin. De dispersie is wit tot gebroken wit van kleur. Het vaccin wordt ontdooid geleverd aan de uitvoerende organisatie.

Vanaf 12 jaar heeft Comirnaty een grijze verpakking en dop

Toediening van het vaccin

Comirnaty XFG wordt intramusculair (i.m.) toegediend in de bovenarm (m. deltoïdeus). Als er niet in de bovenarm gevaccineerd kan worden, wordt de vaccinatie in het bovenbeen toegediend (m. vastus lateralis). Bij kinderen jonger dan 1 jaar wordt het vaccin standaard toegediend in het dijbeen. Zie hoofdstuk 7 voor informatie over de toediening.

Temperatuur, houdbaarheid en expiratiedatum

Zie de tabellen 6.2a en 6.2b met informatie voor vaccins voor kinderen van 6 maanden t/m 11 jaar (blauwe dop) en voor personen van 12 jaar en ouder (grijze dop). De informatie is gebaseerd op de SmPC en informatie van de fabrikant, en kan door voortschrijdend inzicht aangepast worden.

Tabel 6.2a: Houdbaarheid Comirnaty XFG (10 en 30 µg, resp. blauwe en grijze dop)
* Bij een mogelijke afwijking van de temperatuur en bij andere incidenten waarbij het vaccin betrokken is geweest (bijvoorbeeld te lang gewacht met toedienen), moet de uitvoerende organisatie een melding maken bij het RIVM via formdesk. Het Supply Chain Support team van het RIVM neemt na beoordeling van het cold chain incident contact op met de melder. Zie paragraaf 8.2.
** De houdbaarheid van een aangeprikte flacon is conform de GMP-z vanuit microbiologisch oogpunt 8 uur en dus niet overeenkomstig de 12 uur die in de SmPC vermeld staat.
Houdbaarheid
Comirnaty XFG
<2°C2-8°C8-30°C
Onaangebroken vaccinflaconCold chain-incident:
zie *
Tot de “te gebruiken datum en tijd” – maximaal 10 weken na verwijdering uit de vriezer (staat vermeld op de verpakking).12 uur voorafgaand aan de eerste keer aanprikken.
Aangebroken vaccinflaconCold chain-incident:
zie *
8 uur na aanprikken**8 uur na aanprikken**
Vaccin opgetrokken in spuitCold chain-incident:
zie *
Zo spoedig mogelijk gebruiken (uiterlijk binnen 8 uur na aanprikken**)Zo spoedig mogelijk gebruiken (uiterlijk binnen 8 uur na aanprikken**)
Tabel 6.2b:  Transport Comirnaty XFG (10 en 30 µg, resp. blauwe en grijze dop)
* Altijd goed inpakken (rechtop) en beschermen tegen overmatig schudden. De Aandachtspunten voor goed vaccinbeheer in acht nemen.
** Bij een mogelijke afwijking van de temperatuur en bij andere incidenten waarbij het vaccin betrokken is geweest (bijvoorbeeld te lang gewacht met toedienen), moet de uitvoerende organisatie een melding maken bij het RIVM via formdesk. Het Supply Chain Support team van het RIVM neemt na beoordeling van het cold chain incident contact op met de melder. Zie paragraaf 8.2.
*** De houdbaarheid van een aangeprikte flacon is conform de GMP-z vanuit microbiologisch oogpunt 8 uur en dus niet overeenkomstig de 12 uur die in de SmPC vermeld staat.
Transport*
Comirnaty XFG
<2°C2-8°C8-30°C
Auto, fiets of lopend.
Alleen toegestaan voor onaangebroken vaccinflacons
Cold chain-incident: zie **Geen beperking, afgezien van de “te gebruiken datum en tijd” – maximaal 10 weken na verwijdering uit de vriezer (staat vermeld op de verpakking)12 uur voorafgaand aan de eerste keer aanprikken.
Auto, fiets of lopend.
Vaccin opgetrokken in spuit óf vaccinflacon na aanprikken (ook na onttrekking 1 of meerdere doses) (vervoeren zonder optreknaald)
Transport per auto of fiets niet mogelijkZo kort mogelijk, maximaal 6 uur transporttijd. Dit is inclusief eventuele onderbrekingen tijdens het transport. 
LET OP: het vaccin uiterlijk binnen 8 uur na aanprikken***
Zo kort mogelijk, maximaal 6 uur transporttijd. Dit is inclusief eventuele onderbrekingen tijdens het transport.
LET OP: het vaccin uiterlijk binnen 8 uur na aanprikken***

Uit de koelkast gehaald onaangebroken vaccin mag alleen teruggeplaatst worden in de koelkast als op de flacon te herleiden is hoe lang het nog te gebruiken is bij kamertemperatuur (12 uur minus de duur reeds buiten de koelkast). De maximale houdbaarheid bij 2-8°C blijft ongewijzigd.

Het vaccin is bij de logistiek dienstverlener bij -90°C tot -60°C opgeslagen en wordt kort voor levering ontdooid. Op dat moment gaat de periode van 10 weken (70 dagen) lopen. Als het vaccin is geleverd aan de uitvoerende organisatie, is per verpakking aangegeven vóór welk tijdstip de vaccins gebruikt moeten worden, indien bewaard bij 2-8°C.

6.3 Bimervax XFG.1.1 (HIPRA)

Bimervax XFG.1.1 is geïndiceerd voor actieve immunisatie ter voorkoming van COVID-19 veroorzaakt door SARS-CoV-2. Bimervax XFG.1.1 is op 31 juli 2026 goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenbureau EMA voor mensen van 12 jaar en ouder. Hoewel de goedkeuring is gegeven, is het vaccin nog niet direct bij aanvang van de najaarsronde beschikbaar.

Toedieningsleeftijd en dosering

Eén dosis Bimervax XFG.1.1 (0,5 ml) bevat 40 microgram van een homodimeer van het receptorbindend domein (receptor binding domain, RBD) van recombinant spike-eiwit (S-eiwit) van twee SARS-CoV-2-virusstammen (Omikron XFG.1.1-XFG.1.1), geadjuvanteerd met SQBA. SQBA-adjuvans bevat per dosis van 0,5 ml: squaleen (9,75 mg), polysorbaat 80 (1,18 mg), sorbitantrioleaat (1,18 mg), natriumcitraat (0,66 mg), citroenzuur (0,04 mg) en water voor injecties.

In geval van vaccineren tijdens de zwangerschap heeft een mRNA-vaccin de voorkeur. Er is geen ervaring met het gebruik van Bimervax XFG.1.1 bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft zwangerschap, embryofoetale ontwikkeling, geboorte of postnatale ontwikkeling (zie rubriek 5.3 van de SmPC). Toediening van Bimervax XFG.1.1 tijdens de zwangerschap mag alleen worden overwogen wanneer de mogelijke voordelen opwegen tegen de mogelijke risico’s voor de moeder en foetus. 

Bij het vaccineren van immuungecompromitteerde patiënten heeft een mRNA-vaccin de voorkeur. De effectiviteit en veiligheid van Bimervax XFG.1.1 is niet vastgesteld bij immuungecompromitteerde patiënten.

Vaccinatieschema

Zie paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2.

Contra-indicaties

Zie paragraaf 4.1 en paragraaf 4.3 en hoofdstuk 10

Voor de relatieve contra-indicaties, zoals o.m. myocarditis en pericarditis na vaccinatie, zie paragraaf 4.4.

Bijwerkingen

De meeste bijwerkingen treden binnen 3 dagen na ontvangst van het vaccin op en gaan binnen een paar dagen weg. Als pijn of koorts toch heftig is, kan hiervoor paracetamol worden ingenomen. Zijn de klachten ernstig of blijven ze aanhouden, dan is het advies de eigen (huis)arts te raadplegen. Zie de bijsluiter (hoofdstuk 4.8 m.b.t. bijwerkingen)

Meer informatie over bijwerkingen en het melden ervan staat in hoofdstuk 10.

Gereedmaken van vaccin en toediening

Bimervax XFG.1.1. wordt intramusculair (i.m.) toegediend in de bovenarm (m. deltoïdeus). Dien dit vaccin niet intravasculair, subcutaan of intradermaal toe. Als er niet in de bovenarm gevaccineerd kan worden, kan de vaccinatie in het bovenbeen worden toegediend (m. vastus lateralis). Zie hoofdstuk 7 voor informatie over de toediening.

Voor het gereedmaken van het vaccin zie t.z.t de Werkinstructies klaarmaken vaccin.

Verpakking

Bimervax XFG.1.1 wordt klaar voor gebruik geleverd in een verpakking met 20 single dose flacons van 0,5 ml.

Bewaar- en vervoersinstructies

De informatie is gebaseerd op de SmPC en informatie van de fabrikant, en kan door voortschrijdend inzicht aangepast worden.
Ongeopende vaccins moeten worden bewaard bij 2 °C tot 8 °C in de verpakking ter bescherming tegen licht. Haal het vaccin maximaal 24 uur voor gebruik uit de koelkast bij een temperatuur niet hoger dan 25 °C. 

Na optrekken in een spuit moet het vaccin direct worden toegediend.

Bij voorkeur niet vervoeren. Indien het vaccin toch vervoerd moet worden:

  • Vervoer bij 2 °C tot 8 °C.
  • Bescherm de flacon tegen licht.
  • Altijd goed inpakken (rechtop).
  • Instructies “goed vaccinbeheer” in acht nemen (zie document Goed vaccinbeheer)

Bij een mogelijke afwijking van de temperatuur en bij andere incidenten waarbij het vaccin betrokken is geweest (bijvoorbeeld te lang gewacht met toedienen), moet de uitvoerende organisatie direct telefonisch contact op nemen met RIVM-SPO support via telefoonnummer 088-689 8900. Zie paragraaf 8.2.
 

7. Vaccinatietechniek

In dit hoofdstuk staan algemene aandachtspunten en toedieningstechnieken beschreven die bij alle vaccins gelden.

7.1 Aandachtspunten bij het vaccineren

Handhygiëne bij het vaccineren

Handen zijn een belangrijke schakel in de overdracht van micro-organismen. Handen moeten visueel schoon zijn, vrij van sieraden en horloges, de nagels kortgeknipt en geen gebruik van kunstnagels. De polsen moeten vrij zijn van bedekkende kleding. Met handhygiëne wordt bedoeld: de handen wassen met water en zeep of desinfecteren met handdesinfecterend middel, zie ook de Hygiënerichtlijn voor de jeugdgezondheidszorg.

Het is niet nodig om voor elke afzonderlijke vaccinatie handhygiëne toe te passen, maar wel op de volgende momenten (Burgmeijer & Hoppenbrouwers 2011, de Groot 2014):

  • voor aanvang van de vaccinatiespreekuren;
  • na pauzemomenten;
  • na hoesten, niezen en neus snuiten;
  • na toiletbezoek;
  • voor en na het eten en drinken;
  • na contact met lichaamsvloeistoffen of uitscheidingsproducten;
  • bij zichtbaar vuil (zie ook de Hygiënerichtlijn voor de jeugdgezondheidszorg).

Op de volgende momenten moeten de handen met water en vloeibare zeep gewassen worden:

  • wanneer ze zichtbaar of voelbaar vuil zijn;
  • na een toiletbezoek;
  • na hoesten, niezen of het snuiten van de neus.

Bij de overige momenten kan er gekozen worden de handen te wassen met water en zeep of te desinfecteren met handalcohol.

Administratie

Administratie is een essentieel onderdeel van de vaccinatie. Alleen bij een zorgvuldige registratie kunnen in het geval van een incident adequate maatregelen genomen worden. Het verdient de voorkeur om vóór het toedienen van de vaccinatie de registratie af te handelen. Zo voorkomt men dat er onterecht gevaccineerd wordt. Voor (centrale) registratie, zie paragraaf 11.4.

