Samenvatting

Verwekker: Orthohantavirussen

Incubatieperiode: Enkele dagen tot enkele weken, meestal 2 tot 3 weken

Besmettingsweg: Voornamelijk door virusdeeltjes via de lucht afkomstig van urine en feces van besmette dieren

Besmettelijke periode: Niet van toepassing

Maatregelen: Meldingsplichtige ziekte groep C. Bronopsporing, reiniging van ruimten waar mogelijk besmette dieren verbleven of bestrijding van mogelijk besmette dieren

Symptomen: Subklinisch of griepachtig ziektebeeld of acuut met koorts, gevolgd door hemorragie en/of nierfunctiestoornissen (HFRS/NE) of cardiopulmonaal syndroom (HCPS)

blok

Deze richtlijn is ontwikkeld voor zorgprofessionals werkzaam binnen de infectieziektebestrijding. De primaire doelgroepen zijn GGD- en LCI-professionals. Deze richtlijn bevat adviezen, taken en verantwoordelijkheden en vormt een basis voor het nemen van geïnformeerde beslissingen en het maken van beleid in de praktijk. Voor meer informatie zie Ontwikkeling LCI-richtlijnen.

Vaststelling richtlijn door LOI Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding (Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding ): 16 december 2025. Vaststelling Diagnostiek: 12 november 2025.

De richtlijn is herzien onder leiding van dr. C.J.G. Kampman, arts M+G IZB infectieziektebestrijding (infectieziektebestrijding ) en auteur richtlijnen LCI Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding ). De arbeidsrelevante aanvullingen zijn herzien onder leiding van dr. S.H.M.A Wijffels-de Groot, bedrijfsarts LCI. De veterinaire informatie is opgesteld onder leiding van dr. B.H.G. Rockx, senior scientist WBVR Wageningen Bioveterinary research (voorheen Centraal veterinair instituut CVI) (Wageningen Bioveterinary research (voorheen Centraal veterinair instituut CVI) ).

Nieuw en anders in deze versie ten opzichte van de oude richtlijn:

  • De naamgeving van de richtlijn is veranderd van hantavirusinfectie naar orthohantavirusinfectie, conform de correcte internationale benaming volgens deskundigen.
  • De tabel onder verwekker is vereenvoudigd en is aangevuld met de meest voorkomende ortohantavirustypen, die ook elders beschreven staan in de richtlijntekst.
  • De incubatietijd is aangepast n.a.v. recente literatuur. Tevens is de incubatietijd uitgesplitst voor HFRS en HCPS.
  • Bij ziekteverschijnselen stond in de vorige versie NE bovenaan (dit komt ook het vaakst voor in Nederland), maar NE is onderdeel van HFRS. De bewering in de vorige versie dat 90% van de gevallen van alle orthohantavirusinfecties subklinisch verloopt, hoort bij het ziektebeeld NE (door puumalavirusinfecties), dit is gecorrigeerd.
  • De paragraaf Reservoir is ingekort. Relevante informatie komt terug in overige paragrafen.
  • Bij Besmettingsweg is er een duidelijker onderscheid gemaakt tussen de meest voorkomende besmettingsweg en minder voorkomende besmettingswegen. Ook zijn nosocomiale uitbraken verwijderd uit deze paragraaf. Mens-op-mens-overdracht (waar nosocomiale uitbraken onder vallen) is uitgebreid met een systematische review die stelt dat deze transmissieroute wetenschappelijk niet bewezen is. De samenvatting aan het begin van de richtlijn is naar aanleiding hiervan aangepast.
  • De risicogroepen zijn opgedeeld in omgevingsfactoren, gedragsfactoren en overige factoren. De factoren die kunnen leiden tot een ernstig beloop zijn aangevuld met twee categorieën: roken en een genetische predispositie.
  • Er zijn twee zwangerschapsparagrafen toegevoegd: perinatale transmissie en verhoogde kans op ernstig beloop bij zwangeren.
  • De paragraaf Algemene preventieve maatregelen is geschreven voor personen die uitwerpselen, (opgedroogde) urine, nestjes of dode (knaag)dieren gaan opruimen, zonder dat er een persoon met een orthohantavirusinfectie gelinkt is aan de locatie. In de paragraaf Maatregelen ten aanzien van index, contacten en bron staat het beleid beschreven indien er wel een persoon met een orthohantavirusinfectie is gelinkt aan een locatie. Beiden zijn afgestemd met de LCHV Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid ).
  • Er is een wijziging in de laboratoriummeldingscriteria: ‘hoge IgM immunoglobuline M (immunoglobuline M ) of IgA immunoglobuline A (immunoglobuline A )’ is vervangen door ‘positieve IgM of IgA’.
  • De arbeidsgerelateerde aanvullingen zijn herzien.
  • Veterinaire informatie is toegevoegd. 

Achtergronden

Verwekker

Orthohantavirussen zijn een geslacht van RNA-virussen behorende tot de familie Hantaviridae (Reusken 2009). Momenteel worden er 60 verschillende orthohantavirussen in 38 verschillende species (soorten) onderscheiden, waarvan er een kleine 30 pathogeen zijn voor de mens. Elk orthohantavirusspecies heeft een specifiek (knaag)dier als gastheerreservoir en kan één van de twee syndromen veroorzaken bij de mens: hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS) en nephropathia epidemica (NE) of hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS) (Avšič-Županc 2019, Jiang 2017, Reusken 2009). In de onderstaande tabel zijn de meest voorkomende orthohantavirusspecies , hun reservoir, het ziektebeeld dat ze kunnen veroorzaken en het geografische voorkomen beschreven (Vial 2023).

Tabel. Meest voorkomende orthohantavirussen, hun gastheer, ziektebeeld en voorkomen.
*Hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS), nephropathia epidemica (NE), hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS), zie de paragraaf Ziekteverschijnselen voor nadere uitleg van de ziektebeelden.
VirusnaamReservoirZiektebeeld*Voorkomen
PuumalavirusRosse woelmuis (Myodes glareolus)

HFRS en NE

Europa en Rusland

SeoulvirusZwarte rat (Rattus rattus) en bruine rat (Rattus norvegicus)

HFRS

Wereldwijd

TulavirusVeldmuis (Microtus arvalis) en in de mindere mate de bosmuis (Apodemus sylvaticus)

HFRS

Rusland en Europa

DobravavirusGrote bosmuis (Apodemus flavicollis)

HFRS

Balkan, Zuidoost-Europa

SaaremaavirusBrandmuis (Apodemus agrarius -western form)

HFRS

Balkan, Zuidoost-Europa

HantaanvirusGestreepte veldmuis (Apodemus agrarius -eastern form)

HFRS

Azië

Sin nombrevirusHertmuis (Peromyscus maniculatus)

HCPS

Noord-Amerika

AndesvirusRijstrat (Oligoryzomys longicaudatu)

HCPS

Zuid-Amerika

Epidemiologie

Verspreiding in de wereld

Er is een associatie tussen de grootte van een knaagdierpopulatie en het aantal patiënten met een orthohantavirusinfectie. De volgende werelddelen kennen een relatief hoge orthohantavirusprevalentie:

