Samenvatting
Verwekker: bacterie Francisella tularensis
Incubatieperiode: 1-21 dagen (meestal 3-5 dagen)
Besmettingsweg: Direct contact met een besmet dier; beten van insecten of teken (vectoren) en vanuit een besmet milieu (bijvoorbeeld water)
Besmettelijke periode: Niet van toepassing
Maatregelen: Meldingsplichtige ziekte groep C. Brononderzoek. Opsporen personen die aan dezelfde bron zijn blootgesteld. Algemene voorzorgsmaatregelen
Symptomen: Diverse ziektebeelden, afhankelijk van porte d’entree. Meestal huidulcus met lymfeklierzwelling na besmetting via de huid. Van asymptomatisch tot ernstige ziekte met sepsis en orgaanfalen, afhankelijk van de subspecies, porte d’entree en dosis
blok
Deze richtlijn is ontwikkeld voor zorgprofessionals werkzaam binnen de infectieziektebestrijding. De primaire doelgroepen zijn GGD- en LCI-professionals. Deze richtlijn bevat adviezen, taken en verantwoordelijkheden en vormt een basis voor het nemen van geïnformeerde beslissingen en het maken van beleid in de praktijk. Voor meer informatie zie Ontwikkeling LCI-richtlijnen.
Vaststelling richtlijn door het (Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding): 19 mei 2026
De richtlijn is herzien door Jolanda Hoefnagel en Ayla Hesp (LCI, (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)). De veterinaire informatie is herzien door Jolianne Rijks (Dutch Wildlife Health Centre) en Miriam Koene (Wageningen Bioveterinary Research). De arbeidsgerelateerde aanvullingen zijn herzien door Marieke Wijffels-de Groot (LCI, RIVM).
De richtlijn is onderbouwd middels uitgebreid literatuuronderzoek. De onderbouwing is ontwikkeld door auteurs werkzaam bij de (Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding) en afgestemd met een klankbordgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de (Gemeentelijke gezondheidsdienst) en experts werkzaam bij (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit), DWHC, (Wageningen Bioveterinary research (voorheen Centraal veterinair instituut CVI)) en het (Centrum Infectieziektebestrijding).
Nieuw en anders in deze versie ten opzichte van de oude richtlijn:
- De richtlijn is in zijn geheel herzien, behalve Diagnostiek, dit volgt nog.
- De volgende bijlagen zijn komen te vervallen: ‘Behandeling tularemie’ en ‘Subsp. F.t. tularensis als biologisch wapen’.
De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen zijn:
- De incubatietijd is aangepast naar 1-21 dagen, conform (World Health Organization)-advies.
- Naast contact met hazen als risicosituatie is ook verblijf bij of op het water toegevoegd, bij Risicogroepen.
- Bij brononderzoek is, naast onderzoek aan dode dieren, ook omgevingsonderzoek mogelijk.
- Het beleid t.a.v. postexpositieprofylaxe is verduidelijkt, genuanceerd en onderbouwd middels uitgebreid literatuuronderzoek en bespreking van de uitkomsten in de klankbordgroep.
Achtergronden
Verwekker
Francisella tularensis (F.t.) is een kleine, gramnegatieve staafvormige bacterie, die moeilijk te kweken is vanwege zijn langzame groei. Van F.t. zijn vier subspecies bekend waaronder F.t. tularensis (voorheen bekend als type A) en F.t. holarctica (voorheen bekend als type B). Alleen F.t. tularensis en F.t. holarctica veroorzaken het ziektebeeld tularemie bij mensen (Antonello 2025). De in Europa voorkomende subspecies F.t. holarctica geeft een milder ziektebeeld dan F.t. tularensis. F.t. tularensis is zeer infectieus en geeft een ernstig ziektebeeld. Echter, dit subspecies komt alleen in Noord-Amerika voor. Indien F.t. tularensis in Europa vastgesteld wordt, dient men alert te zijn op opzettelijke verspreiding (Nelson 2025).
Epidemiologie
Verspreiding in de wereld
Tularemie komt voornamelijk op het noordelijk halfrond voor. In Noord-Amerika veroorzaakt subspecies F.t. tularensis de meerderheid van de humane gevallen van tularemie, F.t. holarctica speelt daar in minder mate een rol. In Europa en Azië is F.t. holarctica de verwekker van tularemie. Tularemie komt niet of nauwelijks voor in het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Afrika, Zuid-Amerika en Australië (Auwaerter 2019).
In Europa worden elk jaar 600-1320 humane gevallen van tularemie gemeld, overeenkomend met 0,14 tot 0,27 gevallen per 100.000 inwoners per jaar (European Food Safety 2024). Het aantal meldingen van tularemie is het hoogst in de Scandinavische landen, namelijk 0,87 tot 8,0 gevallen per 100.000 inwoners in de jaren 2019-2022 (European Food Safety 2024).
Voorkomen in Nederland
Na een eerste melding van tularemie in 1953 is er tot 2011 geen tularemie gemeld in Nederland. In de jaren 2011 tot en met 2025 zijn er 45 humane gevallen van tularemie gemeld, variërend van 0 tot 9 gevallen per jaar. Dit betrof met name de ulceroglandulaire en glandulaire vorm. De gevallen kwamen verspreid over het land voor. Bij acht gevallen werd aangenomen dat de infectie in het buitenland was opgelopen. Clusters van mensen blootgesteld aan dezelfde bron zijn zeldzaam.