Temperatuur en houdbaarheid

Bewaarcondities en houdbaarheid verschillen per product en staan in hoofdstuk 6 beschreven.

Expiratiedatum

De expiratiedatum geeft het laatste tijdstip, dag of maand aan dat het vaccin mag worden gegeven. Indien het vaccin per ongeluk toch na dit tijdstip is toegediend, wordt een nieuwe vaccinatie aangeboden omdat de werkzaamheid niet meer te garanderen is. Dit wordt in het dossier genoteerd. Als de deelnemer geen nieuwe vaccinatie wenst, wordt dit ook in het dossier genoteerd. Indien gewenst kan over bovenstaande ook worden overlegd met het RIVM: 088-689 8900.

Bijsluiters

De bijsluiters zijn gepubliceerd door het CBG. De SmPC is gepubliceerd door het EMA. Zie hoofdstuk 6 voor de diverse linken naar de teksten.

Vaccinflacons

Het flip-off-kapje beschermt de rubberen afsluitdop. Deze afsluitdop voorkomt contaminatie en zorgt voor het behoud van de steriliteit. Zolang er niet in het flesje is geprikt, is de inhoud steriel. Omdat op het oog niet te zien is of er in het flesje is geprikt, moet diegene die het flip-off-kapje heeft verwijderd er persoonlijk voor zorgdragen dat het flesje bij de eerstvolgende gelegenheid wordt gebruikt. Nadat een flacon is aangeprikt, kan de steriliteit van dit product niet lang worden gegarandeerd en moet de flacon zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een aantal uur gebruikt worden. Vaccinflacons van Comirnaty (Pfizer/BioNTech) die zijn aangeprikt, moeten binnen 8 uur worden gebruikt, zie ook hoofdstuk 6.

Spuiten en naalden

RIVM-DVP levert zowel injectiespuiten als naalden voor klaarmaken van het vaccin (blunt needle) en toediening (veiligenaaldsystemen). Zie bijlage Beschikbare spuiten en naalden.

Voor het doorprikken van het rubberdopje van de vaccinflacon is een injectienaald 18G geleverd (1,2 x 40 mm). Er kan wel eens een ponsje van de rubberen dop in de vloeistof gezien worden. Dat heeft geen invloed op de kwaliteit van het vaccin.

In het Arbeidsomstandigheden (Arbo)-besluit is het gebruik van veiligenaaldsystemen opgenomen. De veiligenaaldsystemen zijn geschikt voor toediening van alle COVID-19-vaccins. 

De naald die geleverd wordt, is 25 mm lang. Dit zijn standaardnaalden voor intramusculaire vaccinatie en de meeste kinderen, jongeren en volwassenen kunnen hiermee gevaccineerd worden. Intramusculair vaccineren is een voorwaarde om het vaccin effectief te laten zijn. Subcutane injecties moeten worden vermeden. Bij de juiste vaccinatietechniek (zie paragraaf 7.2) lukt het meestal om i.m. te vaccineren met een 25 mm-naald.

Bij ernstige obesitas, in het geval van een te dikke subcutane vetlaag, kan het nodig zijn om een langere naald te gebruiken. Indien er bij klinische beoordeling twijfel is of er sprake is van een te dikke subcutane vetlaag kan dit op de volgende manier gecontroleerd worden: pak de huidplooi tussen duim en wijsvinger en beoordeel de dikte: als de naald korter is dan de helft van de huidplooi, dan moet je een langere naald nemen. Daarnaast kan op basis van gewicht of (Body Mass Index. De BMI is een index die de verhouding tussen lengte en gewicht bij een persoon weergeeft. De BMI wordt veel gebruikt om een indicatie te krijgen of er sprake is van overgewicht of ondergewicht.) bij de volgende waarden overwogen worden om met een langere naald (38 mm) te vaccineren:

  • Gewicht: bij vrouwen met een gewicht >90 kg; bij mannen met een gewicht >118 kg;
    of
  • BMI >40.

Bij het selecteren van een spuit-naaldcombinatie is het van belang om te bepalen of het toegediende volume overeenkomt met de voorgeschreven dosering. Om technische redenen kan daar een verschil in bestaan. Een afwijking van ±10% tussen het toegediende volume en de dosering wordt als acceptabele marge beschouwd.

Desinfectie

Het is niet nodig om de huid te desinfecteren (Hutin 2003).

De rubberen dop op de vaccinflacon is steriel. Dit is bij de fabrikanten nagevraagd. Voor de rubberen dop hanteren we het volgende beleid:

  • Voor eenmalig doorprikken als meteen alle doses klaargemaakt worden, hoeft de dop niet gedesinfecteerd te worden.
  • Als het rubberen dopje vaker doorgeprikt wordt, dan moet de dop vanaf de 2e keer iedere keer gedesinfecteerd worden.

Klaarmaken van vaccins

Het klaarmaken van het vaccin is niet meer beschreven in deze richtlijn. In de losse instructies is te lezen hoe ieder vaccin klaargemaakt moet worden. Of daarbij doortrekken van het vaccin plaatsvindt conform de instructies van lokale apothekers is aan de uitvoerende organisatie zelf om te bepalen. Er is momenteel geen schaarste van vaccins.

Bevoegde en bekwame ziekenhuisapothekers en -medewerkers mogen, met hun techniek en ervaring, doortrekken van de ene vaccinflacon naar de volgende vaccinflacon. Zij mogen vervolgens GGD-medewerkers, huisartsen of andere professionals volgens landelijk protocol van de NVZA trainen in het werken met deze techniek. Een apotheker verklaart medewerkers individueel bekwaam als 'vaccinvoorbereider plus'. Vanaf dit moment mag de bekwaam verklaarde medewerker zelfstandig, zonder aanwezigheid van de apotheker, de techniek toepassen. De uitvoerende organisatie houdt een register bij van bekwame 'vaccinvoorbereiders plus', zowel ten behoeve van de eigen organisatie als ten behoeve van de IGJ. De lokale ziekenhuisapotheek kan gevraagd worden een training te geven. Op de website van de NVZA staan de benodigde documenten.

Ontluchten van de injectiespuit

De injectiespuit moet voor de injectie worden ontlucht tot de naaldopzet. Verder ontluchten kan gepaard gaan met vaccinverlies. Zie de instructies voor het klaarmaken van de vaccins (onder Downloads bij deze richtlijn).

Aspireren

Controle op het aanprikken van een bloedvat voorafgaand aan het inspuiten van een vaccin is niet noodzakelijk. Ook bij COVID-19-vaccins is er geen aanleiding om dit te doen.

Toediening van vrijwel volledige dosis

Toediening van een (vrijwel) volledige dosis (>90%) van het vaccin is nodig. Zie voor fouten bij gereedmaken of toedienen van vaccin paragraaf 7.4.

Afvalverwerking

Zie paragraaf 8.7 voor meer informatie.

7.2 Plaats voor injectie en toedieningstechnieken

Plaats voor injectie

Aan kinderen van 6 maanden tot 1 jaar oud, wordt de vaccinatie intramusculair (i.m.) gegeven in het bovenbeen.

Vanaf de leeftijd van 1 jaar wordt het vaccin intramusculair toegediend in de bovenarm (m. deltoïdeus). Als er niet in de bovenarm gevaccineerd kan worden, is het anterolaterale deel van het bovenbeen een alternatief (m. vastus lateralis). Indien er gelijktijdig met de COVID-19-vaccinatie een of meerdere andere vaccins worden toegediend, kunnen deze ofwel in verschillende ledematen, of met een minimale afstand van 2,5 cm in dezelfde ledemaat worden toegediend.

Juiste toediening van de vaccinatie in de bovenarm

De veilige zone voor de i.m. injectie van een vaccin in de schouder is weergegeven als een groene driehoek. De bovengrens van het veilige gebied ligt 2 cm (twee vingers) onder het acromion en de ondergrens ligt ter hoogte van de oksel. Te distaal of te lateraal toedienen van de vaccinatie geeft een verhoogd risico op beschadiging van respectievelijk de N. radialis of de N. axillaris. Door te proximaal te injecteren bestaat de kans dat de injectievloeistof in de bursa subacromialis of het schoudergewricht terechtkomt (van der Kraats 2022).

Bij een persoon waarbij de lymfeklieren in de oksel zijn verwijderd dient bij het bepalen van de plaats van toediening niet gevaccineerd te worden in de aangedane kant i.v.m. mogelijk lymfe-oedeem na okselkliertoilet.

Afbeelding van toedieningsplek injectie in de schouder


Juiste toediening van de vaccinatie in het bovenbeen (voor kinderen van 6 maanden tot 1 jaar oud)

Bij zuigelingen van 6 maanden tot 1 jaar oud (of in uitzonderingsgevallen voor personen die niet gevaccineerd kunnen worden in beide armen) is de aanbevolen plaats van injectie het anterolaterale deel van het bovenbeen (zie ook SmPC). Onderstaande afbeeldingen verduidelijken de juiste plaats voor injectie in het bovenbeen.

Afbeelding van de juiste plaats voor injectie in het bovenbeen bij een kind
Foto van injectiesite anterolateraal deel van het bovenbeen kind

Uit: The Australian Immunisation Handbook, © 2022 Commonwealth of Australia as represented by the Department of Health (geraadpleegd op 10 januari 2023).

De techniek van de intramusculaire injectie

Het COVID-19-vaccin wordt normaliter i.m. toegediend. Voer hierbij achtereenvolgens de volgende handelingen uit:

  1. Ontbloot de injectieplaats en laat knellende kleding losmaken of uittrekken.
  2. Fixeer de injectieplaats tussen duim en wijsvinger en trek de huid daarbij strak. Men kan ervoor kiezen om tevens de huid iets ten opzichte van het onderhuidse bindweefsel te verschuiven (Z-track techniek).
  3. Doorsteek de huid snel en loodrecht.
  4. Injecteer het vaccin rustig en volledig.
  5. Trek de lege spuit terug met een snelle beweging.
  6. Bescherm de naald conform de gebruiksaanwijzing van het (veilige)naaldsysteem.
  7. Ontkoppel direct naald en spuit met behulp van de naaldencontainer of gooi de toedieningsspuit-toedieningsnaaldcombinatie als geheel in de naaldencontainer (afhankelijk van de afspraken binnen de organisatie).
  8. Vaccinflacon en spuit kunnen na gebruik in het Wiva-vat of alternatief (zie paragraaf 8.7).
Afbeelding van intramusculaire toediening van het COVID-19-vaccin

NB. Bij mensen met meer subcutaan vet lukt het meestal om met de juiste vaccinatietechniek ook i.m. te vaccineren met een 25 mm lange naald. Dan is het belangrijk om de huid strak te trekken en vervolgens voldoende door te duwen bij het prikken om de spier goed te bereiken. Bij ernstige obesitas, in het geval van een te dikke subcutane vetlaag, kan het nodig zijn om een langere naald te gebruiken. Zie paragraaf 7.1 indien er twijfel is of er sprake is van een te dikke subcutane vetlaag en voor het selecteren van een geschikte lange naald.

7.3 Aandacht voor pijnvermindering bij vaccineren

Verschillende eenvoudige interventies reduceren de pijn tijdens het vaccineren. De volgende interventies zijn in de meeste situaties toe te passen.

  • Interventies betreffende de vaccinatieprocedure: laat de vaccinatieprocedure zo kort mogelijk duren.
  • Psychologische interventie: vanaf de tienerleeftijd is afleiding meestal niet effectief, bij jonge kinderen wel.
  • Farmacologische interventie: de huid mag lokaal verdoofd worden met lidocaïne/prilocaïne-crème, op initiatief van betreffende persoon zelf. Uit onderzoek is gebleken dat lidocaïne/prilocaïne-crème het opwekken van antistoffen (immuunrespons) van vaccins niet nadelig beïnvloedt. Voor een goede werking van het pijnstillend effect moet de crème 1 uur voor de vaccinatie op de injectieplek aangebracht worden. De crème verdooft alleen de huid en niet het onderliggende weefsel.