  • Azië: In Azië wordt vooral het ziektebeeld haemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS) gezien. Totaal zijn er 7 orthohantavirussen geassocieerd met het ontstaan van een HFRS, waarbij hantaanvirus en seoulvirus de meeste voorkomende ziekteverwekkers zijn. Jaarlijks zijn er wereldwijd naar schatting 100.000 gevallen van HFRS, waarbij de meeste gevallen (70-90%) zich voordoen in China (Avšič-Županc 2019, Jiang 2017, Vial 2023).
  • Noord- en Zuid-Amerika: In Noord- en Zuid-Amerika wordt vooral het ziektebeeld hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS) gezien, met ongeveer 200 gevallen per jaar. Totaal zijn er 15 orthohantavirusserotypen geassocieerd met HCPS, waarbij het Sin nombrevirus verantwoordelijk is voor de meerderheid aan ziektegevallen in Noord-Amerika en het Andesvirus in Zuid-Amerika (Avšič-Županc 2019, Vial 2023).
  • Europa: In Europa werden er in de periode van 2016 tot en met 2020 jaarlijks ongeveer 3.000 gevallen van HFRS gemeld, met een range van 1647 in 2020 tot 4249 in 2017, zonder dat er een duidelijke trend te zien was. De meeste infectiegevallen doen zich voor in Finland, Duitsland en Zweden en betreffen infecties met het puumalavirus. Finland heeft in 2020 meer dan 70% van alle gevallen gemeld. Ernstige gevallen van HFRS doen zich met name voor in de Balkanlanden; de veroorzaker is daar overwegend het dobravavirus. De minder ernstige vorm van HFRS, nephropathia epidemica (NE), veroorzaakt door het puumalavirus, wordt vooral gezien in Finland en Duitsland (Avšič-Županc 2019, ECDC European Centre for Disease Prevention and Control (European Centre for Disease Prevention and Control ) 2023).
  • Rusland: Rusland heeft jaarlijks ongeveer 5.000 tot 10.000 gevallen van HFRS. Het puumalavirus is verantwoordelijk voor bijna alle gevallen van HFRS in West-Rusland (Jiang 2017, Malinin 2022, Vial 2023).

In overige werelddelen worden er sporadische gevallen van orthohantavirusinfecties gemeld. Mogelijk is dit het gevolg van onderdiagnostiek en/of onderrapportage door het ontbreken van een meldplicht in sommige landen.

Voorkomen in Nederland

Vanwege onderdiagnostiek (met name bij de asymptomatische en mild verlopende infecties), is niet duidelijk wat de werkelijke incidentie van orthohantavirusinfectie in de wereld en dus ook in Nederland is. In de periode 2018 tot en met 2023 werden er per jaar gemiddeld 31 meldingen van orthohantavirusinfectie gedaan, met een spreiding van 10 tot 49 meldingen per jaar. In 2023 werd bij 25 van de 30 gevallen het puumalavirus vastgesteld, in de overige gevallen was het type onbekend. De meerderheid van de meldingen (n=27, 90%) komt uit het oosten en zuidoosten van het land (GGD regio Twente, Brabant-Zuidoost, Noord- en Oost-Gelderland en Gelderland-Midden)(RIVM 2024).

In Nederland komen vijf soorten ratten en muizen voor die voornamelijk als reservoir voor pathogene orthohantavirussen kunnen fungeren: de rosse woelmuis, de veldmuis, de grote bosmuis en de zwarte en bruine rat. Op basis hiervan kunnen in Nederland theoretisch vier orthohantavirusspecies circuleren: puumala-, tula-, dobrava- en seoulvirus (Reusken 2011, Reusken 2009). De belangrijkste voor humane infectie in Nederland is de rosse woelmuis, die reservoir is voor het puumalavirus en het ziektebeeld nephropathia epidemica kan veroorzaken. In de seroprevalentiestudie Pienter 2 van 2006/2007 zijn in een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking (3000 deelnemers) bij 1,7% van de monsters antistoffen tegen het puumalavirus aangetroffen (Sane 2014, van der Klis 2009). In deze studie liet de gemeente Enschede een hogere seroprevalentie (3,2 %) zien dan de andere onderzochte gemeenten (0%-1,8%) (Sane 2014). Sinds 2016 zijn er ook 6 patiënten met autochtone seoulvirusinfecties geweest. Dit waren allen eigenaren van tamme en/of voederratten. Autochtone besmettingen met tulavirus of dobravavirus zijn nog niet gemeld in Nederland (Swanink 2018, Vlaanderen 2021).

Pathogenese

Na besmetting dringt het virus waarschijnlijk via specifieke receptoren de endotheelcel binnen en vermenigvuldigt zich daar. Daarna vindt verspreiding plaats via de bloedbaan. Virus-antigeen is aan te tonen in endotheelcellen door het gehele lichaam, maar met name in de longen, nieren, hart, lever en milt. Endotheelcellen van capillairen en kleine bloedvaatjes worden vervolgens verhoogd doorlaatbaar. Bij hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS) zijn vooral de pulmonaire capillairen aangedaan en bij hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS) zijn vooral de renale capillairen in de medulla aangedaan. Deze verhoogde permeabiliteit is niet het directe gevolg van aanwezigheid van het orthohantavirus zelf, maar wordt waarschijnlijk indirect veroorzaakt door T-cel gemedieerde activiteit, cytokines en chemokines van het afweersysteem van de gastheer zelf. Bij een HFRS leidt de endotheliale activatie ook tot een trombocyten-activatie en een veranderde coagulatie. De verschillen in ziekteverschijnselen, de specifieke orgaandysfuncties en het specifieke proces dat leidt tot een HCPS of HFRS is nog grotendeels onverklaard (Dolin 2020, Klempa 2009, Vial 2023, Noack 2020).

Incubatieperiode

De incubatietijd van de in Europa circulerende orthohantavirustypen die hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS) kunnen veroorzaken is gemiddeld 2 weken, met een spreiding van 5 tot 42 dagen (Dolin 2020). De incubatietijd van hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS) kent een mediaan van 18 dagen, met een spreiding van 7 tot 39 dagen (Vial 2006).

Ziekteverschijnselen

Orthohantavirusinfecties bij de mens kunnen leiden tot twee syndromen: hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS) en hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS). De syndromen beginnen met overeenkomstige ziekteverschijnselen; plotseling ontstane hoge koorts, malaise, myalgie en andere griepachtige verschijnselen (Avšič-Županc 2019).

Hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS)

HFRS, ook wel hantavirus hemorrhagische koorts genoemd, kent een uiteenlopend beloop van subklinisch en mild tot ernstig met overlijden. Het beloop is afhankelijk van het hantavirusspecies. HFRS veroorzaakt door hantaanvirus of dobravavirus verloopt ernstiger en heeft een mortaliteit van 5 tot 15%. HFRS veroorzaakt door orthohantavirussen die met name in Europa voorkomen (pumaalavirus, tulavirus, saaremavirus en seoulvirus), verloopt milder en heeft een mortaliteit van minder dan 1% (Avšič-Županc 2019, Linderholm 2001).

Typische ziekteverschijnselen van HFRS zijn koorts, trombocytopenie, stollingsstoornissen en acute nierinsufficiëntie, veroorzaakt door een acute interstitiële nefritis. De nierinsufficiëntie gaat gepaard met oligurie en proteïnurie. Daarnaast kunnen er pulmonaal oedeem en cerebrovasculaire accidenten ontstaan. Soms zijn er conjunctivale bloedingen en petechiën over de romp en op het palatum. Bij een seoulvirusinfectie kan er bovendien een hepatitis ontstaan. De herstelperiode van HFRS met een ernstig beloop is vaak weken tot maanden (Avšič-Županc 2019, Dolin 2020).

Nephropathia epidemica (NE)

Nephropathia epidemica (NE) wordt beschouwd als de mildere vorm van HFRS. NE komt alleen in (Noord-)Europa en Rusland voor en wordt veroorzaakt door het puumalavirus. Puumalavirusinfecties zijn in 90% van de gevallen asymptomatisch. NE geeft zelden hemorragieën en de mortaliteit is ongeveer 0,1%. Ziekteverschijnselen die kunnen optreden zijn een griepachtig ziektebeeld met malaise, hoofdpijn en koorts, buikpijn, hypotensie, petechiën (bij een derde van de gevallen), myopie en een verslechterde nierfunctie die zich uit in oligurie, proteïnurie en creatininestijging (Avšič-Županc 2019, Dolin 2020, Miettinen 2006, Settergren 2000, Reusken 2011). Een enkele keer is encefalomyelitis beschreven (Krause 2003). De meeste patiënten herstellen binnen 2-3 weken (Reusken 2011).

Hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS)

Hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS), ook wel hantavirus longsyndroom genoemd, komt met name voor in Noord- en Zuid-Amerika. In vergelijking met HFRS, is HCPS een ernstiger ziektebeeld met een hogere mortaliteit van 30 tot 50%. De ziekteverschijnselen die kunnen ontstaan na de prodromale fase met koorts, zijn tachypneu, tachycardie en hypotensie, gevolgd door een adult respiratory distress syndrome (ARDS) met pulmonaal oedeem en hartfalen (Avšič-Županc 2019).

Natuurlijke immuniteit

Bij het ontstaan van symptomen van orthohantavirusinfectie is het adaptieve immuunsysteem actief; er is een hoge CD8 T-celrespons en antistoffenrespons. De hoogte van deze respons zorgt mogelijk voor een gunstig verloop van een hantavirusinfectie (Engdahl 2020, Saavedra 2021). De verworven immuniteit is speciesspecifiek en levenslang aanwezig (Lundkvist 1993, Maes 2004, Reusken 2009).

Reservoir

Wereldwijd zijn muizen en ratten de voornaamste reservoirs en verspreiders van orthohantavirussen. In Nederland leven zes knaagdiersoorten die potentieel als reservoir kunnen fungeren voor verschillende orthohantavirussen: de rosse woelmuis (reservoir voor het puumalavirus), de veldmuis en de bosmuis (beiden reservoir voor het tulavirus), de grote bosmuis (reservoir voor het dobravavirus, de zwarte rat en de bruine rat (beiden reservoir voor het seoulvirus). In Nederland is het belangrijkste reservoir voor humane infectie de rosse woelmuis. In Nederland is ook seoulvirus aangetroffen in ratten die als huisdier of voederdier werden gehouden (Cuperus 2021, Swanink 2018). Ook in Nederlandse mollen is orthohantavirus aangetoond, maar het zoönotisch potentieel is nog onbekend (Cuperus 2022). Orthohantavirussen worden ook aangetroffen in vossen, egels, vleermuizen, katten, honden en varkens. Orthohantavirusinfecties bij deze dieren worden beschouwd als spillover-infecties en de kans op besmetting bij de mens is waarschijnlijk minimaal of afwezig (Avšič-Županc 2019, de Oliveira 2014, Watson 2014).

Transmissie

Besmettingsweg

De voornaamste besmettingsweg is via de lucht door het inhaleren van virusdeeltjes in aerosolen of stof afkomstig van opgedroogde feces en urine van besmette dieren. Aerosolen ontstaan onder andere door schoonmaakwerkzaamheden of ventilatie van een voorheen niet (goed) geventileerde ruimte waar besmette dieren zitten of hebben gezeten. Hierdoor kunnen virusdeeltjes in stof, opgedroogde feces of nestmateriaal opwaaien en ingeademd worden (CDC 2024, Heyman 2009, Vial 2023).

Minder vaak voorkomende besmettingsroutes zijn:

  • Orthohantavirussen kunnen in speeksel van besmette dieren zitten. Mogelijk kan er besmetting plaatsvinden na bijtaccidenten met besmette dieren (Douron 1984, Schultze 2002).
  • Het eten van voedsel dat in aanraking is geweest met speeksel, urine of feces van besmette dieren kan leiden tot infectie bij de mens. Alsmede aanraking van besmette excreta van besmette dieren, waarna er contact is met neus en/of mond (Witkowski 2017).
  • Transmissie door besmette bloedproducten van met een orthohantavirus geïnfecteerde personen is beschreven (Sinisalo 2010).

Alleen van het Andesvirus is er incidentele overdracht van mens op mens beschreven (Avšič-Županc 2019, Martínez 2020, Vial 2023, Padula 1998). Echter, een systematische review over mens-op-mens-transmissie van dit specifieke orthohantavirus acht deze overdrachtsroute niet voldoende wetenschappelijk bewezen (Toledo 2022).

Perinatale transmissie
  • Intra-uteriene transmissie: Er is geen duidelijkheid over de mogelijkheid van intra-uteriene transmissie van orthohantavirussen. Bij hantaan- en seoulvirusinfecties zijn er enkele gevallen beschreven van vermoedelijke intra-uteriene transmissie, maar er is geen direct bewijs dat er daadwerkelijke intra-uteriene transmissie heeft plaatsgevonden. Bij sin nombre-, andes-, puumala- en dobravavirussen zijn er geen gevallen bekend van intra-uteriene transmissie (Howard 1999, Lu 2021, Vial 2023).
  • Lactatie: In 2020 zijn er twee gevallen van overdracht van het andesvirus via moedermelk beschreven (Ferrés 2020). Het sin nombrevirus is aangetoond in moedermelk, maar dit heeft niet geleid tot transmissie naar de pasgeborene (Pai 1999, Vial 2023).

Besmettelijke periode

Niet van toepassing, de geïnfecteerde mens is de eindgastheer.

Besmettelijkheid

Het puumalavirus kan buiten de gastheer bij lage temperaturen, in vochtige aarde en een laag niveau van UV-straling nog weken infectieus blijven (Kallio 2006, Reusken 2013). Van het puumalavirus en het tulavirus is aangetoond dat ze 5 tot 11 dagen infectieus kunnen blijven bij kamertemperatuur en 18 dagen bij 4 graden (Kallio 2006). Orthohantavirussen worden geïnactiveerd door verhitting (30 minuten op 60 graden of 1 dag bij 37 graden) en door het gebruik van verscheidene chemicaliën (Avšič-Županc 2019, Kallio 2006).

Risicogroepen

Verhoogde kans op infectie

Omgevingsfactoren

Het risico om een orthohantavirusinfectie op te lopen hangt af van de nabijheid tot besmette dieren. In Nederland is het belangrijkste reservoir voor humane infectie de rosse woelmuis (Myodes glareolus), het reservoir voor het puumalavirus. De rosse woelmuis komt wijdverspreid voor in bosrijke gebieden en huist onder andere in heggen. In het najaar en de winter neemt het aantal woelmuizen toe en komen ze ook in tuinen en schuren van huizen die dichtbij bossen of parken zijn gelegen. De nabijheid van besmette dieren, hun uitwerpselen in en om huizen en/of werk verhogen de kans op een orthohantavirusinfectie bij de mens (CDC 2024, Reil 2017). Er is een grotere kans op infectie voor mensen die dichtbij een bos of op een boerderij wonen en/of werken (Abu Sin 2007, Bergstedt Oscarsson 2016, Reusken 2013).

Gedragsfactoren

Bij schoonmaakwerkzaamheden (van bijvoorbeeld een schuur of een kelder), het ventileren van een voordien afgesloten ruimte, maar ook door het werken met hooi of houthakken in een afgesloten ruimte (zoals een schuur) kunnen er virusdeeltjes geïnhaleerd worden (Avšič-Županc 2019, CDC 2024, Heyman 2009, Vial 2023). Tevens zijn er gevallen van seoulvirusinfecties bekend onder houders van tamme ratten en/of voederratten in Nederland (Cuperus 2021, Swanink 2018).

Overige factoren

Een orthohantavirusinfectie wordt vaker vastgesteld bij mannen dan bij vrouwen. Daarnaast ook bij personen in de arbeidsleeftijd vanwege de verhoogde kans op blootstelling. Tevens hebben personen die roken een verhoogde kans op infectie. Het mechanisme hierachter is nog onopgehelderd (Bergstedt Oscarsson 2016, Makary 2010, Reusken 2013).

Voor bepaalde beroepsgroepen geldt ook een verhoogd risico op infectie, zie Arbeidsgerelateerde risicogroepen.