Pathogenese
Na besmetting via huid of slijmvliezen vermeerdert F. tularensis zich de eerste drie tot vijf dagen ter plaatse van de porte d’entree, waarna ulceratie optreedt (Auwaerter 2019). De bacteriën verspreiden zich dan naar de regionale lymfeklieren. In sommige gevallen verspreidt de bacterie zich via het bloed naar organen zoals de longen of de lever. In de aangedane lymfeklieren en organen treedt necrose en granuloomvorming op (Auwaerter 2019).
De virulentie van F. tularensis is in belangrijke mate bepaald door het vermogen in cellen zoals macrofagen te kunnen overleven (Barel 2013). In het cytoplasma vertraagt F. tularensis de defensiemechanismen van de cel en vermeerdert zich totdat de gastheercel openbreekt en een nieuwe cyclus op gang komt (Auwaerter 2019).
Incubatieperiode
Meestal 3 tot 5 dagen (spreiding 1 tot 21 dagen) (Böhm 2022, Maurin 2016, (World Health Organization) 2007). Een langere incubatietijd is in zeldzame gevallen gerapporteerd (Darmon-Curti 2020).
Ziekteverschijnselen
Het beloop hangt af van de subspecies, de dosis, de porte d’entree en de immuunstatus van de persoon. Zowel asymptomatisch en subklinisch beloop als fulminant verloop met sepsis en multi-orgaanfalen komt voor.
Het ziektebeeld begint doorgaans met griepachtige symptomen, met een abrupte temperatuurstijging, hoofdpijn, spierpijn, koude rillingen en − bij de orofaryngeale vorm - keelpijn (Maurin 2016). Respiratoire symptomen, maar ook buikpijn en diarree kunnen optreden. Onbehandeld kan de koorts een maand aanhouden. Gewichtsverlies, klierzwellingen en algehele malaise kunnen maanden blijven bestaan (Auwaerter 2019).
Tularemie uit zich in de volgende verschillende ziektebeelden, afhankelijk van de porte d’entree. Van meest voorkomend naar minst voorkomend:
- Ulceroglandulaire tularemie: een ulcus, vaak op de plaats van blootstelling, in combinatie met regionale lymfeklierzwelling. Er kan een abces ontstaan. Ulcera op handen en armen zijn vaker het gevolg van blootstelling aan dieren, ulcera in de hoofdhalsregio, romp en benen zijn vaker het gevolg van blootstelling aan insecten of teken.
- Glandulaire tularemie: als (1), maar dan zonder ulcus of huidafwijking.
- Orofaryngeale tularemie: faryngitis, vaak chronisch en met lokale lymfeklierzwelling. Ontstaat na ingestie van bijvoorbeeld besmet drinkwater of vlees.
- Oculoglandulaire tularemie: conjunctivitis met lokale lymfeklierzwelling. Ontstaat na blootstelling via het oog.
- Pulmonale tularemie: atypische pneumonie. Doorgaans na inhalatie, soms verspreiding via het bloed. Dit is tevens het ziektebeeld na opzettelijke verspreiding via aerosolen (Dennis 2001).
- Typhoïdale tularemie: systemische infectie, lijkend op buiktyfus, met hoge koorts en een ernstig beloop. Neurologische verschijnselen zoals verwardheid komen voor (Maurin 2016).
- Intestinale tularemie: lokalisatie in de darm. Deze vorm van tularemie wordt soms als ‘typhoïdale tularemie’ geclassificeerd en kan ook gerelateerd zijn aan orofaryngeale tularemie (Appelt 2020).
Sterfte is zeer zeldzaam in Europa. Voordat antibiotica beschikbaar kwamen, was het sterftecijfer minder dan 1 procent in Europa. In Noord-Amerika was dit toen 3-5 procent, tot wel 30 procent bij pulmonale tularemie (Maurin 2016).
Natuurlijke immuniteit
Een doorgemaakte infectie zorgt voor antistofvorming in de tweede tot derde week na besmetting (Auwaerter 2019). Daarnaast ontstaat vanaf de tweede week na blootstelling cellulaire immuniteit, dit is noodzakelijk om de infectie te overwinnen. Er wordt verondersteld dat een natuurlijke infectie leidt tot langdurige beschermende immuniteit (Eneslätt 2011).
Reservoir
F.t. holarctica is in Europa met name in de Europese haas (Lepus europaeus) gevonden, maar ook in onder meer muizen, ratten, bevers, lemmings en woelmuizen (Gyuranecz 2011, Maurin 2016). Het is echter nog niet helemaal duidelijk welke diersoorten precies een rol spelen als reservoir. Zie ook Dierlijke reservoirs.
In Nederland is F.t. subspecies holarctica sinds 2013 jaarlijks gevonden in hazen (Lepus europaeus), en verder tweemaal in een bever (Castor fiber) in 2020 en 2021 en in 2023 ook in een eekhoorn in 2023. Ook is F.t. in oppervlaktewater gevonden (Rijks 2022).
F.t. holarctica kent twee onderling verbonden leefcycli: een cyclus op land, geassocieerd met hazen, knaagdieren, teken en dazen, en een cyclus in en rond het water, geassocieerd met zoogdieren die daar leven (zoals bevers) en besmet water, besmette modder en muggen (Maurin 2016).