Afgeraden interventies

  • Opwarmen van het vaccin tot kamertemperatuur geeft geen pijnvermindering en kan de effectiviteit van het vaccin negatief beïnvloeden.
  • Toedienen van orale analgetica (paracetamol) voorafgaand aan de vaccinatie geeft geen pijnvermindering van de vaccinatie zelf. (Later bij pijn ná vaccinatie kan het wel effectief zijn; zie paragraaf 10.3).

Meer informatie over pijnvermindering bij vaccineren staat beschreven in de WHO Position Paper en in een infographic gemaakt door het PROSA kenniscentrum over hoe je een kind kunt voorbereiden op een vaccinatie.

7.4 Gereedmaken vaccin

Te grote hoeveelheid vaccin

  • Als per abuis een te grote hoeveelheid vaccin is opgetrokken en toegediend, betreft dit een overdosis. In die gevallen kan een lokale reactie, zoals een pijnlijke arm, heftiger zijn dan normaal. Breng in geval van een kind ook ouder(s)/verzorgers(s) op de hoogte. Leg uit dat het in principe geen kwaad kan, maar wel een zere arm (of been bij leeftijd van 6 maanden-1 jaar) kan opleveren. Leg uit dat de pijn in de arm verminderd kan worden door gebruik van paracetamol.
  • Geef de gegevens van een contactpersoon op die gebeld moet worden bij onverwachte klachten.
  • Geef aan dat bij ernstige klachten altijd de huisarts gebeld moet worden.
  • Geef aan dat bijwerkingen naar aanleiding van een overdosis gemeld moeten worden bij Lareb, het bijwerkingencentrum.

Er is geschud met het vaccin

Breng een verantwoordelijke op de vaccinatielocatie op de hoogte en overleg wat het vervolgbeleid is. De COVID-19 vaccins zijn namelijk kwetsbaar. Schudden met deze vaccins kan als gevolg hebben dat het vaccin niet voldoende werkzaam meer is.

Toedienen van vaccin

Bij de toediening loopt er een druppeltje terug

Een dosis van het vaccin betreft 0,3 ml. In de praktijk komt het voor dat er per ongeluk iets minder wordt toegediend, omdat na de toediening van vaccin wat uit het injectiegaatje loopt. Bij ieder vaccin is er wat marge en wordt er in zo’n situatie nog steeds een effectieve dosis toegediend. Er hoeft in zo’n situatie dus geen extra dosis te worden toegediend.

Toediening van te kleine hoeveelheid vaccin

Indien minder dan 90% van de aanbevolen dosis is toegediend, omdat er tijdens het vaccineren iets misgaat, bijvoorbeeld omdat de naald niet goed op de spuit zit, dient er meteen na de onvolledige dosis nog een volledige dosis te worden toegediend.

Dosis mogelijk of gedeeltelijk subcutaan toegediend

Bij de juiste vaccinatietechniek lukt het meestal om i.m. te vaccineren met een 25 mm-naald, ook bij mensen met meer subcutaan vet (zie ook paragraaf 7.2). Als bij een vaccinatie mogelijk (deels) subcutaan is gevaccineerd, hoeft er geen extra vaccinatie te worden toegediend. Men gaat er van uit dat de vaccinatie toch (deels) heeft gewerkt (Friedensohn 2021).

Per ongeluk Comirnaty XFG (BioNTech/Pfizer) volwassen dosering toegediend aan een kind jonger dan 12 jaar

Er is meer antigene stof toegediend dan nodig was. De vaccinatie kan daardoor meer bijwerkingen geven. Voor de werkzaamheid maakt het niet uit.

In geval van prikaccidenten, zie de LCI-richtlijn Prikaccidenten.

7.5 Intervallen met andere vaccins

Bij toediening van een COVID-19-vaccin hoeft geen specifiek interval gehanteerd te worden met andere vaccinaties, bijvoorbeeld vaccinatie in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma, de griep- of pneumokokkenvaccinatie of reizigersvaccinaties. Ook het gelijktijdig toedienen van een ander vaccin kan veilig en heeft geen duidelijk invloed op de immunogeniciteit of reactogeniciteit van de vaccins

Verschillende studies hebben laten zien dat gelijktijdige toediening van COVID-19-vaccins en griepvaccins veilig kan. Er worden niet of nauwelijks meer bijwerkingen gezien bij gelijktijdige toediening, en de bijwerkingen zijn over het algemeen mild en tijdelijk van aard. Ook blijkt uit studies dat er een goede antistof respons tegen zowel COVID-19 als griep wordt opgewekt bij gelijktijdige toediening of toediening binnen korte tijd. De WHO/SAGE aanbevelingen omtrent COVID-19-vaccins, geven aan dat de COVID-19-vaccinatie met elk ander vaccin tegelijk mag worden toegediend (Lazarus 2021, BMJ 2021, Izikson 2022, Toback 2021, Hause 2022a, WHO 2022b, WHO 2022c, Dulfer 2023, Gonen 2023).

Uit een Safety Monitoring blijkt tevens dat Imvanex geen verhoogd risico geeft op myocarditis of pericarditis (Duffy 2022). Er hoeft daarom ook bij personen tot 40 jaar geen rekening meer gehouden te worden met een interval tussen een vaccinatie met Imvanex en een COVID-19-vaccinatie.
 

8. Vaccinbeheer

Vaccinvervoer en temperatuur bij vaccinopslag vragen extra aandacht, omdat de vaccins zeer kwetsbaar zijn. Bij verkeerd vaccinbeheer kan de werkzaamheid sterk afnemen. In de Aandachtspunten voor goed vaccinbeheer is meer informatie te vinden. Het document geeft toelichting over o.a. verantwoordelijkheden van uitvoerende organisaties, gebruik van vaccins en instructies voor vaccintransport en vaccinopslag op locatie.

8.1 Opslag en levering vaccin

Voor de opslag van de vaccins in Nederland is een farmaceutisch logistiek dienstverlener ingezet die veel kennis en ervaring heeft in (fijn)distributie van vaccins. Bij deze partij is opslagcapaciteit gereserveerd voor COVID-19-vaccins, waarbij rekening gehouden is met de uiteenlopende temperatuurzones waarbij de vaccins opgeslagen moeten worden (ultra low, vries-, koel- en kamertemperatuur). Deze logistiek dienstverlener draagt ook zorg voor het leveren van vaccins en toebehoren naar de vaccinatielocaties.

8.2 Opslag vaccins en cold chain-incidenten bij de uitvoerende organisatie

Na ontdooien kan Comirnaty (BioNTech/Pfizer) maximaal 10 weken in de koelkast bewaard worden bij een temperatuur van 2-8° C. Zie voor vervoer en transport van vaccins de betreffende tabellen in hoofdstuk 6.

Cold chain-incidenten

Cold chain-incidenten met de koelkasten kunnen voor vaccinverlies zorgen. Bij een mogelijke afwijking van de temperatuur (zowel te hoge als te lage temperatuur) en bij andere incidenten waarbij het vaccin betrokken is geweest, moet de uitvoerende organisatie een melding maken bij het RIVM via https://www.formdesk.com/rivm/Cold_Chain_Incident_COVID-19. Het Supply Chain Support team van het RIVM neemt na beoordeling van het cold chain incident contact op met de melder. Vaccins moeten gekoeld opzij gezet worden en mogen niet gebruikt worden tot besluit van het RIVM. Indien het RIVM heeft besloten dat de vaccins inderdaad vernietigd moeten worden, wordt het vaccin dat verloren is gegaan door de uitvoerende organisatie zelf vernietigd.

8.3 Vaccinverlies tijdens de uitvoering van de vaccinatie

Bij vaccinatie zal enig vaccinverlies niet te vermijden zijn. Tijdens de vaccinatiesessie wordt vaccinverlies doorgegeven aan de vaccinverantwoordelijke. Dit betreft bijvoorbeeld breuk van de vaccinflacon of aan het einde van de vaccinatiesessie de multidoses vaccinflacons die niet volledig gebruikt zijn. Daarnaast wordt het vaccinverlies indirect bepaald op basis van de geleverde vaccins, de toegediende vaccinaties en de productklachten.

Vaccinflacons die gevallen zijn van werkhoogte naar de grond mogen niet meer gebruikt worden en moeten als vaccinverlies worden afgehandeld.

8.4 Productklachten

Met productklachten worden klachten over het vaccin of toebehoren bedoeld (bijvoorbeeld glasbreuk). Bij productklachten over vaccins zijn er een aantal acties die uitgevoerd dienen te worden. Deze zijn te vinden in de Aandachtspunten voor goed vaccinbeheer.

8.5 Retour nemen van vaccin

Vaccins die zijn uitgeleverd, worden niet retour genomen door RIVM-SPO/LCC.

8.6 Recall

In geval van een recall (terugroepen) van vaccins informeert RIVM-SPO/LCC zo snel mogelijk de uitvoerende organisaties en communiceert zij de vervolgacties. In veel gevallen zal de uitvoerende organisatie verzocht worden om de betrokken vaccins apart te zetten, niet te gebruiken en te voorzien van een label om misverstanden te voorkomen. Zo nodig haalt RIVM-SPO/LCC de betreffende vaccins terug voor vernietiging, onderzoek of om ze retour te sturen naar de leverancier. De uitvoerende organisatie verleent daaraan alle medewerking.

8.7 Afvalverwerking

Toedieningsnaalden

Na toediening van het vaccin moet de gebruikte toedieningsnaald direct in een naaldencontainer worden gedeponeerd. Hiermee wordt het risico op prikaccidenten beperkt. Naaldencontainers kunnen in de praktijk snel vol raken. Het is daarom belangrijk dat het formaat en volume van de naaldencontainer zijn afgestemd op de hoeveelheid en het formaat van het materiaal dat binnen het werkproces wordt gebruikt.

Toedieningsspuiten en vaccinflacons

Gebruikte spuiten, gebruikte vaccinflacons (gedeeltelijk gevuld en leeg) en ander medisch afval (zoals watjes met bloed) moeten als medisch afval worden afgevoerd (conform UN3291), bijvoorbeeld in een Wiva-vat. Zodra het Wiva-vat vol is, moet het worden afgesloten.
De naaldencontainers en Wiva-vaten moeten voor en na de vaccinatiesessies in een afgesloten ruimte worden bewaard totdat het als medisch afval wordt opgehaald en vernietigd door een erkend afvalverwerkingsbedrijf.

Indien geen Wiva-vat wordt gebruikt voor het medisch afval, kunnen de toedieningsspuiten en lege vaccinflacons in een daarvoor geschikte naaldencontainer worden gedeponeerd.

Bij het gebruik van naaldencontainers voor de afvoer van toedieningsspuiten en vaccinflacons gelden de volgende aandachtspunten:

  • Gebruik uitsluitend naaldencontainers die geschikt zijn voor het deponeren van toedieningsspuiten en vaccinflacons.
  • Na het afsluiten mag de naaldencontainer niet meer worden geopend.
  • Bewaar afgesloten naaldencontainers in een afgesloten ruimte totdat deze worden opgehaald voor transport naar de afvalverwerker.
  • Voer de naaldencontainers af als medisch afval.

Overgebleven batchstickers

Wanneer na het opmaken van een vaccinbatch nog stickers van deze batch over zijn, moeten deze worden vernietigd. Dit kan door de stickers op dezelfde wijze af te voeren als de vaccinflacons of als papiervernietiging, dus in een afgesloten container of in een shredder.

Geëxpireerde COVID-19-vaccins

Voor de veilige en adequate afvoer van geëxpireerde restanten van COVID-19-vaccins wordt verwezen naar het document Instructie overgebleven COVID-19-vaccins.
 