Verhoogde kans op ernstig beloop

  • De ziekte verloopt bij vrouwen mogelijk vaker ernstiger dan bij mannen, hoewel dit niet in elke studie bevestigd wordt (Klein 2011, Krautkrämer 2013).
  • Roken is geassocieerd met een verhoogde kans op ernstige nierschade bij een orthohantavirusinfectie (Latronico 2018, Tervo 2015).
  • Er is een genetische predispositie voor een ernstige vorm van hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS) en hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS), geassocieerd met bepaald HLA Humaan Leukocyten Antigeen (Humaan Leukocyten Antigeen )-typen. Deze associatie is aangetoond bij puumala-, andes-, sin nombre- en dobravavirusinfecties (Avšič-Županc 2019).

Verhoogde kans op ernstig beloop bij zwangerschap

Puumala-, dobrava- en andesvirusinfecties verlopen bij zwangeren hetzelfde als bij niet-zwangeren (Hofmann 2012). Hantaanvirusinfecties kunnen echter een ernstiger beloop hebben bij zwangeren, met name in het derde trimester. Er zijn geen aanwijzingen voor een verhoogde kans op overlijden aan een orthohantavirusinfectie in vergelijking met niet-zwangeren (Ji 2017, Lu 2021, Ren 2022).

Een ernstig verlopende hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS) en hantavirus cardiopulomonary syndrome (HCPS) in de zwangerschap kan leiden tot obstetrische en foetale complicaties. Een spontane abortus en een vroegtijdige bevalling is het gevolg van de maternale infectie, niet van foetale infectie (Hofmann 2012, Howard 1999).

Behandeling

De behandeling is gericht op de bestrijding van symptomen. Dialyse is vaak nodig bij hemorrhagic fever with renal syndrome (HFRS). Bij het in Nederland prevalerende ziektebeeld nephropathia epidemica (NE) is dialyse vrijwel nooit nodig. Er zijn enkele antivirale middelen die mogelijk effectief zijn in de behandeling van HFRS, zoals ribavirine. Ribavirine is mogelijk minder effectief bij hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS) (Avšič-Županc 2019, Vial 2023).

Diagnostiek

Vastgesteld op 12 november 2025. Zie ook Diagnostisch Vademecum Hanta.

Microbiologische diagnostiek

Directe diagnostiek

Door middel van RT-PCR is het mogelijk type-specifiek genoom van hantavirussen aan te tonen. Voorkeursmateriaal is serum of plasma en urine dat vroeg tijdens de infectie is afgenomen (binnen een week na eerste ziekteverschijnselen). Daarnaast is in principe elk weefselbiopt (met name dat van longen en nieren) geschikt voor direct onderzoek bij zowel patiënten als het gastheer-knaagdier. Viremie is echter zeer kort en hantavirusinfecties worden zelden vastgesteld op basis van genoomdetectie.

Isolatie van hantavirussen vereist werken op beheersingsniveau 2 of 3, afhankelijk van het hantavirustype en wordt dus ook niet gebruikt bij het vaststellen van een diagnose.

Indirecte diagnostiek

De aangewezen methode voor de diagnostiek van hantavirussen is serologie. Bij het merendeel van de patiënten is tien dagen na het begin van de ziekte de IgM immunoglobuline M (immunoglobuline M ) positief. Een titerstijging van IgG immunoglobuline G (immunoglobuline G )-antistoffen in gepaarde sera afgenomen met een verschil van minimaal 14 dagen, of het aantonen van IgM-antistoffen in het acute stadium duidt op een hantavirusinfectie. Voor de humane hantavirussen bestaan serologische testen, waaronder immunofluorescentie testen (IFA) en enzym immuno-testen (ELISA).

Routine serologische diagnostiek kan onder andere worden verricht door de virologische laboratoria van het Erasmus MC Medisch Centrum (Medisch Centrum ) of het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu ).

Type-specifieke serologie van hantavirussen wordt bemoeilijkt door uitgebreide kruisreactiviteit tussen verschillende hantavirussen binnen serogroepen, maar ook tot op zekere hoogte tussen serogroepen. Confirmatie voor serotypering kan met behulp van een virusneutralisatietest die internationaal beschikbaar is in een klein aantal gespecialiseerde laboratoria.

Typering voor bron- en contactonderzoek

Bij bijzondere vraagstellingen is typering mogelijk bij het RIVM en Erasmus MC voor zowel humaan als in dierreservoirs.

Niet-microbiologische diagnostiek

Niet van toepassing.

Preventie

Immunisatie

Vaccinatie

In Azië wordt een geïnactiveerd vaccin (Hantavax) sinds enkele jaren gebruikt. Het vaccin biedt matige tot gemiddelde bescherming tegen het hantaan- en seoulvirussen (Jung 2018, Liu 2019). Het vaccin is niet goedgekeurd in Europa. Daarnaast zijn er twee DNA-vaccins in ontwikkeling in de Verenigde Staten (Avšič-Županc 2019, Vial 2023).

Passieve immunisatie

Er is geen mogelijkheid voor passieve immunisatie bij een orthohantavirusinfectie.

Algemene preventieve maatregelen

De volgende algemene preventieve maatregelen kunnen worden geadviseerd om contact met dieren, zoals (wilde) ratten en muizen, en hun uitwerpselen zoveel mogelijk te voorkomen (CDC 2024):

  • Mijd contact met dieren die mogelijk besmet kunnen zijn met een orthohantavirus, zoals (wilde) ratten en muizen. Mijd ook het contact met hun nesten en uitwerpselen. Dit geldt zowel binnenshuis als buiten;
  • Dicht gaten in ruimten (zoals schuren en zolders), zodat o.a. muizen en ratten niet binnen kunnen komen;
  • Bewaar voedsel en afval in goed afgesloten containers. Gebruik opbergdozen van metaal of hard plastic, of glazen potten met een goed sluitend deksel;
  • Als er sprake is van een plaag, kan er plaagdierbeheersing of een professionele plaagdierbestrijder ingezet worden.

Bij het opruimen en schoonmaken van uitwerpselen, (opgedroogde) urine, nestjes of dode (knaag)dieren in bijvoorbeeld schuren of zolders, worden de volgende maatregelen geadviseerd:

  • Lucht goed voordat er begonnen wordt met opruimen en schoonmaken. Zet de ramen een half uur tegenover elkaar open en blijf in die tijd zelf buiten of in een andere ruimte;
  • Draag bij het schoonmaken en opruimen rubberen handschoenen;
  • Vermijd het gebruik van een bezem, handveger of stofzuiger, hierbij kan stofvorming optreden;
  • Maak de uitwerpselen, urine, nestmateriaal en eventueel dode dieren eerst nat om stofvorming te voorkomen;
  • Vervolgens kunnen de uitwerpselen, nestmateriaal en dode dieren opgeruimd worden met een doek. Alles wordt in een vuilniszak gedaan, afgesloten en vervolgens bij het afval gedeponeerd (niet aandrukken). Pas vervolgens handhygiëne toe;
  • Lucht de ruimte ook na het schoonmaken. Hierbij moet men de ruimte verlaten en de deuren en ramen minimaal een half uur tegen elkaar open kunnen zetten.

Zie voor meer informatie GGD Leefomgeving Muizen en de Algemene hygiënerichtlijn, paragraaf 3.4.

Voor maatregelen ten aanzien van de bron, gerelateerd aan een persoon met een orthohantavirusinfectie, zie de paragraaf Maatregelen t.a.v. index, contacten en bron.

Reiniging, desinfectie en sterilisatie

Conform de LCI-richtlijn Reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg.

Maatregelen

Meldingsplicht

Orthohantavirusinfectie is een meldingsplichtige ziekte groep C.