Insecten en teken kunnen een rol spelen bij de transmissie, zie hieronder bij Transmissie.
Transmissie
Besmettingsweg
Besmetting is meestal percutaan leidend tot ulceroglandulaire tularemie. Orale besmetting is mogelijk via ingestie van besmet water of vlees, dit geeft een faryngeaal ziektebeeld (Larssen 2014). Inhalatie van aerosolen of stof met daarin F.t. holarctica veroorzaakt pulmonale tularemie (Maurin 2016).
Een belangrijke transmissieroute in Nederland is via contact met dieren, meestal hazen, door het hanteren (o.a. villen) van het dier of het eten van onvoldoende verhit (hazen)vlees (Rijks 2022). Daarnaast is transmissie mogelijk via blootstelling op of nabij het water via insectenbeten, via direct contact met water/modder (zwemmen of in het water staan) of mogelijk het inademen van waterdamp. Ook bij blootstelling op land kan men besmet raken via een insecten- of tekenbeet of via inhalatie van stof of aerosolen. Zie ook de Onderbouwing.
In Scandinavië worden muggen, met name Aedes-soorten, beschouwd als een belangrijke vector voor F.t. holarctica (Dryselius 2019, Foley 2010). Hoewel er in Scandinavië veel studies zijn verricht waaruit blijkt dat muggenbeten een risicofactor zijn voor tularemie-infectie, is het precieze mechanisme van overdracht van de bacterie door muggen onduidelijk (Herrera-Rodríguez 2024, Jonckers Nieboer 2023). In een groot onderzoek in Nederland bleken lokale muggen geen F.t. bij zich te dragen (Janse 2017). In Nederland zijn insectenbeten op of nabij het water gerapporteerd bij Nederlandse cases, maar de rol van muggen in de overdracht in Nederland is vooralsnog onduidelijk.
In met name studies in Frankijk worden teken als vector gezien (Darmon-Curti 2020, Mailles 2014). De rol van teken in Nederland in de transmissie is niet duidelijk: een groot aantal teken is onderzocht, waarbij geen F.t. werd aangetroffen (Janse 2017).
Besmettelijke periode
Niet van toepassing.
Besmettelijkheid
Besmetting van mens op mens is niet beschreven. F.t. leeft in oppervlaktewater en kan langdurig, in ieder geval gedurende maanden zonder gastheer overleven (Herrera-Rodríguez 2024, Janse 2018).
Risicogroepen
Verhoogde kans op infectie
In Nederland zijn de belangrijkste risicofactoren voor een infectie met F.t. holarctica: (1) contact met hazen, (2) blootstelling op of nabij water via insectenbeten, via direct contact met water/modder (zwemmen of in het water staan) of eventueel het inademen van waterdamp (Rijks 2022). Zie ook Besmettingsweg voor meer detail, en zie de Onderbouwing voor de risicofactoren in Europa.
Een deel van de besmettingen vindt plaats tijdens de beroepsuitoefening. Risicofactoren zijn agrarische en andere buitenactiviteiten waarbij contact is met water of modder, of inhalatie van stof of aerosolen plaatsvindt, bijvoorbeeld bij hooien of maaien (waarschijnlijk door het vermalen van besmette dieren) (Darmon-Curti 2020, Kravdal 2020, Rossow 2014). Blootstelling via inhalatie in een microbiologisch laboratorium komt in zeldzame gevallen voor (Aftab 2025). Zie ook de Arbeidsrelevante aanvullingen.
Verhoogde kans op ernstig beloop
De klinische vorm is bepalend voor een ernstig beloop; ziekenhuisopname en overlijden komt vaker voor bij de typhoïdale en pulmonale vorm van tularemie (Nelson 2025). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een late start van de antibiotische behandeling een verhoogd risico op ernstig beloop geeft (Penn 1987).
Er is beperkte literatuur over risicofactoren voor een ernstig beloop van tularemie. Alleen leeftijd en daarmee samenhangende comorbiditeit zijn aangetoond als significante risicofactoren (Widerström 2024), zie ook de Onderbouwing.
Er zijn aanwijzingen dat immuungecompromitteerden vaker een pulmonale tularemie ontwikkelen én vaker een bacteriemie met F.t. holarctica hebben vergeleken met immuuncompetente personen (Maurin 2023). Aangezien de immuniteit tegen F. tularensis T-cel-gemedieerd is, is het aannemelijk dat een gestoorde T-celimmuniteit een verhoogd risico geeft op een systemische infectie met F.t. (Maranan 1997, Sjöstedt 1994, Sjöstedt 1996).
Het is onduidelijk of zwangerschap een risicofactor is voor een ernstig beloop van tularemie. Ook is het onduidelijk of tularemie (mits behandeld) een risicofactor is voor een ongunstige uitkomst van de zwangerschap. De beschikbare literatuur bestaat uit slechts enkele case series en een review daarvan (Ata 2013, Fleck-Derderian 2024, Maurin 2023).