9. Vaccineren van bijzondere groepen

9.1 Personen afkomstig uit het buitenland

Het is aannemelijk dat ook personen afkomstig uit het buitenland immuniteit tegen SARS-CoV-2 hebben opgebouwd, ofwel door vaccinatie, ofwel door infectie, dan wel door een combinatie van beide. Zie hoofdstuk 2 voor het vaccinatiebeleid. Dit is niet afhankelijk van het type vaccin dat in het buitenland ontvangen is.

9.2 Extra vaccinaties voor individuele uitzonderingssituaties zonder medische noodzaak

De algemene indicaties voor COVID-19-vaccinatie die in Nederland zijn gesteld, zijn terug te vinden in hoofdstuk 2. Indien iemand om een andere dan een hier genoemde medische indicatie of afwijkend (wat betreft gebruikt vaccin) van het vaccinatieprogramma gevaccineerd wil worden, is dit niet medisch noodzakelijk. Het wordt daarom ook niet geadviseerd in het landelijke vaccinatieprogramma. Deze situatie kan voorkomen wanneer in het buitenland andere typen/aantallen vaccinaties worden gevraagd/als medisch geïndiceerd worden gezien dan in Nederland. Deze indicaties zijn niet opgenomen in deze uitvoeringsrichtlijn; zie paragraaf 1.4.

Afwegingen die de arts maakt voorafgaand aan vaccinatie zonder medische noodzaak:

  • Zijn er absolute of relatieve contra-indicaties bij deze persoon? Indien er geen relatieve en/of absolute contra-indicaties zijn voor COVID-19-vaccinatie (zie hoofdstuk 4), dan is er ook geen contra-indicatie voor een extra vaccinatie voor dit individuele uitzonderingsgeval.
  • Wat is het bijwerkingenprofiel van het vaccin? Het bijwerkingenprofiel van een extra vaccinatie in een individueel geval is niet bekend. De bijwerkingen van een extra vaccinatie komen waarschijnlijk overeen met die van eerder toegediende vaccinaties. Het is niet duidelijk of een korter interval dan geadviseerd invloed heeft op de bijwerkingen. Bij het maken van een uitzondering is het belangrijk om het bijwerkingsprofiel van het vaccin in overweging te nemen. Zie hoofdstuk 6 voor de bijsluiter(s).
  • Wat is het te verwachten effect op de immuniteit? Is dit het juiste moment om het vaccin toe te dienen met het oog op optimaal effect? Vanwege de effectiviteit is het, ook bij extra vaccinaties voor individuele uitzonderingsgevallen, gewenst om met een interval van bij voorkeur 6 maanden, ten minste 12 weken, na de laatste dosis of na bevestigde infectie te vaccineren.
  • Is het vaccin geregistreerd voor deze toepassing bij deze leeftijdsgroep? Indien het niet geregistreerd is voor de leeftijd van de betreffende persoon, betreft het off-label gebruik.

De arts dient te allen tijde de bovengenoemde afwegingen te bespreken met de cliënt wanneer hij of zij besluit te vaccineren zonder medische indicatie (zie hoofdstuk 2). In het gesprek dienen de volgende punten aan de orde te komen:

  • dat het medisch gezien niet noodzakelijk is om deze vaccinatie te geven;
  • welke bijwerkingen de vaccinatie kan geven;
  • wat het te verwachten effect is van een eventuele afwijkende timing;

De patiënt dient hierop informed consent te geven. De arts legt dit schriftelijk vast. Alle toegediende vaccins worden geregistreerd door de uitvoerende organisatie en als er toestemming is gegeven ook in CIMS. De gevolgen voor eisen die in het buitenland gesteld worden, vallen buiten deze richtlijn.
 

10. Bijwerkingen en postvaccinale verschijnselen

Het Bijwerkingencentrum Lareb heeft, in opdracht van het CBG, een belangrijke rol in het verzamelen, vastleggen en analyseren van meldingen van vermoede bijwerkingen van de COVID-19-vaccinatie.

10.1 Definities

  • Bijwerking: een ongewenste medische gebeurtenis waarvan vermoed wordt dat er een relatie bestaat met het vaccin.
  • Postvaccinale verschijnselen of AEFI (adverse event following immunisation): een gebeurtenis na vaccinatie, waarvan de relatie met de vaccinatie nog niet bepaald is.
  • Melding (bij Lareb): melding van één of meer ongewenste medische gebeurtenissen ofwel vermoede bijwerkingen na een vaccinatiemoment (www.lareb.nl).

10.2 Mogelijke bijwerkingen

Reacties die snel na de vaccinatie optreden

Tijdens de vaccinatie moet men bedacht zijn op flauwvallen van deelnemers, zoals dat altijd bij vaccineren het geval is. 

Anafylactische reacties zijn uitermate zeldzaam, maar niet uit te sluiten. Observatie na vaccinatie gedurende minimaal 15 minuten wordt aanbevolen (zie SmPC, de nota van juli 2023 van het RIVM en Kamerbrief). Dit is in lijn met het beleid van veel andere (Europese Unie)-lidstaten, internationale adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Strategic Advisory Group of Experts on Immunization (SAGE), het EMA en de bijsluiters van de coronavaccins.

Omdat anafylactische reacties niet uit te sluiten zijn, moet de uitvoerende organisatie in het kader van de COVID-19-vaccinatie snel 112 kunnen bellen en beschikken over een protocol voor ernstige acute bijwerkingen na vaccinatie. Zie als voorbeeld het protocol van het LCR in bijlage 3 en de “Handreiking BLS & Onwelwording na vaccinatie” van GGD (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio) NL (beschikbaar via GGDGHOR Kennisnet). Bij ernstige of onmiddellijke reacties na vaccinatie kunnen tevens de richtlijnen van de eigen organisatie gevolgd worden.

Het is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende organisatie om het advies van 15 minuten observatie na vaccinatie vorm te geven om snel hulp te bieden als er een ernstige reactie kort na vaccinatie optreedt. 

Een noodkit met stappenplan en medicatie (onder andere adrenaline of EpiPen) moet aanwezig zijn tijdens het vaccineren. De ambulancedienst hoeft niet van tevoren ingelicht te worden over de geplande vaccinatiesessie.

Algemene reacties die optreden na de vaccinatie

Bij een aanzienlijk deel van de mensen treden bijwerkingen op zoals koorts, hoofdpijn en moeheid na vaccinatie met COVID-19 vaccins. Maar ook spierpijn, pijnlijke gewrichten, rillingen, misselijkheid en braken kunnen optreden na vaccinatie. Deze acute reacties zijn onschuldig en het gevolg van het aanjagen van het afweersysteem . De klachten gaan spontaan weer over binnen 1-2 dagen. Maar ze zijn wel hinderlijk en kunnen leiden tot het tijdelijk niet inzetbaar zijn voor werk in de eerste 24-48 uur. 

Studies laten zien dat bij de start van de vaccinatiecampagne tegen COVID-19 de klachten na vaccinatie meer uitgesproken waren bij jongeren dan bij ouderen, en dat deze toenamen in aantal en ernst (mild en matig) na de tweede vaccinatie met een mRNA-vaccin  (Chapin-Bardales 2021). Voorheen voldeed in de meeste gevallen niet één dosis van een mRNA-vaccin, maar waren twee doses vereist voor voltooiing van ‘de basisserie’. Voor een vervolgvaccinatie met een mRNA-vaccin is de reactogeniciteit vergelijkbaar met die na de mRNA-vaccinaties in de basisserie (Atmar 2021, Munro 2021).

De meest voorkomende bijwerkingen kunnen per vaccin verschillen. Zie voor een volledig overzicht de bijsluitertekst van het betreffende vaccin.

Myocarditis en pericarditis

Myocarditis en pericarditis zijn zeldzame bijwerkingen van de coronavaccins van Pfizer/BioNTech (Comirnaty), Moderna (Spikevax) en Novavax (Nuvaxovid) (zie ook de website van Lareb, het statement van de WHO en de EMA-‘safety-update’ van augustus 2022). Zie paragraaf 4.4 voor de advisering rondom vervolgvaccinatie na post-vaccinatie myocarditis en pericarditis.

Myocarditis en pericarditis treden het vaakst op na de tweede dosis en bij jonge mannen tussen de 12 en 40 jaar. De gevallen zijn over het algemeen mild en zelflimiterend, waarbij de meeste patiënten zonder complicaties herstellen. Myocarditis na een SARS-CoV-2 infectie komt daarentegen vaker voor en gaat gepaard met ernstiger uitkomsten, waaronder hogere percentages ziekenhuisopnames en sterfte (Straus 2022, Oster 2022, Patone 2022, Karlstad 2022, Buchan 2022, Liu 2026)

Sinds halverwege 2023 wordt één enkele dosis van het mRNA-vaccin voldoende geacht als primaire vaccinatie en revaccinatie om bescherming te bieden tegen COVID-19 (zie adviezen Gezondheidsraad en FDA). Een groot deel van de bevolking heeft antistoffen tegen SARS-CoV-2, door vaccinatie of infectie of een combinatie van beide (hybride immuniteit).

Er zijn weinig data beschikbaar over het risico op myocarditis of pericarditis na vaccinatie met Bimervax (HIPRA). Bij het HIPRA-vaccin is een enkel geval van pericarditis gemeld tijdens de klinische onderzoeken (zie SmPC). Er zijn geen gevallen van myocarditis gemeld na toediening van het HIPRA vaccin. 

Het klinisch beeld van myocarditis/pericarditis na mRNA-vaccinatie lijkt milder dan wanneer myocarditis/pericarditis ontstaat ten gevolge van een infectie met SARS-CoV-2. Na een post-vaccinatie-pericarditis/myocarditis herstellen de meeste patiënten doorgaans snel en zonder restverschijnselen (Truong 2021, Shimabukuro 2022).

Het risico op myocarditis en pericarditis is veel lager bij kinderen van 5 t/m 11 jaar dan bij adolescenten (Yasuhara 2023). Bij kinderen van 6 maanden t/m 4 jaar oud is er geen verhoogd risico op myocarditis en pericarditis na COVID-19-vaccinatie waargenomen (Hause 2022b, Yasuhara 2023)

Effect op de menstruatiecyclus

Bij bijwerkingencentrum Lareb zijn meldingen ontvangen van menstruatiestoornissen na coronavaccinatie (zie de Informatiepagina menstruatiestoornissen na vaccinatie van Lareb). Vrouwen hebben aan Lareb aangegeven een heftigere menstruatie, een verlate of onregelmatige menstruatie, of tussentijds bloedverlies te ervaren. Een Amerikaans cohortonderzoek dat beschikte over data van vóór de vaccinatie, liet na vaccinatie doorgaans een verandering van minder dan 1 dag in de menstruatiecyclus zien, en geen verandering in de duur van de menstruatieperiode (Edelman 2022). In een Noors onderzoek vond men een toename van bloedverlies en menstruatiepijn. Een ander onderzoek dat de menstruatiecyclus voor en na vaccinatie monitorde, liet echter zien dat er geen belangrijke verschillen zijn in parameters als cycluslengte, hoeveelheid bloedverlies en tijd van ovulatie (Bouchard 2022). In het algemeen verschillen de cyclusveranderingen weinig van de normale, fysiologische variaties die kunnen optreden in het menstruatiepatroon, lijken ze niet gelinkt te zijn aan het moment van vaccinatie gedurende de cyclus en soort vaccin en herstellen ze vaak spontaan binnen 2 maanden (Trogstad 2022, Laganà 2022).