Dit houdt in dat artsen en hoofden van laboratoria bij vaststelling van de infectieziekte of verwekker dit binnen 1 werkdag moeten melden aan de GGD. De GGD meldt gepseudonimiseerd conform de Wet publieke gezondheid binnen 3 dagen aan het CIb Centrum Infectieziektebestrijding (Centrum Infectieziektebestrijding ) en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.

Meldingcriteria

Klinische criteria

Een persoon met ten minste één van de volgende symptomen:

  • koorts;
  • nierfunctiestoornis;
  • trombocytopenie;
Laboratoriumcriteria

En ten minste één van de volgende laboratoriumcriteria:

  • aantonen van orthohantavirus;
  • significante titerstijging IgG;
  • positieve IgM- of IgA immunoglobuline A (immunoglobuline A )-titer.

Inschakelen van andere instanties

Voor bronopsporing of voor het testen van (huis)dieren bij een bevestigd humaan geval kan er contact worden opgenomen met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Bij overlast van (mogelijk) besmette dieren kan de GGD het advies geven om een plaagdierbestrijder in te schakelen.

Om onderzoek van zowel patiëntenmateriaal als dierlijk materiaal te kunnen verrichten kan een beroep worden gedaan op een diagnostisch laboratorium, bijvoorbeeld het RIVM of het Erasmus MC. Zie ook het Vademecum Zoönosen.

Bron- en contactonderzoek

Bronopsporing

Bij elk bewezen autochtoon humaan geval van een orthohantavirusinfectie wordt bronopsporing geadviseerd. Indien er een bron gevonden is, kunnen maatregelen genomen worden om te voorkomen dat anderen ziek worden. Indien er sprake is van (verdenking van) clustering: onderzoek onderlinge relaties en verbanden met andere meldingen van orthohantavirusinfecties.

Contactonderzoek

Contactonderzoek is niet nodig. Er bestaan geen profylactische of therapeutische interventies voor personen die zijn blootgesteld aan dezelfde bron.

Maatregelen ten aanzien van index, contacten en bron

Omdat er geen aanwijzingen zijn dat mens-op-mensoverdracht mogelijk is en mens-op-mensoverdracht niet voorkomt bij de orthohantavirusspecies die voorkomen in Nederland, hoeft de index of zijn omgeving geen maatregelen te treffen om overdracht te voorkomen. Wel dient nagegaan te worden of de omgeving eveneens blootgesteld kan worden aan dezelfde bron van besmetting. Zo mogelijk dient de bron bestreden te worden, zie de Veterinaire informatie.

De GGD kan onderstaande maatregelen adviseren aan de bewoners, beheerder of eigenaar bij (vermoedelijke) aanwezigheid van orthohantavirus op een locatie (woning, publieke ruimte), bijvoorbeeld omdat er een persoon met een orthohantavirusinfectie is gelinkt aan een locatie. Het betreft maatregelen die de GGD kan adviseren aan de bewoner, beheerder of eigenaar van de locatie (CDC 2024).

  • Laat levende dieren, zoals ratten en muizen, verwijderen door een gespecialiseerd bedrijf. Verzoek dit bedrijf ook om te adviseren hoe kan worden voorkomen dat dieren weer in de woning komen. Zie voor een gespecialiseerd bedrijf de pagina van GGD Leefomgeving Muizen.
  • Laat bij voorkeur de ruimte(s) schoonmaken door een professioneel schoonmaakbedrijf. Informeer het bedrijf dat er mogelijk een orthohantavirus aanwezig is. Het heeft niet de voorkeur dat de eigenaar zelf schoon gaat maken. Als de eigenaar er toch voor kiest om zelf schoon te maken, geef dan de volgende adviezen:
    • Lucht goed voordat er wordt begonnen met opruimen en schoonmaken. Zet de ramen een half uur tegenover elkaar open en blijf in die tijd zelf buiten of in een andere ruimte;
    • Draag bij het schoonmaken rubberen handschoenen;
    • Draag indien er aanwijzingen zijn voor besmetting in deze ruimte (gerelateerd aan een casus) een mondneusmasker, type FFP2, tijdens het schoonmaken;
    • Vermijd het gebruik van een bezem, handveger of stofzuiger; hierbij kan virus via de lucht verspreiden. Maak de uitwerpselen, urine, nestmateriaal en eventueel dode dieren eerst nat om stofvorming te voorkomen. Vervolgens kunnen de uitwerpselen, nestmateriaal en dode dieren opgeruimd worden met een doek. Alles wordt in een vuilniszak gedaan, afgesloten en vervolgens bij het afval gedeponeerd (niet aandrukken). Hierna wordt handhygiëne toegepast;
    • Lucht de ruimte ook na het schoonmaken en verlaat hierbij de ruimte. Zet alle ramen en deuren minimaal een half uur tegen elkaar open om snel de binnenlucht te verversen. Hierdoor worden eventuele aanwezige virusdeeltjes in de lucht snel sterk verdund. Gebruik een ventilator als er geen of zeer weinig wind staat. Plaats de ventilator in een hoek op het verste punt van het buitenraam en richt die naar het raam om luchtstroming naar buiten te creëren.

Voor maatregelen ten aanzien van werknemers, zie de Arbeidsrelevante aanvullingen.

Postexpositieprofylaxe

Er bestaat geen profylactische medicatie ter voorkoming van orthohantavirusinfectie.

Wering

Orthohantavirussen zijn niet van mens op mens overdraagbaar, wering is daarom niet van toepassing.

Arbeidsrelevante aanvullingen

Deze aanvullingen zijn geschreven voor en door bedrijfsartsen en beschrijven de preventieve maatregelen om het oplopen van infectieziekten tijdens het werk te voorkomen (werknemer als risicoloper) en de maatregelen/aanpassingen die genomen kunnen worden bij vaststelling van de infectieziekte bij de werknemer (werknemer als risicovormer). In de werksituatie gelden de Arbowet, het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) en de Europese Richtlijn 2000/54 gericht op preventie. Zie ook biologische agentia in de wet (Arboportaal.nl).

Ziekteverschijnselen in relatie tot arbeid

Zie de paragraaf Ziekteverschijnselen. Belastbaarheid in werk wordt bepaald door de ernst van de klachten, waarbij naar gelang de ernst van klachten in de acute fase vaak niet kan worden gewerkt.

Arbeidsgerelateerde risicogroepen

Risicolopers

Medewerkers met een verhoogde kans op infectie zijn mensen die beroepsmatig in contact komen met knaagdieren of hun uitwerpselen en urine. Vooral activiteiten waarbij stof wordt opgeworpen of waar besmette oppervlakken worden schoongemaakt, vergroten de kans op blootstelling aan het virus. Voorbeelden van risicoberoepen zijn:

  • Medewerkers in de agrarische sector (zoals boeren, veehouders, veldwerkers) (Groen 1995, Riccò 2021, Tortosa 2024);
  • Medewerkers in het groen (zoals boswachters, natuurbeheerders, jagers, hoveniers) (Riccò 2021, Tortosa 2024);
  • Medewerkers betrokken bij plaagdierbeheersering (Cuperus 2021, Friesema 2018, Groen 1995, Zöller 1995);
  • Medewerkers in de bouw, het onderhoud en de schoonmaak van oude/vervuilde/verlaten gebouwen (Zeitz 1997);
  • Medewerkers in de afvalverwerking;
  • Medewerkers en verzorgers van ratten/knaagdieren in laboratoria, proefdiercentra, fokkerijen of dierentuinen (Cuperus 2021);
  • Militairen (vooral bij oefeningen in knaagdierrijke omgevingen) (Mustonen 2024);
  • Recreatiepersoneel en seizoenswerkers in natuurgebieden (Levine 2008);
  • Werknemers in andere werkomgevingen waar knaagdieren binnendringen (Princk 2022);
  • Laboratoriummedewerkers die direct werken met orthohantavirussen (Pedrosa 2011).