Behandeling
Er is geen bestaande (Stichting Werkgroep Antibioticabeleid)-richtlijn voor de behandeling van tularemie. In de literatuur worden fluorochinolonen (bijvoorbeeld ciprofloxacine) en daarnaast doxycycline en gentamicine genoemd als behandelopties voor tularemie (Maurin 2023, Nelson 2025). Zie ook informatie van de EMA over behandeling van de ziekte (EMA 2024).
Diagnostiek
Zie ook Diagnostisch Vademecum Tularemie.
Microbiologische diagnostiek
- Directe diagnostiek
- Indirecte diagnostiek
Directe diagnostiek
Gramkleuring:
F. tularensis kleurt in de gramkleuring doorgaans slecht aan. De kleine coccoïdestaafjes van F. tularensis zijn dan ook moeilijk te herkennen. Directe immunofluorescentie is mogelijk maar niet commercieel verkrijgbaar.
Bacteriële kweek:
De in Amerika voorkomende F.t. subsp. tularensis (ook wel aangeduid als Type A) dient onder BSL-3 condities gekweekt te worden. F.t. subsp. holartica (ook bekend als Type B), die in Europa voorkomt kan volgens (Europese Unie)-Richtlijn 2000/54/EG onder BSL-2 condities verwerkt worden. In de WHO Guidelines on Tularaemia (hoofdstuk 8.1.1.) wordt echter aanbevolen om alle handelingen met klinisch diagnostische monsters en het kweken van F.t. subspecies (subsp. tularensis, subsp. holarctica en subsp. Mediasiatica) onder BSL-3-omstandigheden uit te voeren.
F. tularensis groeit aeroob, traag, en vereist cysteïnebevattende voedingsbodems (Thayer-Martinmedium, thioglycolaatmedium, gebufferd charcoal-yeast-extractmedium (BCYE). Bloedkweekautomaten zijn in staat groei van F. tularensis te detecteren. Identificatie is mogelijk met behulp van 16S rRNA gen sequencing of met MALDI-TOF (matrix-assisted laser desorption ionization time-of-flight)-massaspectrometrie, indien de MALDI-TOF database F. tularensis-spectra bevat. Met verdere, vooralsnog niet commercieel verkrijgbare aanvullingen, kunnen de verschillende subspecies onderscheiden worden (analyse beschikbaar bij (Infectieziekteonderzoek, Diagnostiek en laboratorium Surveillance)-RIVM). Ook kunnen DNA-gerelateerde analyses gebruikt worden, zoals PCR gericht op species-specifieke targets. Hiermee kunnen de verschillende subspecies worden onderscheiden.
De in de diagnostiek gangbare biochemische reacties ter determinatie zijn beperkt bruikbaar; wel heeft de bacterie een unieke vetzuursamenstelling (vetzuuranalyse beschikbaar bij IDS-RIVM).
Moleculaire diagnostiek:
PCR kan verricht worden op weefselbiopten en punctaten uit bijvoorbeeld abcederende lymfeklieren en is met name bruikbaar in de eerste weken na infectie met F. tularensis. Moleculaire diagnostiek wordt in Nederland uitgevoerd door het Centrum Infectieziekteonderzoek, Diagnostiek en Screening (IDS) bij het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) te Bilthoven en bij Wageningen Bioveterinary Research te Lelystad.
Indirecte diagnostiek
Serologie:
Antistoffen tegen F. tularensis kunnen aangetoond worden met verschillende commercieel verkrijgbare methoden, waaronder een serumagglutinatietest. Antistoftiters zijn doorgaans negatief in de eerste ziekteweek. Na 2 weken zijn titers bij de meeste patiënten positief, met een piek na 4-5 weken. Hoge titers kunnen tot jaren na infectie persisteren. Vanwege mogelijke kruisreactiviteit met Brucella abortus-antigenen moet dit worden uitgesloten.
Dit onderzoek wordt in Nederland uitgevoerd door Wageningen Bioveterinary Research te Lelystad.
Typering voor bron- en contactonderzoek
Naast onderscheid tussen de verschillende subspecies, is met moleculaire methoden verdere typering mogelijk voor onderzoeksdoeleinden. Deze zijn o.a. beschikbaar bij Wageningen Bioveterinary Research te Lelystad.
Niet-microbiologische diagnostiek
Niet van toepassing.
Preventie
Immunisatie
Vaccinatie
Ondanks experimenten met levend verzwakt vaccin (LVS), is er geen vaccin geregistreerd in Europa of in de VS (Harrell 2024, Pasetti 2008). Wel is er onderzoek gaande met verschillende typen vaccins (Pasetti 2008).
Passieve immunisatie
Niet van toepassing.
Algemene preventieve maatregelen
Preventie van infectie met F. tularensis is gelegen in het vermijden van contact met (dode) hazen en het vermijden van insecten- en tekenbeten in gebieden waar hazen leven (CDC 2025). Zie ook de Onderbouwing.
Preventieve maatregelen zijn:
- Vermijd contact met dode dieren;
- Vermijd inslikken van potentieel besmet (oppervlakte)water;
- Bereid hazenvlees tot het door en door gaar is;
- Vermijd insecten- en tekenbeten door bedekkende kleding (lange broek, lange mouwen en sokken) te dragen. Onbedekte huid insmeren met een insecten- en tekenwerend middel zoals DEET of icaridin, zie ook de LCI-richtlijn Muggenwerende maatregelen;
- Controleer op tekenbeten (na verblijf in het groen) en verwijder teken zorgvuldig. Zie hiervoor de RIVM-webpagina Tekenbeten.