Overgevoeligheidsreactie bij cosmetische fillers

Na COVID-19-vaccinaties zijn sporadisch overgevoeligheidsreacties ontstaan bij mensen die een behandeling met fillers kregen of hadden ondergaan. Dit werd in januari 2022 door Lareb gemeld. De meldingen na vaccinatie met AstraZeneca, Pfizer/BioNTech en Moderna zijn onderzocht door het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten. De meldingen betroffen zowel lokale reacties bij het plaatsen van een filler ná een coronavaccinatie als ook in de omgekeerde volgorde. Overgevoeligheidsreacties werden zowel bij de eerste vaccinatie als bij de tweede en de boostervaccinatie gezien. Ook de SARS-CoV-2-infectie zelf in combinatie met een geplaatste filler kan een overgevoeligheidsreactie veroorzaken. Het interval tussen beide gebeurtenissen bleek in dit overzicht sterk wisselend te zijn; van enkele minuten tot jaren. Ook bij andere vaccinaties zoals tegen influenza en gordelroos zijn overgevoeligheidsreacties beschreven bij personen die fillers hadden of kregen. Het is niet exact bekend hoe deze reacties tot stand komen, maar in diverse publicaties wordt gesuggereerd dat het door vaccinatie geactiveerde immuunsysteem reageert op de lichaamsvreemde stof in de fillers (Bachour 2022).

10.3 Het verminderen van bijwerkingen

Welke bijwerkingen kunnen optreden staat in de bijsluiter van het betreffende vaccin. Voor het voorkomen of verminderen van ongewenste verschijnselen na vaccinatie kan paracetamol worden ingenomen volgens de aanwijzingen in de bijsluiter. De meest voorkomende bijwerkingen staan in paragraaf 10.2 of in de bijsluiter van het betreffende vaccin (hoofdstuk 6).

De huisarts of instellingsarts (bij vaccinatie door GGD of vaccinatie in een instelling) moet gewaarschuwd worden bij heftige, niet te duiden klachten of klachten die na paracetamolgebruik niet overgaan. Mogelijk is er sprake van een (andere) ziekte.

10.4 Melden van postvaccinale verschijnselen bij Lareb

In de Geneesmiddelenwet artikel 78 lid 3 is het volgende opgenomen: “Beroepsbeoefenaren melden onmiddellijk elke vermoedelijke ernstige bijwerking.”

Er is sprake van een ernstige bijwerking als die bijwerking leidt tot ziekenhuisopname, blijvende invaliditeit, een aangeboren afwijking, een levensbedreigende situatie of overlijden. Voor overlijden na vaccinatie betekent dit dat een zorgverlener zelf moet inschatten of er vermoedelijk een relatie bestaat tussen de vaccinatie en het overlijden. Dit kan direct zijn, maar ook indirect. Bijvoorbeeld als er koorts of diarree ontstond als bijwerking en dat vervolgens leidde tot ernstige verslechtering van de toestand van de patiënt. Melden is niet verplicht als er overduidelijk sprake is van een andere oorzaak dan vaccinatie. Is de relatie nog heel onduidelijk, dan kan het laagdrempelig gemeld worden. Lareb beoordeelt bij ieder gemeld overlijden zorgvuldig hoe sterk de mogelijke relatie tussen het overlijden en de vaccinatie is.

Meld een bijwerking aan Bijwerkingencentrum Lareb, onder vermelding van het chargenummer van het betreffende vaccin, bij (ook als u niet zeker bent van het causale verband):

  • ernstige gebeurtenissen (zoals ziekenhuisopnames, blijvende invaliditeit of overlijden) ongeacht het vermeende causale verband;
  • onverwachte of bijzondere bijwerkingen;
  • twijfel over vervolgvaccinaties;
  • onrust of negatieve publiciteit;
  • alles wat u verder van belang vindt.

Bijwerkingen na coronavaccinatie kunnen gemeld worden via het meldformulier op de website van Bijwerkingencentrum Lareb. Zowel zorgverleners als gevaccineerde personen kunnen een bijwerking melden.

Moeders van Morgen (www.moedersvanmorgen.nl) is onderdeel van Bijwerkingencentrum Lareb en het kenniscentrum op gebied van geneesmiddelen bij kinderwens, tijdens de zwangerschap en in de borstvoedingsperiode. Door deelname aan Moeders van Morgen wordt de ervaring met COVID-19-vaccinatie tijdens de zwangerschap systematisch gedocumenteerd.

Bijwerkingencentrum Lareb
Telefoon: 073-646 9700 (9:00-17:00 uur) (alleen voor zorgprofessionals)
E-mail: info@lareb.nl
Website: www.lareb.nl
 

11. Communicatie, verwijzing en registratie

11.1 Folders en publieksvoorlichting

Specifieke informatie over het coronabeleid is te vinden op de website Rijksoverheid.nl. Praktische informatie over de coronaprik bij de GGD is te vinden op planjeprik.nl. Publieksinformatie en medische informatie over de coronaprik is te vinden op de website van het RIVM. Er zijn diverse vertalingen van het voorlichtingsmateriaal en overige informatie beschikbaar. Informatie in het Engels staat op de Engelstalige RIVM-website. Het publiek kan voor meer informatie terecht op rivm.nl/coronaprik.

11.2 Verwijzing voor vaccinatie en geïnformeerde toestemming

De COVID-19-vaccinatie (de coronaprik) is doorlopend beschikbaar voor volwassenen en kinderen uit medische hoogrisicogroepen als dat wordt geadviseerd door een behandelend arts en voor personen die op individuele basis door een behandelend arts worden verwezen voor vaccinatie. 

De behandelend arts stelt de indicatie voor een extra vaccinatie (buiten een najaarsronde), een korter interval of hervaccinatie (primaire vaccinatieserie) en verwijst de betreffende persoon hiervoor naar de GGD.  

Geïnformeerde toestemming

Aan alle deelnemers van het vaccinatieprogramma wordt toestemming gevraagd voor het verwerken van de persoonsgegevens, waaronder doorlevering vanuit de uitvoerders aan het RIVM. Bij personen die niet wilsbekwaam zijn, moet vooraf toestemming zijn gevraagd van een wettelijk vertegenwoordiger. Dit mag mondeling doorgegeven worden, mits dit aantoonbaar is (onder andere opgenomen in het cliëntdossier) en de wettelijk vertegenwoordiger goed geïnformeerd is.

11.3 Legitimatie vooraf aan de vaccinatie

Op de GGD-locatie dient de persoon een (eventuele) verwijsbrief samen met een legitimatiebewijs te tonen. Het ontbreken van een legitimatiebewijs hoeft geen belemmering te vormen voor de vaccinatie. In dat geval moet de uitvoerende medewerker ervan overtuigd zijn wie de betreffende deelnemer is.

11.4 Registratie van vaccinaties

Registratie door de uitvoerende organisatie

Iedere zorgmedewerker legt zijn/haar medische verrichting conform de WGBO vast in het eigen medische dossier van de cliënt, in principe op de dag van vaccinatie. De vaccinatie in een vaccinatieronde in het najaar wordt geregistreerd met een kenmerk dat de vaccinatie onderscheidt van eerdere vaccinaties.

  • De GGD registreert in een eigen systeem.
  • Medisch specialisten, specialisten ouderengeneeskunde en artsen verstandelijk gehandicapten gebruiken hun eigen medisch dossier (EPD’s/EVS’n/ECD’s).

Centraal vaccinatieregister

Voor onder meer de infectieziektebestrijding, evaluatie van het programma, onverwachte bijwerkingen of een recall is het belangrijk dat alle vaccinaties geregistreerd worden in CIMS. RIVM-SPO heeft de taak gegevens over de toegediende vaccinaties vast te leggen in CIMS. Inwoners van Nederland staan bij de gemeente geregistreerd in de Basis Registratie Personen (BRP). Deze gegevens staan ook in CIMS. Asielzoekers zonder (burgerservicenummer) worden geregistreerd met hun V-nummer of (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers)-zorgnummer.

De uitvoerende GGD organisatie geeft de vaccinatiegegevens, samen met een aantal persoonsgegevens die nodig zijn om de vaccinatie aan de juiste persoon in CIMS te koppelen, door aan het RIVM. Via een beveiligde data(base)koppeling worden de vaccinaties doorgegeven aan het RIVM om in CIMS te verwerken. Indien er geen beveiligde data(base)koppeling is tussen de uitvoerder (zorginstellingen/ziekenhuizen) en het RIVM, heeft aanlevering via BRBA de voorkeur. Daarnaast is aanlevering door middel van CSV-bestanden middels Zorgmail mogelijk of via een Secure File Transfer Protocol-connectie (SFTP-connectie). Vaccinaties van mensen zonder BSN kunnen via CSV-bestanden worden doorgegeven.

11.5 Vaccinatieoverzicht

De vaccinatiegegevens zijn te vinden op mijn.rivm.nl, wanneer er toestemming is gegeven voor het delen/doorleveren van de gegevens met/aan het RIVM. Hier staat de relevante informatie over vaccinatiedatum, productnaam en batchnummer van het vaccin. Voor de leeftijdsgroep 6 maanden t/m 17 jaar en voor uitzonderingsgevallen, bijvoorbeeld mensen zonder DigiD, kan op verzoek een papieren registratie van de vaccinatiegegevens worden meegegeven door de uitvoerende instantie. De deelnemer kan ook zelf het eigen gele vaccinatieboekje meenemen. De GGD plaatst op verzoek een aanvullende aantekening in de vorm van een stempel of handtekening als registratie in het gele boekje (zie nieuwsbericht GGD GHOR). Er zijn op dit moment geen internationale afspraken over het gele boekje. Wel kan het voor eigen administratie handig zijn de vaccinatiegegevens bij elkaar te bewaren. Het ministerie van VWS heeft besloten de uitgifte van internationale digitale bewijzen via de CoronaCheck-app per 1 juli 2023 te beëindigen. Op de pagina van Rijksoverheid staat meer informatie.