Risicovormers

Door het ontbreken van aanwijzingen voor mens-op-mens-overdracht van orthohantavirussen die voorkomen in Nederland, vormen besmette medewerkers geen risico voor hun werkomgeving.

Werknemers met een verhoogde kans op ernstig beloop

Zie Verhoogde kans op ernstig beloop en Verhoogde kans op ernstig beloop bij zwangerschap.

Preventieve maatregelen op het werk

De werkgever is in het kader van het Arbeidsomstandighedenbesluit verantwoordelijk voor de bescherming van werknemers in het algemeen en zwangere medewerkers in het bijzonder (Afdeling 9 Arbeidsomstandighedenbesluit). Zie ook het HSE-artikel Zwangerschap en werk.

Volg de Algemene preventieve maatregelen en, bij preventieve maatregelen op het werk, de bio-arbeidshygiënische strategie (Arboportaal.nl).

Orthohantavirussen vallen afhankelijk van het type in risicocategorie 3 (hantaan- en seoulvirus) of risicocategorie 2 (puumalavirus, prospect hillvirus en andere orthohantavirussen) van de biologische agentia (zie Europese Richtlijn 2019/1833).

Als medewerkers blootgesteld kunnen worden aan biologische agentia van de categorie 3 is de werkgever verplicht een register bij te houden. Voor meer informatie en instructies zie: Arbobesluit artikel 4.90. Jeugdige werknemers verrichten geen arbeid met of worden niet blootgesteld aan biologische agentia van categorie 3 (Arbobesluit artikel 4.105). Ook zwangeren verdienen speciale aandacht (Arbobesluit artikel 4.107).

Het bestrijden van muizen en andere knaagdieren op de werkplek is een bronbenadering. Als beroepsmatig contact met mogelijk besmette dieren of een besmette omgeving niet te vermijden is, zijn persoonlijke beschermingsmiddelen aangewezen. Handschoenen (type dat past bij de aard van de werkzaamheden), een veiligheidsbril die zowel de voor- als zijkant van de ogen afschermt bij spatrisico en een mondneusmaker (tenminste type FFP2) bij mogelijk stofvormende activiteiten en bij de werksituatie passende werkkleding. Dit met juiste aan- en uitkleedprocedures en reiniging na de werkzaamheden (OSAH 2025). Het is belangrijk de handen te reinigen na onbeschermd contact met dieren of dierlijke materialen, voor het eten en drinken (maar denk ook aan roken), voor en na toiletbezoek, voor en na gebruik van handschoenen of na aanraking van andere gebruikte beschermingsmiddelen, zie ook de Aandachtspunten Werken met in het wild levende ratten. Bij bestrijding van knaagdieren dienen de voorschriften en regelgeving van de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ) te worden gevolgd (NVWA).

Laboratoriummedewerkers die kunnen worden blootgesteld, nemen beheersmaatregelen die behoren bij beheersingsniveau 2 of 3 (Biologische agentia veiligheidsklasse Directive 2000_54_EG 17-10-2000 update 2020).

Vaccinatie werknemers

Niet aan de orde, omdat er in Nederland geen vaccin is geregistreerd.

Preventieve maatregelen bij zwangerschap of kinderwens

Werkgevers actief in risicosector(en) dienen, bij voorkeur bij aanstelling, medewerkers te wijzen op het anonieme open spreekuur (arbeidsomstandigheden- of preventief spreekuur) bij de bedrijfsarts, bij zwangerschapswens, zwangerschap of lactatie.

Maatregelen en wering van werk

Op basis van het voorzorgsprincipe is werkaanpassing en voorkomen van werkzaamheden met blootstelling aan besmette dieren of een besmette omgeving tijdens zwangerschap zinvol. De bedrijfsarts kan hierover adviseren in een preventief arbeidsgeneeskundig consult. Er is geen reden voor wering ter bescherming van derden.

Melden als beroepsziekte

Als de ziekte (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening zijn bedrijfsartsen verplicht dit te melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) via Beroepsziekten.nl. In de periode vanaf 2015 tot en met 2024 zijn er bij het NCvB Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (Nederlands Centrum voor Beroepsziekten ) geen meldingen binnengekomen van besmettingen met een orthohantavirus. In dezelfde periode zijn er in Osiris 33 meldingen te vinden van orthohantavirusinfecties met werk als besmettingsbron. Het betrof zes agrariërs, zes hoveniers en boswerkers, acht bouw-, grond- of sloopgerelateerde werkzaamheden, twee werknemers betrokken bij inspectie/beheer van gebouwen, zeven werknemers met verschillende functies, maar werkend op een plek waar muizen en ratten werden gezien. Twee medewerkers ontwikkelden ziekteverschijnselen na het schoonmaken van stallen: een zoogdierdeskundige en een militair.