Specifieke adviezen voor jagers bestaan o.a. uit het gebruik van handschoenen en mondneusmaskers bij het hanteren van karkassen (van hazen) (Nothdurfter 2025).
Voor specifieke adviezen voor werknemers (o.a. in het groen, in de agrarische sector en in het laboratorium), zie de Arbeidsrelevante aanvullingen.
Reiniging, desinfectie en sterilisatie
Conform de richtlijn Reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg.
Maatregelen
Meldingsplicht
Tularemie is een meldingsplichtige ziekte groep C. Dit houdt in dat artsen en hoofden van laboratoria bij vaststelling van de infectieziekte of verwekker dit binnen 1 werkdag moeten melden aan de GGD.
De GGD meldt binnen 1 week conform de Wet publieke gezondheid gepseudonimiseerd aan het (Centrum Infectieziektebestrijding) en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.
Meldingscriteria
Elke persoon met ten minste één van de hieronder volgende klinische presentaties:
- huidulcus met regionale lymfadenopathie (ulceroglandulaire tularemie);
- vergrote en pijnlijke lymfeklieren zonder zichtbaar ulcus (glandulaire tularemie);
- vergrote en pijnlijke lymfeklieren met stomatitis en/of faryngitis en/of tonsillitis (orofaryngeale tularemie);
- conjunctivitis met regionale lymfadenopathie (oculoglandulaire tularemie);
- gastro-intestinale klachten (buikpijn, overgeven, diarree) (intestinale tularemie);
- longontsteking (met aanwijzingen op een longfoto) (pulmonale tularemie);
- sepsis of koorts zonder focus (typhoïdale tularemie);
in combinatie met
1 van de 3 genoemde laboratoriumcriteria:
- isolatie van Francisella tularensis, uit patiëntenmateriaal; of
- detectie van Francisella tularensis-nucleïnezuur uit patiëntenmateriaal; of
- een voor Francisella tularensis specifieke antistofrespons.
Inschakelen van andere instanties
Zie hieronder bij Bronopsporing voor de in te schakelen instanties bij brononderzoek.
Bron- en contactonderzoek
Bronopsporing
Bij een humaan geval van tularemie wordt door de GGD brononderzoek verricht.
Neem contact op met de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) als een brondier beschikbaar is voor onderzoek. Zie ook de veterinaire informatie.
Meld een mogelijke besmetting via voedsel (hazenvlees) aan de NVWA, zodat zij de bron kan opsporen en vaststellen of er nog meer besmet hazenvlees in de voedselketen kan zijn beland.
Mocht een patiënt mogelijk besmet zijn via (recreatie)water dan kan de GGD omgevingsonderzoek (d.m.v. watermonsters) overwegen. Dit kan via de LCI worden aangevraagd bij het Centrum Zoönosen en Omgevingsmicrobiologie (Z&O) van het RIVM.
Bronopsporing bij massale humane blootstelling vereist opsporingsmethoden in samenwerking met politie en justitie omdat opzettelijke verspreiding dan mogelijk is. De GGD zal eerst de LCI informeren en vervolgens politie en justitie inschakelen. Zie ook het Vademecum Zoönosen.
Contactonderzoek
Contacten die mogelijk blootgesteld zijn aan dezelfde bron met een risico op besmetting moeten actief en tijdig worden opgespoord.
Maatregelen ten aanzien van contacten van de bron
Contacten van dezelfde bron, die een risico op besmetting hebben gelopen, dienen gemonitord te worden. Hiertoe instrueert de GGD de blootgestelde om alert te zijn op het ontstaan van symptomen, en informeert ook diens huisarts ten aanzien van symptomen en diagnostiek. Bij hoog risico op besmetting kan dagelijkse temperatuurmeting gedurende 14 dagen worden geadviseerd.
Postexpositieprofylaxe
Postexpositieprofylaxe (PEP) met antibiotica na een blootstellingssituatie wordt niet standaard aanbevolen, zie ook de Onderbouwing.
Tularemie is zeldzaam en verloopt in Europa doorgaans mild. Het advies is om blootgestelde personen te monitoren en bij het ontstaan van symptomen te testen en laagdrempelig behandeling te starten.
In de volgende uitzonderingsgevallen kan (postexpositieprofylaxe) overwogen worden:
- Bij een blootstelling middels inhalatie in een microbiologisch laboratorium.
- Bij blootstelling aan Francisella tularensis subsp. tularensis als onderdeel van bioterrorisme.
Neem hierbij eventuele risicofactoren voor een ernstig beloop van tularemie mee in de overweging (leeftijd, comorbiditeit en eventueel ook afweerstoornissen). Indien wordt gekozen voor PEP dient binnen korte tijd (niet later dan 48 uur) gestart te worden met ciprofloxacine. Het alternatief is doxycycline. Bij beide middelen is gebruik als postexpositieprofylaxe niet geregistreerd en derhalve off-label. Voor informatie over dosering van PEP bij opzettelijke grootschalige verspreiding en andersoortige blootstelling wordt verwezen naar de richtlijn van de EMA. Voor mogelijke bijwerkingen, interacties, contra-indicaties en waarschuwingen, zie het Farmacotherapeutisch Kompas.