12. Literatuur

  • Antonelli M et al. 2022.Risk of long COVID associated with delta versus omicron variants ofSARS-CoV-2. Lancet399 (1043): 2263-2264.doi 10.1016/S0140-6736(22)00941-2
  • Atmar RL et al 2021. HeterologousSARS-CoV-2booster vaccinations – preliminary report. MedRxiv2021Oct 15. Preprint.doi 10.1101/2021.10.10.21264827
  • Australian Government. Guidance on Myocarditis and Pericarditis after COVID-19 vaccins.2024. Beschikbaar via: https://www.health.gov.au/sites/default/files/2024-01/covid-19-vaccination-guidance-on-myocarditis-and-pericarditis-after-covid-19-vaccines.pdf
  • Bachour Y et al. 2022. Late inflammatory reactions in patients with soft tissue fillers afterSARS-CoV-2infection and vaccination: a systematic review of the literature. J Cosmet Dermatol21 (4): 1361-1368.doi 10.1111/jocd.14840
  • Bentov Y et al. 2021. Ovarian follicular function is not altered bySARS-CoV-2infection or BNT162b2 mRNA COVID-19 vaccination. Hum Reprod36 (9): 2506-2513.doi 10.1093/humrep/deab182
  • Bertrand K et al. 2021. Maternal and child outcomes reported by breastfeeding women following messengerRNACOVID-19 vaccination. Breastfeed Med.16 (9): 697-701.doi 10.1089/bfm.2021.0169
  • Birol Ilter P et al. 2022.Maternal and perinatal outcomes ofSARS-CoV-2infection in unvaccinated pregnancies during Delta and Omicron waves. Ultrasound in obstetrics & gynecology. 2022 July.doi 10.1002/uog.24916
  • Blumenthal KG et al. 2021. Delayed large local reactions to mRNA-1273 vaccine againstSARS-CoV-2. N Engl J Med2021; Mar 3.doi /10.1056/NEJMc2102131
  • BMJ 2021. Vaccinating against covid and flu at the same time is safe, study shows. BMJ2021; 375: n2411.doi 10.1136/bmj.n2411
  • Bouchard T P et al. 2022.Menstrual Cycle Parameters Are Not Significantly Different After COVID-19 Vaccination. Journal of women’s health. 2022 August 17.doi 10.1089/jwh.2022.0097
  • de Bruijn S et al. 2023.Lower prevalence of Post-Covid-19 condition following OmicronSARS-CoV-2infection. MedRxiv.2023 April 5. Preprint
  • Buchan SA et al. 2022. Epidemiology of myocarditis and pericarditis following mRNA Vaccines in Ontario,Canada. JAMA. 2022 June 24.doi 10.1001/jamanetworkopen.2022.18505
  • Burgmeijer R & Hoppenbrouwers K 2011. Handboek vaccinaties theorie en uitvoeringspraktijk. 2e ed. Assen: Koninklijke van Gorcum
  • CDC2023. Clinical considerations: myocarditis and pericarditis after receipt of COVID-19 vaccines among adolescents and young adults. Reviewed March 2023.https://www.cdc.gov/vaccines/covid-19/clinical-considerations/myocarditis.html
  • Ceban F et al. 2023. COVID-19 vaccination for the prevention and treatment of long COVID: a systematic review and meta-analysis. Brain Behav Immun2023 Jul; 111: 211-229.doi: 10.1016/j.bbi.2023.03.022. Epub 2023 Mar 27
  • Chapin-Bardales J et al. 2021.Reactogenicity following receipt of mRNA-based COVID-19 vaccines. JAMA2021 April 5.doi 10.1001/jama.2021.5374
  • Chen C et al. 2022. Booster dose of COVID-19 mRNA vaccine does not increase risks of myocarditis and pericarditis compared with primary vaccination: new insights from the vaccine adverse event reporting system. Front Immunol2022 Sep 12; 13: 938322. doi: 10.3389/fimmu.2022.938322.
  • Covelli I et al. 2023. Short-term breastfeeding and breastmilk supply changes associated with presence of systemic symptoms following COVID-19 vaccination among lactating individuals. Am J Obstet Gynecol228 (2): S776–7.doi 10.1016/j.ajog.2022.11.122
  • DeSilva M. et al. 2022. Evaluation of Acute Adverse Events after Covid-19 Vaccination during Pregnancy. The New England journal of medicine. 2022 July 14.doi 10.1056/NEJMc2205276
  • Devon E et al. 2021. Cutaneous reactions reported after Moderna and Pfizer COVID-19 vaccination: A registry-based study of 414 cases. J Am Acad Dermatol2021 Apr 7; 85 (1): 46-55.doi 10.1016/j.jaad.2021.03.092
  • Duffy J et al. Safety Monitoring of JYNNEOS Vaccine During the 2022 Mpox Outbreak - United States, May 22-October 21, 2022. Morb Mortal Wkly Rep 2022; 71: 1555–1559. doi 10.15585/mmwr.mm7149a4
  • Dulfer 2023.Timing and sequence of vaccination against COVID-19 and influenza (TACTIC): a single-blind, placebo-controlled randomized clinical trial - The Lancet Regional Health – Europe
  • Edelman A et al. 2022. Association between menstrual cycle length and coronavirus disease 2019 (COVID-19). Obstetrics & Gynecology.2022 April.doi 10.1097/AOG.0000000000004695
  • Fatima M et al. 2022. Development of myocarditis and pericarditis after COVID-19 vaccination in adult population: a systematic review. Ann Med Surg (Lond) 2022 Apr; 76: 103486. Published online 2022 Mar 11. doi 10.1016/j.amsu.2022.103486.
  • Feikin DR et al. 2022. Duration of effectiveness of vaccines againstSARS-CoV-2infection and COVID-19 disease: results of a systematic review and meta-regression. Lancet399 (10328): 924-944.doi 10.1016/S0140-6736(22)00152-0
  • Friedensohn L et al. 2021. Sub-cutaneous Pfizer/BioNTech COVID-19 vaccine administration results in seroconversion among young adults. Vaccine39 (42): 6210-6212.doi 10.1016/j.vaccine.2021.07.096
  • Goldshtein I et al. 2022. Association of BNT162b2 COVID-19 Vaccination During Pregnancy With Neonatal and Early Infant Outcomes. JAMA pediatrics. 2022 Feb 10.doi 10.1001/jamapediatrics.2022.0001
  • Gonen T et al. 2023:Immunogenicity and Reactogenicity of Coadministration of COVID-19 and Influenza Vaccines | Infectious Diseases |JAMA Network Open| JAMA Network
  • de Gier B, Smagge B, van Roon A, Veldhuijzen I, de Boer P, Knol M, et al. COVID-19 hospitalizations in the Netherlands, 2023-2024: disease burden and vaccine effectiveness. https://doi.org/10.64898/2026.02.12.26346177 
  • GOV.UK 2023.Myocarditis and pericarditis after COVID-19 vaccination: clinical management guidance for healthcare professionals. Updated January 2023
  • de Groot R et al. 2014. Handhygiëne in de jeugdgezondheidszorg, ook bij het vaccineren? Infectieziekten Bulletin25 (3).
  • Hameed I et al. 2023. Is it safe and effective to administer COVID-19 vaccines during pregnancy? A systematic review and meta-analysis. Am J Infect Control51 (5): 582-593.doi 10.1016/j.ajic.2022.08.014
  • Hause AM et al. 2022a. Reactogenicity of Simultaneous COVID-19 mRNA Booster and Influenza Vaccination in the US. JAMA network open. 2022 Jul 1.doi 10.1001/jamanetworkopen.2022.22241
  • Hause AM et al. 2022b. COVID-19 mRNA vaccine safety among children aged 6 months–5 years — United States, June 18, 2022–August 21, 2022. MMWRMorb Mortal Wkly RepSeptember 2, 2022; 71 (35): 1115–1120.http://dx.doi.org/10.15585/mmwr.mm7135a3
  • Hernández-Aceituno A et al. 2023.COVID-19 long-term sequelae: Omicron versus Alpha en Delta variants. Infectious Diseases Now2023 August.doi 10.1016/j.idnow.2023.104688
  • Huiberts AJ 2023.Effectiveness of bivalent mRNA booster vaccination againstSARS-CoV-2Omicron infection, the Netherlands, September to December 2022. Eurosurveillance. 2023 Feb 16.doi 10.2807/1560-7917.ES.2023.28.7.2300087
  • Huiberts AJ, Eggink D, de Gier B, Karens T, de Melker HE, Hahné SJM, Grobbee DE, van de Wijgert JHHM, van den Hof S, Knol MJ. Effectiveness of Omicron JN.1 vaccination against infection with JN.1-derived SARS-CoV-2 subvariants in a prospective cohort study in the Netherlands. Vaccine. 2026 Sep 17;90:129030. doi 10.1016/j.vaccine.2026.129030 
  • Iba T & Levy JH.Thrombosis and thrombocytopenia in COVID-19 and after COVID-19 vaccination. Trends in Cardiovascular Medicine32 (5): 249-256.doi 10.1016/j.tcm.2022.02.008
  • Izikson R et al. 2022. Safety and immunogenicity of a high-dose quadrivalent influenza vaccine administered concomitantly with a third dose of the mRNA-1273SARS-CoV-2vaccine in adults aged ≥65years: a phase2, randomised, open-label study. The Lancet. Respiratory medicine.2022 Feb 1.doi 10.1016/S2213-2600(21)00557-9
  • Karlstad O et al. 2022. Sars-Cov-2 vaccination and Myocarditis in a Nordic Cohort Study of 23 Million Residents. 2022 April 20.doi 10.1001/jamacardio.2022.0583
  • van der Kraats et al. 2022. Ernstige schouderproblematiek na covid-19-vaccinatie. Nederlandse Tijdschrift voor Geneeskunde. 2022 May 12. Ernstige schouderproblematiek na covid-19-vaccinatie | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (ntvg.nl)
  • Laganà A et al. 2022 Evaluation of menstrual irregularities after COVID-19 vaccination: Results of the MECOVAC survey. Open Medicine. 2022 March 9.doi 10.1515/med-2022-0452
  • Lareb 2022. Meer onderzoek menstruatiestoornissen na coronavaccinatie. Nieuwsbericht Bijwerkingencentrum Lareb 23-05-2022.https://www.lareb.nl/news/meer-onderzoek-menstruatiestoornissen-na-coronavaccinatie
  • Lazarus R et al. 2021. The safety and immunogencity of concomitant administration of COVID-19 vaccines (ChAdOx1 or BNT162b2) with seasonal influenze vaccines in adults: a phase IV, multicenter randomized controlled trial with blinding (ComFluCOV). Lancet398 (10318): 2277-2287.doi 10.1016/S0140-6736(21)02329-1
  • Lipkind HS et al. 2022. Receipt of COVID-19 vaccine during pregnancy and preterm or small-for-gestational-age at birth: eight integrated health care organizations, United States, December 15, 2020–July 22, 2021. MMWRMorb Mortal Wkly Rep2022 Jan 4. ePub.http://dx.doi.org/10.15585/mmwr.mm7101e1
  • Liu Y, Khatchadourian C, Sanders L, Eweroke Q, Warner-McCutcheon C, Lewis J, Santos J, Venketaraman V. Systematic Review: The Impact of COVID-19 Vaccination on Myocarditis Risk and Recovery. Clinics and Practice. 2026; 16(4):77. https://doi.org/10.3390/clinpract16040077 
  • Low JL et al. 2021a.CodominantIgGandIgAexpression with minimal vaccine mRNA in milk of BNT162b2 vaccinees. NPJ Vaccines2021 Aug 19; 6(1): 105.doi 10.1038/s41541-021-00370-z.
  • Low JM et al. 2021b.Breastfeeding mother and child clinical outcomes after COVID-19 vaccination. Journal of human lactation2021 October 19.doi 10.1177/08903344211056522
  • MagnusMCet al. 2022. Association ofSARS-CoV-2vaccination during pregnancy with pregnancy outcomes. JAMA327 (15): 1469-1477.doi 10.1001/jama.2022.3271
  • McLaurin-Jiang S et al. 2021.Maternal and Child Symptoms Following COVID-19 Vaccination Among Breastfeeding Mothers. Breastfeeding medicine. 2021 Sep 16.doi 10.1089/bfm.2021.0079
  • Menni et al. 2022.COVID-19 vaccine waning and effectiveness and side-effects of boosters: a prospective community study from the ZOE COVID Study. Lancet 2022 July.doi 10.1016/S1473-3099(22)00146-3
  • Munro A et al. 2021. Safety and immunogenicity of seven COVID-19 vaccines as a third dose (booster) following two doses of ChAdOx1 nCov-19 or BNT162b2 in the UK (COV-BOOST): a blinded, multicentre, randomised, controlled, phase 2 trial. Lancet2021 Dec 2.doi 10.1016/S0140-6736(21)02717-3
  • Oster ME at al. 2022. Myocarditis cases reported after mRNA-based COVID-19 vaccination in the US from December 2020 to Augist 2021. JAMA2022; 327 (4): 331-340.doi 10.1001/jama.2021.24110.
  • Patone M et al. 2022. Risks of myocarditis, pericarditis, and cardiac arrhythmias associated with COVID-19 vaccination or SARS-CoV-2-infection. Nat Med. 2021 December 14.doi 10.1038/s41591-021-01630-0
  • Perl S et al. 2021. SARSsCoV-2-specific antibodies in breast milk after COVID-19 vaccination of breastfeeding women. JAMA2021 Apr; 325 (19): 2013-2014.doi 10.1001/jama.2021.5782
  • Prasad M et al. 2021. No crossreactivity of anti-SARS-CoV-2 spike protein antibodies with Syncytin-1. Cellular & molecular immunology2021 October 13.doi 10.1038/s41423-021-00773-x
  • Prasad S et al. 2022. Systematic review and meta-analysis of the effectiveness and perinatal outcomes of COVID-19 vaccination in pregnancy. Nat Commun13 (1): 2414.doi 10.1038/s41467-022-30052-w.
  • Ruderman RS et al. 2022. Association of COVID-19 Vaccination During Early Pregnancy With Risk of Congenital Fetal Anomalies. JAMA pediatrics. 2022 April 4.doi 10.1001/jamapediatrics.2022.0164
  • Sadarangani M et al.2022. Safety of COVID-19 vaccines in pregnancy: a Canadian National Vaccine Safety (CANVAS) network cohort study. The Lancet Infectious Diseases.2022 August 11.doi 10.1016/S1473-3099(22)00426-1
  • Saint-Gerons DM et al. 2023.Myopericarditis associated with the Novavax COVID-19 vaccine (NVX-CoV2373): a retrospective analysis of individual case safety reports from VigiBase. Drugs – Real World Outcomes.2023 Feb 14.doi 10.1007/s40801-023-00355-5
  • Sangli Set al. 2021. Thrombosis With Thrombocytopenia After the MessengerRNA–1273 Vaccine.Annals of internal medicine. 2021 June 29.doi 10.7326/L21-0244
  • See I et al. 2022.Case series of thrombosis with thrombocytopenia syndrome after COVID-19 vaccination-United States, December 2020 to August 2021. Ann Intern Med175 (4): 513-522. https://doi.org/10.7326/M21-4502.
  • Shimabukuro TT et al. 2022.Update on Myocarditis following mRNA Covid 19 vaccination.June 2022.https://www.fda.gov/media/159007/download
  • Singer ME et al. 2022. Risk of myocarditis from COVID-19 infection in people under age 20: a population-based analysis. MedRxiv2022 Mar 21.Preprint.doi 10.1101/2021.07.23.21260998
  • Stowe, J., Miller, E., Andrews, N., & Whitaker, H. J. (2023). Risk of myocarditis and pericarditis after a COVID-19 mRNA vaccine booster and after COVID-19 in those with and without prior SARS-CoV-2 infection: A self-controlled case series analysis in England. PLoS medicine, 20(6), e1004245. doi 10.1371/journal.pmed.1004245.
  • Straus et al. 2022. Analysis of Myocarditis Among 252 Million mRNA-1273 Recipients Worldwide.Clinical Infectious Diseases. 2022 June 6.doi 10.1093/cid/ciac446
  • Toback S et al. 2022. Safety, immunogenicity, and efficacy of a COVID-19 vaccine (NVX-CoV2373) co-administered with seasonal influenza vaccines: an exploratory substudy of a randomised, observer-blinded, placebo-controlled, phase 3 trial. Lancet Respiratory medicine.2021 Nov 17.doi 10.1016/S2213-2600(21)00409-4.
  • Trogstad L. 2022. Increased occurrence of menstrual disturbances in 18-to 30-year-old women after COVID-19 vaccination. SSRN. 2022 Jan 14.http://dx.doi.org/10.2139/ssrn.3998180
  • Truong DT et al. 2021. Clinically suspected myocarditis temporally related to COVID-19 vaccination in adolescents and young adults. Circulation2021 Dec 6. Online ahead of print.doi 10.1161/CIRCULATIONAHA.121.056583
  • Villar J et al. 2023. Pregnancy outcomes and vaccine effectiveness during the period of omicron as the variant of concern, INTERCOVID-2022: a multinational, observational study. LancetJan 2023.doi 10.1016/S0140-6736(22)02467-9
  • Watanabe A et al. 2022.Peripartum outcomes associated with COVID-19 vaccination duringpregnancy: a systematic review and meta-analysis. JAMA Pediatr176 (11): 1098–1106.doi 10.1001/jamapediatrics.2022.3456
  • Watanabe A et al. 2023 Protective effect of COVID-19 vaccination against long COVID syndrome: a systematic review and meta-analysis. Vaccine2023 March 10; 41 (11): 1783-1790.doi 10.1016/j.vaccine.2023.02.008
  • Welsh KJ et al. 2021.Thrombocytopenia including immune thrombocytopenia after receipt of mRNA COVID-19 vaccines reported to the Vaccine Adverse Event Reporting System (VAERS). Vaccine39 (25): 3329-3332.doi 10.1016/j.vaccine.2021.04.054
  • WHO2022a.Weekly epidemiological update on COVID-19. Edition 105. 2022 August 17.https://www.who.int/publications/m/item/weekly-epidemiological-update-on-covid-19---17-august-2022
  • WHO2022b. Interim recommendations for use of the Pfizer–BioNTech COVID-19 vaccine, BNT162b2, under Emergency Use Listing. 2022 August 18.https://www.who.int/publications/i/item/WHO-2019-nCoV-vaccines-SAGE_recommendation-BNT162b2-2021.1
  • WHO2022c. Interim recommendations for use of the Moderna mRNA-1273 vaccine against COVID-19.2022 August 18.https://www.who.int/publications/i/item/WHO-2019-nCoV-vaccines-SAGE-recommendation-mRNA-1273-2021.3
  • Yasuhara et al. 2023. Myopericarditis After COVID-19 mRNA Vaccination Among Adolescents and Young Adults: A Systematic Review and Meta-analysis. JAMA Pediatrics 177 (1): 42-52. doi 10.1001/jamapediatrics.2022.4768
  • Yechezkel M et al. 2023.Safety of the fourth COVID-19 BNT162b2 mRNA (second booster) vaccine: a prospective and retrospective cohort study. Lancet11 (2): 139-150.doi 10.1016/S2213-2600(22)00407-6