Literatuur

  • Abu Sin M, Stark K, van Treeck U, Dieckmann H, Uphoff H, Hautmann W, et al. Risk factors for hantavirus infection in Germany, 2005. Emerg Infect Dis. 2007;13(9):1364-6. https://doi.org/10.3201/eid1309.070552
  • Avšič-Županc T, Saksida A, Korva M. Hantavirus infections. Clin Microbiol Infect. 2019;21s:e6-e16. https://doi.org/10.1111/1469-0691.12291
  • Bergstedt Oscarsson K, Brorstad A, Baudin M, Lindberg A, Forssén A, Evander M, et al. Human Puumala hantavirus infection in northern Sweden; increased seroprevalence and association to risk and health factors. BMC Infect Dis. 2016;16(1):566. https://doi.org/10.1186/s12879-016-1879-2
  • CDC. Hantavirus prevention 2024. Beschikbaar via: https://www.cdc.gov/hantavirus/prevention/index.html. Geraadpleegd op 24-3-2025.
  • Cuperus T, de Vries A, Hoornweg TE, Fonville M, Jaarsma RI, Opsteegh M, et al. Seoul Virus in Pet and Feeder Rats in The Netherlands. Viruses. 2021;13(3). https://doi.org/10.3390/v13030443
  • Cuperus T, de Vries A, Jaarsma RI, Sprong H, Maas M. Occurrence of Rickettsia spp., Hantaviridae, Bartonella spp. and Leptospira spp. in European Moles (Talpa europaea) from the Netherlands. Microorganisms. 2022;11(1). https://doi.org/10.3390/microorganisms11010041
  • de Oliveira RC, Guterres A, Fernandes J, D'Andrea PS, Bonvicino CR, de Lemos ER. Hantavirus reservoirs: current status with an emphasis on data from Brazil. Viruses. 2014;6(5):1929-73. https://doi.org/10.3390/v6051929
  • Dolin R. California Encephalitis, Hantavirus Pulmonary Syndrome, Hantavirus Hemorrhagic Fever With Renal Syndrome, and Bunyavirus Hemorrhagic Fevers. In: Bennett JE, Dolin R, Blaser MJ, editors. Mandell, Douglas, and Bennett's principles and practice of infectious diseases. Philadelphia: Elsevier Saunders; 2020. p. 2169-76.
  • Douron E, Moriniere B, Matheron S, Girard PM, Gonzalez JP, Hirsch F, et al. HFRS after a wild rodent bite in the Haute-Savoie--and risk of exposure to Hantaan-like virus in a Paris laboratory. Lancet. 1984;1(8378):676-7. https://doi.org/10.1016/s0140-6736(84)92187-1
  • ECDC European Centre for Disease Prevention and Control (European Centre for Disease Prevention and Control ). Hantavirus infection annual epidemiological report for 2020. 2023. Beschikbaar via: https://www.ecdc.europa.eu/sites/default/files/documents/Hantavirus-AER-2020.pdf.
  • Engdahl TB, Crowe JE, Jr. Humoral Immunity to Hantavirus Infection. mSphere. 2020;5(4). https://doi.org/10.1128/mSphere.00482-20
  • Ferrés M, Martínez-Valdebenito C, Angulo J, Henríquez C, Vera-Otárola J, Vergara MJ, et al. Mother-to-Child Transmission of Andes Virus through Breast Milk, Chile(1). Emerg Infect Dis. 2020;26(8):1885-8. https://doi.org/10.3201/eid2608.200204
  • Friesema IHM, Bakker J, Maas M, Goris MGA, van der Giessen JWB, Rockx BHG. Seroprevalence of hantaviruses and Leptospira in muskrat and coypu trappers in the Netherlands, 2016. Infect Ecol Epidemiol. 2018;8(1):1474707. https://doi.org/10.1080/20008686.2018.1474707
  • Groen J, Gerding MN, Jordans JG, Clement JP, Nieuwenhuijs JH, Osterhaus AD. Hantavirus infections in The Netherlands: epidemiology and disease. Epidemiol Infect. 1995;114(2):373-83. https://doi.org/10.1017/s0950268800058003
  • Heyman P, Vaheri A, Lundkvist A, Avsic-Zupanc T. Hantavirus infections in Europe: from virus carriers to a major public-health problem. Expert Rev Anti Infect Ther. 2009;7(2):205-17. https://doi.org/10.1586/14787210.7.2.205
  • Hofmann J, Führer A, Bolz M, Waldschläger-Terpe J, Meier M, Lüdders D, et al. Hantavirus infections by Puumala or Dobrava-Belgrade virus in pregnant women. J Clin Virol. 2012;55(3):266-9. https://doi.org/10.1016/j.jcv.2012.07.011
  • Howard MJ, Doyle TJ, Koster FT, Zaki SR, Khan AS, Petersen EA, et al. Hantavirus pulmonary syndrome in pregnancy. Clin Infect Dis. 1999;29(6):1538-44. https://doi.org/10.1086/313513
  • Ji F, Zhao W, Liu H, Zheng H, Wang S, He C, et al. Hemorrhagic fever with renal syndrome caused by Hantaan virus infection in four pregnant Chinese women. J Med Virol. 2017;89(10):1865-70. https://doi.org/10.1002/jmv.24856
  • Jiang H, Zheng X, Wang L, Du H, Wang P, Bai X. Hantavirus infection: a global zoonotic challenge. Virol Sin. 2017;32(1):32-43. https://doi.org/10.1007/s12250-016-3899-x
  • Jung J, Ko S-J, Oh HS, Moon SM, Song J-W, Huh K. Protective Effectiveness of Inactivated Hantavirus Vaccine Against Hemorrhagic Fever With Renal Syndrome. The Journal of Infectious Diseases. 2018;217(9):1417-20. https://doi.org/10.1093/infdis/jiy037
  • Kallio ER, Klingström J, Gustafsson E, Manni T, Vaheri A, Henttonen H, et al. Prolonged survival of Puumala hantavirus outside the host: evidence for indirect transmission via the environment. J Gen Virol. 2006;87(Pt 8):2127-34. https://doi.org/10.1099/vir.0.81643-0
  • Klein SL, Marks MA, Li W, Glass GE, Fang LQ, Ma JQ, et al. Sex differences in the incidence and case fatality rates from hemorrhagic fever with renal syndrome in China, 2004-2008. Clin Infect Dis. 2011;52(12):1414-21. https://doi.org/10.1093/cid/cir232
  • Klempa B. Hantaviruses and climate change. Clin Microbiol Infect. 2009;15(6):518-23. https://doi.org/10.1111/j.1469-0691.2009.02848.x
  • Krause R, Aberle S, Haberl R, Daxböck F, Wenisch C. Puumala virus infection with acute disseminated encephalomyelitis and multiorgan failure. Emerg Infect Dis. 2003;9(5):603-5. https://doi.org/10.3201/eid0905.020405
  • Krautkrämer E, Grouls S, Urban E, Schnitzler P, Zeier M. No gender-related differences in the severity of nephropathia epidemica, Germany. BMC Infect Dis. 2013;13:457. https://doi.org/10.1186/1471-2334-13-457
  • Latronico F, Mäki S, Rissanen H, Ollgren J, Lyytikäinen O, Vapalahti O, et al. Population-based seroprevalence of Puumala hantavirus in Finland: smoking as a risk factor. Epidemiol Infect. 2018;146(3):367-71. https://doi.org/10.1017/s0950268817002904
  • Levine JR, Fritz CL, Novak MG. Occupational risk of exposure to rodent-borne hantavirus at US forest service facilities in California. Am J Trop Med Hyg. 2008;78(2):352-7.
  • Linderholm M, Elgh F. Clinical characteristics of hantavirus infections on the Eurasian continent. Curr Top Microbiol Immunol. 2001;256:135-51. https://doi.org/10.1007/978-3-642-56753-7_8
  • Liu R, Ma H, Shu J, Zhang Q, Han M, Liu Z, et al. Vaccines and Therapeutics Against Hantaviruses. Front Microbiol. 2019;10:2989. https://doi.org/10.3389/fmicb.2019.02989
  • Lu DH, Jiang H, Lian JQ. Hantavirus Infection during Pregnancy. Virol Sin. 2021;36(3):345-53. https://doi.org/10.1007/s12250-020-00300-8
  • Lundkvist A, Björsten S, Niklasson B. Immunoglobulin G subclass responses against the structural components of Puumala virus. J Clin Microbiol. 1993;31(2):368-72. https://doi.org/10.1128/jcm.31.2.368-372.1993
  • Maes P, Clement J, Gavrilovskaya I, Van Ranst M. Hantaviruses: immunology, treatment, and prevention. Viral Immunol. 2004;17(4):481-97. https://doi.org/10.1089/vim.2004.17.481
  • Makary P, Kanerva M, Ollgren J, Virtanen MJ, Vapalahti O, Lyytikäinen O. Disease burden of Puumala virus infections, 1995-2008. Epidemiol Infect. 2010;138(10):1484-92. https://doi.org/10.1017/s0950268810000087
  • Malinin OV, Kiryanov NA. Fatal cases of hemorrhagic fever with renal syndrome in Udmurtia, Russia, 2010 to 2019. Eur J Clin Microbiol Infect Dis. 2022;41(7):1059-64. https://doi.org/10.1007/s10096-022-04463-y