In beide genoemde situaties is monitoring van symptomen, eventueel met temperatuurmeting, een goed alternatief voor PEP.
Wering
Wering is niet van toepassing.
Arbeidsrelevante aanvullingen
Deze aanvullingen zijn geschreven voor en door bedrijfsartsen en beschrijven de preventieve maatregelen om het oplopen van infectieziekten tijdens het werk te voorkomen (werknemer als risicoloper) en de maatregelen/aanpassingen die genomen kunnen worden bij vaststelling van de infectieziekte bij de werknemer (werknemer als risicovormer). In de werksituatie gelden de Arbowet, het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) en de Europese Richtlijn 2000/54 gericht op preventie. Zie ook biologische agentia in de wet (Arboportaal.nl).
Ziekteverschijnselen in relatie tot arbeid
Zie de paragraaf Ziekteverschijnselen. Belastbaarheid in werk wordt bij tularemie in belangrijke mate bepaald door de uitingsvorm van de ziekte en de ernst van het beloop. De bedrijfsarts kan de beperkingen in relatie tot werkzaamheden duiden en adviseren over mogelijkheden.
Arbeidsgerelateerde risicogroepen
Risicolopers
Mensen met buitenberoepen lopen verhoogd risico op blootstelling via besmette dieren (met name hazen en knaagdieren), water, aarde, stof, aerosolen en via vectoren. Denk hierbij aan professionele jacht en faunabeheer (vooral bij hazenjacht), werkers in de agrarische sector en het groen (Darmon-Curti 2020) (Marx 2024) (Harrist 2019) (Sigaloff 2017) (Feldman 2003). Ook de groep dierenartsen of ander veterinair personeel kan, in zeldzame gevallen, risico lopen (Marx 2024).
Werkzaamheden met F. tularensis of daarmee besmet materiaal in humane of veterinaire laboratoria vormt een risico op blootstelling voor medewerkers. Uit beschrijvingen blijkt dat blootstelling vaker voorkomt wanneer er vooraf geen verdenking was op F. tularensis (Morse 2018).
Werknemers met een verhoogde kans op ernstig beloop
Voor (medische) risicogroepen zie Verhoogde kans op ernstig beloop. In de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) moet rekening zijn gehouden met de medische risicogroepen en de demografie van de werknemerspopulatie.
Preventieve maatregelen op het werk
De werkgever is in het kader van het Arbeidsomstandighedenbesluit verantwoordelijk voor de bescherming van werknemers in het algemeen en zwangere medewerkers in het bijzonder (Afdeling 9 Arbeidsomstandighedenbesluit). Zie ook het HSE-artikel Zwangerschap en werk.
Volg de Algemene preventieve maatregelen en bij preventieve maatregelen op het werk de bio-arbeidshygiënische strategie (Arboportaal.nl). De werknemer moet hierbij worden voorgelicht over de verschillende wijze van transmissie, het belang van hygiënemaatregelen en juiste toepassing van eventuele sectorafhankelijke en taakafhankelijke persoonlijke beschermingsmiddelen als beroepsmatig contact met mogelijk besmette (dode) dieren of een besmette omgeving niet te vermijden is.
Deze persoonlijke beschermingsmiddelen zijn:
- wegwerphandschoenen bij het hanteren van dode dieren;
- een veiligheidsbril bij spatrisico;
- een mondneusmaker (type FFP2) bij mogelijk aerosol- of stofvormende activiteiten;
- bij de werksituatie passende werkkleding.
Dit met juiste aan- en uitkleedprocedures, reiniging na de werkzaamheden en desinfectie na contact met lichaamsvloeistoffen, zie de Algemene hygiënerichtlijn (RIVM). Om besmetting via insectenbeten te voorkomen wordt bij buitenwerkzaamheden insectenwerkende middelen of -kleding geadviseerd.
F.t. tularensis valt onder categorie 3 van biologische agentia, F.t. holarctica valt onder categorie 2 van de biologische agentia (Richtlijn 2000/54/EG). Voor werken met F. tularensis in laboratoria gelden specifieke voorschriften zoals beschreven in Richtlijn 2000/54/EG en de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Microbiologie (Bitter 2021).
Als medewerkers blootgesteld kunnen worden aan biologische agentia van de categorie 3 of 4 is de werkgever verplicht een register bij te houden. Voor meer informatie en instructies zie: Arbobesluit artikel 4.90. Jeugdige werknemers verrichten geen arbeid met of worden niet blootgesteld aan biologische agentia van categorie 3 of 4 (Arbobesluit artikel 4.105). Ook zwangeren verdienen speciale aandacht (Arbobesluit artikel 4.107).
Maatregelen en wering van werk
Maatregelen
Zelfde als beschreven in de richtlijnparagraaf Maatregelen.
Wering van werk
Personen die betrokken zijn bij de bereiding en verwerking van voedsel zijn gehouden aan de wettelijke hygiënevoorschriften genoemd in de Europese wetgeving voor levensmiddelenhygiëne (EG 2004), die door de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) wordt gevolgd bij het houden van toezicht op levensmiddelenbedrijven. Hierin wordt gesteld dat personen die geïnfecteerde wonden hebben, geen levensmiddelen mogen hanteren als er kans bestaat op directe of indirecte verontreiniging. Voor deze medewerkers is werkaanpassing aangewezen, als potentiële verontreiniging niet door wondafdekking kan worden vermeden.