Richtlijnen, standaarden en e-learning

Websites

Bijlagen

Bijlage 1. Taakverdeling bij het vaccineren

Binnen de uitvoerende organisatie is een arts verantwoordelijk voor de uitvoering van de COVID-19-vaccinaties. De arts kan het toedienen van de vaccinaties delegeren aan de verpleegkundige. De opdrachtverlening en bevoegdheid moeten geregeld zijn in de eigen uitvoerende organisatie. Zie voor meer informatie over welke zorgverleners (zelfstandig) bevoegd zijn om te vaccineren het nieuwsbericht op de BIG-website en voor een overzicht van alle voorbehouden handelingen en welke beroepsgroep deze uit mag voeren de webpagina van de Rijksoverheid.

De verpleegkundige heeft een functionele zelfstandigheid en mag de voorbehouden handeling ‘injecteren’ zelfstandig uitvoeren, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan:

  • De verpleegkundige houdt zich strikt aan de landelijke uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie.
  • De verpleegkundige vaccineert volgens het COVID-19-vaccinatieschema van het betreffende vaccin, daarbij de kaders hanterend.
  • Voor iedere vaccinatie wordt d.m.v. een aantal vragen (vragenlijst over de gezondheid) nagegaan of de vaccinatie kan worden toegediend.
  • De arts moet door de verpleegkundige worden geraadpleegd in bijzondere situaties en bij vragen waarover de uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie geen eenduidige oplossing biedt.
  • De verpleegkundige is deskundig en bekwaam (art. 35 Wet BIG) en in het BIG-register ingeschreven.
  • Autorisatie door de arts voor de uitvoering van COVID-19-vaccinatie door de verpleegkundige is goed geborgd binnen de organisatie.

De vragenlijst over de gezondheid bevat in ieder geval de volgende onderwerpen:

  • absolute contra-indicaties:
    allergie voor een van de bestanddelen van het vaccin of zeer ernstige allergische reactie na een eerdere toediening van hetzelfde vaccin;
  • tijdelijke of relatieve contra-indicaties:
    koorts >38°C, geplande operatie onder narcose op korte termijn;
  • indicatie voor extra voorzorgsmaatregelen:
    verhoogde bloedingsneiging of gebruik antistolling, prikangst of neiging tot flauwvallen, vragen van persoon zelf of diens verzorger/begeleider. Een anafylactische reactie na een ander vaccin, medicijn of voedingsmiddel is geen contra-indicatie voor een COVID-19-vaccinatie, maar wel een reden om als voorzorgsmaatregel een wat langere observatieperiode van 30 minuten na de vaccinatie in acht te nemen (bron: CDC MMWR report).

De verpleegkundige overlegt met de arts bij alle situaties waarin zich nieuwe (medische) vragen of zorgen voordoen die mogelijk van invloed zijn op het vaccineren. Dit is bijvoorbeeld bij heftige bijwerkingen na de vorige vaccinatie, nieuwe aandoeningen of nieuwe vragen die de verpleegkundige niet zelf kan beantwoorden.

Als de verpleegkundige een arts heeft geraadpleegd, wordt de naam van deze arts zo nodig vastgelegd in het patiëntdossier met het advies dat gegeven is.

Doktersassistenten en andere professionals met een mbo-opleiding (met uitzondering van verpleegkundigen) of eenjarige hbo-opleiding zoals praktijkondersteuners bedrijfsarts (POB) hebben volgens de Wet BIG geen functionele zelfstandigheid voor het uitvoeren van voorbehouden handelingen, zoals het toedienen van injecties. Zij mogen, indien zij daartoe bekwaam zijn, wel vaccinaties uitvoeren in opdracht en aanwezigheid van een arts. De uitvoerende organisatie zal instaan voor de aanwezigheid van een arts indien door niet zelfstandig bevoegden gevaccineerd wordt.

De uitvoerende organisatie is eindverantwoordelijk voor het inrichten van het vaccinatieproces binnen de eigen organisatie en voor het laatste stuk in de keten van het vaccinbeheer (zie hoofdstuk 8). Iedere uitvoerende organisatie beschikt over een vaccinverantwoordelijke. De praktische uitwerking van deze richtlijn is aan de uitvoerende partijen zelf, kan per beroepsgroep enigszins verschillen en valt buiten deze richtlijn.

Het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) ondersteunt zo nodig bij vragen over de vaccinatie. Het toedienen van COVID-19-vaccinaties buiten de kaders van de uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie is alleen toegestaan na overleg met het RIVM.

De (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding) is voor zorgprofessionals met medisch inhoudelijke vragen bereikbaar via telefoonnummer 088-689 7000 of via LCI@rivm.nl.

Met vragen over vaccins en vaccinincidenten en vaccinbeheer kunnen professionals terecht bij RIVM-SPO via telefoonnummer 088-689 8900 of via support.lcc@rivm.nl.

 

Bijlage 2. Beschikbare spuiten en naalden

Onderstaande producten worden door het RIVM geleverd.

Niet alle spuiten en naalden kunnen met elkaar gecombineerd worden of zijn geschikt voor elk vaccin. De bevoorrading houdt hier in principe rekening mee. In de instructies voor het klaarmaken van het vaccin staat vermeld welke naalden en spuiten gebruikt moeten worden.

Optreknaalden

Foto van optreknaald met rode/roze kleur

92570 - SOL-M blunt fill needle 18G x 1 ½” (110022)

93314 – Klinion blunt fill needle 18G x 1 1/2''

Toedieningsspuiten

Foto van toedieningsspuit SOL-M ULDS 1 ml

92744 - Sol-M syringe 1 ml (P180001PP)

93316 – Klinion luer lock syringe 1ml C0880380

Toedieningsnaalden

Foto van toedieningsnaald BD Eclipse 23G

92567 - BD Eclipse needle 23G x 1” (305892)

93318 – Klinion safety needle 25G x 1” C0880391

 

Bijlage 3. Voorbeeld van een protocol voor ernstige acute bijwerkingen na vaccinatie

(Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering)-protocol Bijwerkingen, syncope en anafylactische reacties na vaccinatie en venapunctie (LCR februari 2021)

1. Inleiding

Naast gewenste effecten kunnen na vaccinatie ook ongewenste verschijnselen optreden. Een deel kan toegeschreven worden aan het toegediende vaccin, dit worden bijwerkingen genoemd. Een ander deel treedt toevallig tegelijkertijd op en dit worden coïncidentele verschijnselen genoemd.1 Van een bijwerking is pas sprake als na evaluatie van de klachten en symptomen een causaal verband met het toegediende vaccin niet uitgesloten kan worden. Niet-ernstige ongewenste verschijnselen na vaccinatie of venapunctie komen relatief vaak voor. Ernstige ongewenste verschijnselen zijn relatief zeldzaam. Ongewenste verschijnselen na vaccinatie of venapunctie zijn arbitrair in drie groepen te verdelen.