  • Martínez VP, Di Paola N, Alonso DO, Pérez-Sautu U, Bellomo CM, Iglesias AA, et al. "Super-Spreaders" and Person-to-Person Transmission of Andes Virus in Argentina. N Engl J Med. 2020;383(23):2230-41. https://doi.org/10.1056/NEJMoa2009040
  • Miettinen MH, Mäkelä SM, Ala-Houhala IO, Huhtala HS, Kööbi T, Vaheri AI aviaire influenza (vogelgriep) (aviaire influenza (vogelgriep) ), et al. Ten-year prognosis of Puumala hantavirus-induced acute interstitial nephritis. Kidney Int. 2006;69(11):2043-8. https://doi.org/10.1038/sj.ki.5000334
  • Mustonen J, Henttonen H, Vaheri A. Hantavirus Infections among Military Forces. Mil Med. 2024;189(3-4):551-5. https://doi.org/10.1093/milmed/usad261
  • Noack D, Goeijenbier M, Reusken C, Koopmans MPG, Rockx BHG. Orthohantavirus Pathogenesis and Cell Tropism. Front Cell Infect Microbiol. 2020;10:399. https://doi.org/10.3389/fcimb.2020.00399
  • OSAH. Hantavirus: controle and prevention 2025. cited 2025. Beschikbaar via: https://www.osha.gov/hantavirus/prevention. Geraadpleegd op 3-7-2025.
  • Padula PJ, Edelstein A, Miguel SD, López NM, Rossi CM, Rabinovich RD. Hantavirus pulmonary syndrome outbreak in Argentina: molecular evidence for person-to-person transmission of Andes virus. Virology. 1998;241(2):323–30. https://doi.org/10.1006/viro.1997.8976
  • Pai RK, Bharadwaj M, Levy H, Overturf G, Goade D, Wortman IA, et al. Absence of infection in a neonate after possible exposure to sin nombre hantavirus in breast milk. Clin Infect Dis. 1999;29(6):1577-9. https://doi.org/10.1086/313523
  • Pedrosa PB, Cardoso TA. Viral infections in workers in hospital and research laboratory settings: a comparative review of infection modes and respective biosafety aspects. Int J Infect Dis. 2011;15(6):e366–76. https://doi.org/10.1016/j.ijid.2011.03.005
  • Princk C, Drewes S, Meyer-Schlinkmann KM, Saathoff M, Binder F, Freise J, et al. Cluster of human Puumala orthohantavirus infections due to indoor exposure?-An interdisciplinary outbreak investigation. Zoonoses Public Health. 2022;69(5):579-86. https://doi.org/10.1111/zph.12940
  • Reil D, Rosenfeld UM, Imholt C, Schmidt S, Ulrich RG, Eccard JA, et al. Puumala hantavirus infections in bank vole populations: host and virus dynamics in Central Europe. BMC Ecol. 2017;17(1):9. https://doi.org/10.1186/s12898-017-0118-z
  • Ren D, Fu S, Yan T, Ni T, Zhang Z, Zhang M, et al. The Clinical Characteristics and Outcomes of Hemorrhagic Fever With Renal Syndrome in Pregnancy. Front Med (Lausanne). 2022;9:839224. https://doi.org/10.3389/fmed.2022.839224
  • Reusken C, Cochez C, Schimmer B, Reimerink J, Heyman P. Hantavirusinfecties: situatie in Nederland, België en Europa. Tijdschr Infect. 2011;6:51-8.
  • Reusken C, Heyman P. Factors driving hantavirus emergence in Europe. Curr Opin Virol. 2013;3(1):92-9. https://doi.org/10.1016/j.coviro.2013.01.002
  • Reusken CBEM. Hantavirus infections in the Netherlands, a risk profile. 2009. Beschikbaar via: https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/330361001.pdf.
  • Riccò M, Peruzzi S, Ranzieri S, Magnavita N. Occupational Hantavirus Infections in Agricultural and Forestry Workers: A Systematic Review and Metanalysis. Viruses. 2021;13(11). https://doi.org/10.3390/v13112150
  • RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu ). Staat van zoönosen 2023. Bilthoven; 2024. Beschikbaar via: https://www.onehealth.nl/staat-van-zoonosen-2023.
  • Saavedra F, Díaz FE, Retamal-Díaz A, Covián C, González PA, Kalergis AM. Immune response during hantavirus diseases: implications for immunotherapies and vaccine design. Immunology. 2021;163(3):262-77. https://doi.org/10.1111/imm.13322
  • Sane J, Reimerink J, Harms M, Bakker J, Mughini-Gras L, Schimmer B, et al. Human hantavirus infections in the Netherlands. Emerg Infect Dis. 2014;20(12):2107-10. https://doi.org/10.3201/eid2012.131886
  • Schultze D, Lundkvist A, Blauenstein U, Heyman P. Tula virus infection associated with fever and exanthema after a wild rodent bite. Eur J Clin Microbiol Infect Dis. 2002;21(4):304-6. https://doi.org/10.1007/s10096-002-0705-5
  • Settergren B. Clinical aspects of nephropathia epidemica (Puumala virus infection) in Europe: a review. Scand J Infect Dis. 2000;32(2):125-32. https://doi.org/10.1080/003655400750045204
  • Sinisalo M, Vapalahti O, Ekblom-Kullberg S, Laine O, Mäkelä S, Rintala H, et al. Headache and low platelets in a patient with acute leukemia. J Clin Virol. 2010;48(3):159-61. https://doi.org/10.1016/j.jcv.2010.02.015
  • Swanink C, Reimerink J, Gisolf J, de Vries A, Claassen M, Martens L, et al. Autochthonous Human Case of Seoul Virus Infection, the Netherlands. Emerg Infect Dis. 2018;24(12):2158–63. https://doi.org/10.3201/eid2412.180229
  • Taori SK, Jameson LJ, Campbell A, Drew PJ, McCarthy ND, Hart J, et al. UK hantavirus, renal failure, and pet rats. Lancet. 2013;381(9871):1070. https://doi.org/10.1016/s0140-6736(13)60599-1
  • Tervo L, Mäkelä S, Syrjänen J, Huttunen R, Rimpelä A, Huhtala H, et al. Smoking is associated with aggravated kidney injury in Puumala hantavirus-induced haemorrhagic fever with renal syndrome. Nephrol Dial Transplant. 2015;30(10):1693-8. https://doi.org/10.1093/ndt/gfv273
  • Toledo J, Haby MM, Reveiz L, Sosa Leon L, Angerami R, Aldighieri S. Evidence for Human-to-Human Transmission of Hantavirus: A Systematic Review. J Infect Dis. 2022;226(8):1362-71. https://doi.org/10.1093/infdis/jiab461
  • Tortosa F, Perre F, Tognetti C, Lossetti L, Carrasco G, Guaresti G, et al. Seroprevalence of hantavirus infection in non-epidemic settings over four decades: a systematic review and meta-analysis. BMC Public Health. 2024;24(1):2553. https://doi.org/10.1186/s12889-024-20014-w
  • van der Klis FR, Mollema L, Berbers GA, de Melker HE, Coutinho RA. Second national serum bank for population-based seroprevalence studies in the Netherlands. Neth J Med. 2009;67(7):301-8.
  • Vial PA, Ferrés M, Vial C, Klingström J, Ahlm C, López R, et al. Hantavirus in humans: a review of clinical aspects and management. Lancet Infect Dis. 2023;23(9):e371-e82. https://doi.org/10.1016/s1473-3099(23)00128-7
  • Vial PA, Valdivieso F, Mertz G, Castillo C, Belmar E, Delgado I, et al. Incubation period of hantavirus cardiopulmonary syndrome. Emerg Infect Dis. 2006;12(8):1271-3.
  • Vlaanderen F, Cuperus T, Keur I, De Rosa H, Friesema IHM, Rietveld A, et al. Staat van Zoönosen 2020. 2021. Beschikbaar via: https://www.rivm.nl/publicaties/staat-van-zoonosen-2020.
  • Watson DC, Sargianou M, Papa A, Chra P, Starakis I, Panos G. Epidemiology of Hantavirus infections in humans: a comprehensive, global overview. Crit Rev Microbiol. 2014;40(3):261-72. https://doi.org/10.3109/1040841x.2013.783555
  • Witkowski PT, Perley CC, Brocato RL, Hooper JW, Jürgensen C, Schulzke JD, et al. Gastrointestinal Tract As Entry Route for Hantavirus Infection. Front Microbiol. 2017;8:1721. https://doi.org/10.3389/fmicb.2017.01721
  • Zeitz PS, Graber JM, Voorhees RA, Kioski C, Shands LA, Ksiazek TG, et al. Assessment of occupational risk for hantavirus infection in Arizona and New Mexico. J Occup Environ Med. 1997;39(5):463-7. https://doi.org/10.1097/00043764-199705000-00013
  • Zöller L, Faulde M, Meisel H, Ruh B, Kimmig P, Schelling U, et al. Seroprevalence of hantavirus antibodies in Germany as determined by a new recombinant enzyme immunoassay. Eur J Clin Microbiol Infect Dis. 1995;14(4):305-13. https://doi.org/10.1007/bf02116523