Melden als beroepsziekte
Indien de ziekte (waarschijnlijk) opgelopen tijdens de beroepsuitoefening is de bedrijfsarts verplicht (Arbobesluit artikel 9.3) om dit (online) te melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.
In de periode 2015-2025 zijn bij het (Nederlands Centrum voor Beroepsziekten) geen meldingen gedaan van beroepgerelateerde tularemie. In Osiris zijn in de periode vanaf november 2016 (startdatum van de meldingsplicht) tot en met december 2025 drie tularemie meldingen die gerelateerd zijn aan werkzaamheden in het groen en met dieren/dierproducten.
Literatuur
- Aftab H, Ronayne A, El-Galaly A, Foged C, Schønning K. Prosthetic joint infection as an unusual presentation of Francisella tularensis causing exposure of laboratory personnel. IDCases. 2025;39:e02195. https://doi.org/10.1016/j.idcr.2025.e02195
- Antonello RM, Giacomelli A, Riccardi N. Tularemia for clinicians: An up-to-date review on epidemiology, diagnosis, prevention and treatment. Eur J Intern Med. 2025;135:25–32. https://doi.org/10.1016/j.ejim.2025.03.013
- Appelt S, Faber M, Köppen K, Jacob D, Grunow R, Heuner K. Francisella tularensis Subspecies holarctica and Tularemia in Germany. Microorganisms. 2020;8(9):1448.
- Ata N, Kılıç S, Övet G, Alataş N, Çelebi B. Tularemia during pregnancy. Infection. 2013;41(4):753–6. https://doi.org/10.1007/s15010-013-0456-5
- Auwaerter PG, Penn RL. Francisella tularensis (Tularemia). In: J.E. B, R D, M.J. B, editors. Mandell, Douglas, and Bennett's principles and practice of infectious diseases. Philadelphia: Elsevier Saunders; 2019. p. 2759–73.
- Barel M, Charbit A. Francisella tularensis intracellular survival: to eat or to die. Microbes and Infection. 2013;15(14):989–97. https://doi.org/https://doi.org/10.1016/j.micinf.2013.09.009
- Bitter F, van den Berg L, Bleijs D, de Cock H, van Doorn J, van Driel H, et al. Veilig werken met micro-organismen, parasieten, en cellen in laboratoria en andere werkruimten. 5 ed. Bitter F, editor. Groenekan: KNVM; 2021.
- Böhm S, Vom Berge K, Hierhammer D, Jacob D, Grunow R, Riehm JM, et al. Epidemiological investigation of a tularaemia outbreak after a hare hunt in Bavaria, Germany, 2018. Zoonoses Public Health. 2022;69(2):106–16. https://doi.org/10.1111/zph.12899
- CDC. Preventing Tularemia 2025. Beschikbaar via: https://www.cdc.gov/tularemia/prevention/index.html. Geraadpleegd op 22-01-2026.
- Darmon-Curti A, Darmon F, Edouard S, Hennebique A, Guimard T, Martin-Blondel G, et al. Tularemia: A Case Series of Patients Diagnosed at the National Reference Center for Rickettsioses From 2008 to 2017. Open Forum Infect Dis. 2020;7(11):ofaa440. https://doi.org/10.1093/ofid/ofaa440
- Dennis DT, Inglesby TV, Henderson DA, Bartlett JG, Ascher MS, Eitzen E, et al. Tularemia as a biological weapon: medical and public health management. Jama. 2001;285(21):2763–73. https://doi.org/10.1001/jama.285.21.2763
- Dryselius R, Hjertqvist M, Mäkitalo S, Lindblom A, Lilja T, Eklöf D, et al. Large outbreak of tularaemia, central Sweden, July to September 2019. Euro Surveill. 2019;24(42). https://doi.org/10.2807/1560-7917.Es.2019.24.42.1900603
- EMA. EMA guidance document on the use of medicinal products for treatment and prophylaxis in case of exposure to biological agents used as weapons of terrorism, crime or warfare. Amsterdam: European Medicines Agency; 2024.12–07–2024 Beschikbaar via: https://www.ema.europa.eu/en/documents/regulatory-procedural-guideline/ema-guidance-use-medicinal-products-treatment-prophylaxis-case-exposure-biological-agents-used-weapons-terrorism-crime-or-warfare_en.pdf
- Eneslätt K, Rietz C, Rydén P, Stöven S, House RV, Wolfraim LA, et al. Persistence of cell-mediated immunity three decades after vaccination with the live vaccine strain of Francisella tularensis. Eur J Immunol. 2011;41(4):974–80. https://doi.org/10.1002/eji.201040923
- European Food Safety A, European Centre for Disease P, Control. The European Union One Health 2023 Zoonoses report. EFSA Journal. 2024;22(12):e9106. https://doi.org/https://doi.org/10.2903/j.efsa.2024.9106
- Feldman KA, Stiles-Enos D, Julian K, Matyas BT, Telford SR, 3rd, Chu (Medisch Centrum), et al. Tularemia on Martha's Vineyard: seroprevalence and occupational risk. Emerg Infect Dis. 2003;9(3):350–4. https://doi.org/10.3201/eid0903.020462