1.1 Niet-ernstige ongewenste verschijnselen na vaccinaties

De volgende niet-ernstige ongewenste verschijnselen na vaccinaties komen relatief vaak voor1,2

  • lokale bijwerkingen: pijn, roodheid en zwelling rondom de injectieplaats.
  • andere bijwerkingen: koorts gedurende 24 tot 48 uur na injectie en bij levend verzwakte vaccins 5 tot 12 dagen na injectie, hoofdpijn, moeheid en flauwvallen/syncope (zie paragraaf 3 van deze bijlage).
1.2 Ernstige ongewenste verschijnselen na vaccinaties

De volgende ernstige ongewenste verschijnselen na vaccinaties komen zelden voor1

  • lokale bijwerking: abces (zelden).
  • systemische bijwerking: anafylaxie (zeer zelden; zie paragraaf 4 van deze bijlage).
  • overige ernstige ongewenste verschijnselen: zie protocol en SPC-tekst van gebruikt vaccin.
1.3 Niet-ernstige ongewenste verschijnselen na venapunctie

De volgende niet-ernstige ongewenste verschijnselen van venapunctie komen relatief vaak voor

  • lokale bijwerkingen: hematoom rondom de insteekopening van de naald, roodheid rondom de insteekopening van de naald.
  • systemische bijwerkingen: flauwvallen/syncope (zie paragraaf 3 van deze bijlage).

2. Onwel na vaccinatie: hoe te handelen?

2.1 Hoe te handelen bij ongewenste verschijnselen na vaccinatie

Wat ter plekke de beste handelswijze is in geval van ernstige ongewenste verschijnselen na vaccinatie hangt onder andere af van de setting waarin gevaccineerd wordt, wie (arts of verpleegkundige) verantwoordelijk is voor het afhandelen van de ongewenste verschijnselen en van de protocollen van de plaatselijke ambulancedienst of het ziekenhuis waarin eventuele vervolgopvang plaatsvindt. Men dient in overleg met betrokken partijen een eigen protocol op te stellen. Deze protocollen en alle overige noodprocedures moeten door alle partijen doorgenomen worden en jaarlijks geoefend worden. De werkgever is hiervoor verantwoordelijk.

2.2 Verantwoordelijkheid en bevoegdheid

De beoordeling van de ernst van een ongewenst verschijnsel of calamiteit is voorbehouden aan een arts, maar kan onder bepaalde voorwaarden aan een verpleegkundige worden overgelaten. Zie https://mijn.lcr.nl/protocollen (besloten website).

Omdat het risico van anafylaxie uitermate klein is, is het onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar de komst van een ambulance af te wachten. Het stellen van een diagnose en het inzetten van een behandeling is voorbehouden aan een (bekwaam) arts en mag nooit door verpleegkundigen overgenomen worden omdat deze hier niet toe bevoegd zijn. Verpleegkundigen zijn wel bevoegd om BLS te starten.

2.3 Triage

In die gevallen waar een verpleegkundige verantwoordelijk is voor het afhandelen van ongewenste verschijnselen na vaccinatie op het vaccinatiebureau, moet voorafgaand aan het spreekuur of consult triage plaatsvinden, zodat reizigers met een verhoogd risico in aanwezigheid van een arts gevaccineerd kunnen worden.

De volgende groepen mogen alleen gevaccineerd worden op een spreekuur waar een arts aanwezig is die bekwaam is in de beoordeling van en eerste behandeling bij calamiteiten:

  • Personen met een verhoogd risico op ongewenste verschijnselen na vaccinatie (zie specifieke vaccinatieprotocollen).
  • Personen bij wie een anafylactische reactie ernstiger kan verlopen, bijv. personen die bètablokkers gebruiken of personen die lijden aan astma bronchiale. Er is weinig klinisch bewijs voor een ernstiger beloop maar bètablokkers kunnen mogelijk het effect van adrenaline antagoneren.3-5
2.4 Aandachtspunten bij het handelen

In geval van afwezige of falende ademhaling en/of circulatie moet met spoed de ambulance ingeschakeld worden en moet gestart worden met reanimatie.

Bij het inschakelen van de ambulance moet systematisch informatie gegeven worden over de toestand van de vitale functies (ABCDE, zie toelichting), relevante medische voorgeschiedenis, relatie met vaccinatie en de waarschijnlijkheidsdiagnose.

Voor een adequate handelswijze bij reanimatie wordt verwezen naar het lokale protocol dan wel de protocollen van de plaatselijke ambulancedienst of het ziekenhuis waarin eventuele vervolgopvang plaatsvindt. Tevens is informatie te vinden in de Richtlijnen reanimatie van de Nederlandse Reanimatie Raad.6

3. Syncope (flauwvallen)

3.1 Flauwvallen (vasovagale collaps)

Collaberen tijdens of vlak na vaccinatie of venapunctie zal meestal een vasovagale reactie zijn. Een vasovagale collaps kan voor de betrokkene zelf onverwacht optreden. Het herstel kan soms lang (≥1 uur) duren.

3.2 Symptomen flauwvallen
  • bleke en klamme huid
  • koude extremiteiten
  • langzame pols (<80/min)
  • hypotensie
  • duizeligheid
  • slapte
  • hypotonie
  • gapen
  • wegdraaiende ogen
  • zwarte vlekken voor de ogen
  • misselijkheid en braakneigingen
  • spiertrekkingen
  • incontinentie
  • bewustzijnsdaling
3.3 Maatregelen bij flauwvallen
  • Leg de zittende patiënt plat neer.
  • Laat de patiënt niet te snel opstaan omdat dan opnieuw collaps kan optreden, waarbij de patiënt zich kan bezeren.
  • Controleer vitale functies, bewustzijn en kenmerken van matige/ernstige reactie en handel naar gelang bevindingen.
  • Overweeg de patiënt naar de Spoed Eisende Hulp te verwijzen indien bij collaps hoofdletsel is ontstaan, met name indien sprake is van gebruik van antistollingsmedicatie.

4. Anafylactische reactie na vaccinatie

4.1 Anafylactische reactie

Bij een anafylactische reactie na vaccinatie wordt de patiënt veelal angstig en soms geagiteerd. In ernstige gevallen zijn er tekenen van shock.7

4.2 Symptomen van anafylaxie7

Symptomen van anafylaxie kunnen zijn:

  • stridor
  • bronchospasme
  • shock (rode, klamme en warme huid, met name aan de extremiteiten, rillerig, snelle en weke pols, lage tensie)
  • angio-oedeem
  • zwelling neusslijmvlies
  • jeukend of tintelend gevoel in de mond, met name verhemelte en tong; later hele lichaam
  • urticaria
  • jeuk/erytheem
  • mictie- en/of defaecatiedrang
  • misselijkheid/buikpijn/braken
4.3 Maatregelen bij ernstige bijwerkingen
  • Patiënt neerleggen
  • Vitale functies controleren volgens ABCDE-schema, zie toelichting. Handelen naar eigen bevinden en bevoegdheid
  • Ambulance (tel: 112) of reanimatieteam laten bellen en informeren over vitale functies, relevante medische voorgeschiedenis en waarschijnlijkheidsdiagnose
  • Regelmatig pols en tensie meten, houd de gegevens bij op een lijst
  • Bij systemische reacties zo nodig medicatie toedienen (alleen door een bekwaam arts)7-10
4.4 Handelen bij anafylaxie

De beoordeling en beslissing om medicijnen toe te dienen mag alleen door een arts genomen worden.7-10 Er dient een duidelijk lokaal calamiteitenprotocol opgesteld te zijn, gebaseerd op de aard en setting van de vaccinatielocatie. Een suggestie voor een protocol vindt u in de referenties.8 De inhoud van dit protocol dient bekend te zijn bij de medewerkers van het vaccinatiebureau. De werkgever is hiervoor verantwoordelijk.

5. Bijwerkingen melden

5.1 Opsporen en melden bijwerkingen

Tijdens elke intake moet nadrukkelijk naar eerder opgetreden bijwerkingen geïnformeerd worden. Deze vraag is opgenomen in het intakeformulier. Zie LCR-protocol ‘Inhoud reizigersconsult’.

Bijwerkingen moeten gemeld worden bij Bijwerkingencentrum Lareb: www.lareb.nl.

5.2 Overleg en advies over bijwerkingen

Voor overleg en advies over bijwerkingen van vaccinaties en geneesmiddelen kan contact worden opgenomen met de helpdesk van Bijwerkingencentrum Lareb. De helpdesk is op werkdagen bereikbaar van 9.00 tot 17.00 uur (tel: 073-646 9700). Ook is het centrum te bereiken per e-mail: info@lareb.nl.

Toelichting ABCDE-schema

Tabel: Toelichting ABCDE-schema
AAirwayvrij of niet? Indien niet: hoofd- kantel-kinliftmethode
BBreathingstridor, diepte van de ademhaling, gebruik van hulpademhalingsspieren
CCirculationhuidskleur, tensie, pols- frequentie (regelmatig, vulling)
DDisabilityalert, reageert op aanspreken of pijn, reageert niet
EExposurehuidreacties, slijmvliesreacties

Referenties bijlage 3

  1. Burgmeijer R, Hoppenbrouwers K. Handboek vaccinaties theorie en uitvoeringspraktijk deel A. 2e ed. Assen: Koninklijke van Gorcum, 2011. Hoofdstuk 7; p155.
  2. Rümke HC. Postvaccinatie verschijnselen: prikplaatsreacties en reactogeniciteit. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2016:48(6):50-56.
  3. Jacobs RL, Rake GW, Fournier DC et al. Potentiated anaphylaxis in patients with drug-induced beta-adrenergic blockade. J Allergy Clin Immunol 1981; 68: 125-7.
  4. Tejedor-Alonso MA, Farias-Aquino E, Pérez-Fernández E et al. Relationship Between Anaphylaxis and Use of Beta-Blockers and Angiotensin-Converting Enzyme Inhibitors: A Systematic Review and Meta-Analysis of Observational Studies. J Allergy Clin Immunol Pract. 2019 Mar;7(3):879-897.
  5. Clark S, Wei W, Rudders SA, Camargo CA Jr. Risk factors for severe anaphylaxis in patients receiving anaphylaxis treatment in US emergency departments and hospitals. J Allergy Clin Immunol. 2014 Nov;134(5):1125-30.
  6. Nederlandse reanimatieraad. Richtlijnen Reanimatie in Nederland. Via https://www.reanimatieraad.nl/
  7. Muraro A, Roberts G, Worm M et al. Anaphylaxis: guidelines from the European Academy of Allergy and Clinical Immunology. Allergy. 2014 Aug;69(8):1026-45.
  8. Het acute boekje. Nederlandse Internisten Vereniging. Via https://www.hetacuteboekje.nl/
  9. Ambulancezorg Nederland. Landelijk Protocol Ambulancezorg versie 8.1, herdruk oktober 2019. Via https://www.ambulancezorg.nl/.
  10. Shaker MS, Wallace DV, Golden DBK et al. Anaphylaxis—a 2020 practice parameter update,systematic review, and Grading of Recommendations, Assessment, Developmentand Evaluation (GRADE) analysis. J Allergy Clin Immunol. 2020 Apr;145(4):1082-1123.