- Fleck-Derderian S, Davis KM, Winberg J, Nelson CA, Meaney-Delman D. Systematic Review of Tularemia During Pregnancy. Clin Infect Dis. 2024;78(Suppl 1):S47–s54. https://doi.org/10.1093/cid/ciad686
- Foley JE, Nieto NC. Tularemia. Vet Microbiol. 2010;140(3-4):332–8. https://doi.org/10.1016/j.vetmic.2009.07.017
- Gyuranecz M, Rigó K, Dán A, Földvári G, Makrai L, Dénes B, et al. Investigation of the ecology of Francisella tularensis during an inter-epizootic period. Vector Borne Zoonotic Dis. 2011;11(8):1031–5. https://doi.org/10.1089/vbz.2010.0091
- Harrell JE, Roy CJ, Gunn JS, McLachlan JB. Current vaccine strategies and novel approaches to combatting Francisella infection. Vaccine. 2024;42(9):2171–80. https://doi.org/10.1016/j.vaccine.2024.02.086
- Harrist A, Cherry C, Kwit N, Bryan K, Pappert R, Petersen J, et al. Francisella tularensis Exposure Among National Park Service Employees During an Epizootic: Devils Tower National Monument, Wyoming, 2015. Vector Borne Zoonotic Dis. 2019;19(5):316–22. https://doi.org/10.1089/vbz.2018.2360
- Hauri AM, Hofstetter I, Seibold E, Kaysser P, Eckert J, Neubauer H, et al. Investigating an airborne tularemia outbreak, Germany. Emerg Infect Dis. 2010;16(2):238–43. https://doi.org/10.3201/eid1602.081727
- Herrera-Rodríguez D, Jareño-Moreno S, Buch-Cardona C, Mougeot F, Luque-Larena JJ, Vidal D. Water and mosquitoes as key components of the infective cycle of Francisella tularensis in Europe: a review. Crit Rev Microbiol. 2024;50(5):922–36. https://doi.org/10.1080/1040841x.2024.2319040
- Janse I, Maas M, Rijks JM, Koene M, van der Plaats RQ, Engelsma M, et al. Environmental surveillance during an outbreak of tularaemia in hares, the Netherlands, 2015. Euro Surveill. 2017;22(35). https://doi.org/10.2807/1560-7917.Es.2017.22.35.30607
- Janse I, van der Plaats RQJ, de Roda Husman AM, van Passel MWJ. Environmental Surveillance of Zoonotic Francisella tularensis in the Netherlands. Front Cell Infect Microbiol. 2018;8:140. https://doi.org/10.3389/fcimb.2018.00140
- Jonckers Nieboer LFW, Fischer EAJ, Braks MAH. Available evidence for mosquito-borne Francisella tularensis transmission is inconclusive. Frontiers in Tropical Diseases. 2023;Volume 4 - 2023. https://doi.org/10.3389/fitd.2023.1230903
- Kravdal A, Stubhaug Ø O, Wågø AG, Steien Sætereng M, Amundsen D, Piekuviene R, et al. Pulmonary tularaemia: a differential diagnosis to lung cancer. ERJ Open Res. 2020;6(2). https://doi.org/10.1183/23120541.00093-2019
- Larssen KW, Bergh K, Heier BT, Vold L, Afset JE. All-time high tularaemia incidence in Norway in 2011: report from the national surveillance. Eur J Clin Microbiol Infect Dis. 2014;33(11):1919–26. https://doi.org/10.1007/s10096-014-2163-2
- Mailles A, Vaillant V. 10 years of surveillance of human tularaemia in France. Euro Surveill. 2014;19(45):20956. https://doi.org/10.2807/1560-7917.es2014.19.45.20956
- Maranan MC, Schiff D, Johnson DC, Abrahams C, Wylam M, Gerber SI. Pneumonic tularemia in a patient with chronic granulomatous disease. Clin Infect Dis. 1997;25(3):630–3. https://doi.org/10.1086/513777
- Marx GE, Curren E, Olesen M, Cronquist L, Schlosser L, Nichols M, et al. Tularemia From Veterinary Occupational Exposure. Clin Infect Dis. 2024;78(Suppl 1):S71–s5. https://doi.org/10.1093/cid/ciad687
- Maurin M, Gyuranecz M. Tularaemia: clinical aspects in Europe. Lancet Infect Dis. 2016;16(1):113–24. https://doi.org/10.1016/s1473-3099(15)00355-2
- Maurin M, Pondérand L, Hennebique A, Pelloux I, Boisset S, Caspar Y. Tularemia treatment: experimental and clinical data. Front Microbiol. 2023;14:1348323. https://doi.org/10.3389/fmicb.2023.1348323
- Morse S, Henkel R. Francisella tularensis: Understanding Reported Occupational Exposures and Laboratory Methods Used for the Identification of Francisella tularensis. Appl Biosaf. 2018;23(1):11–8. https://doi.org/10.1177/1535676017746695
- Nelson CA, Meaney-Delman D, Fleck-Derderian S, Winberg J, Mead PS. Tularemia Antimicrobial Treatment and Prophylaxis: CDC Recommendations for Naturally Acquired Infections and Bioterrorism Response - United States, 2025. (Morbidity and Mortality Weekly Report) Recomm Rep. 2025;74(2):1–33. https://doi.org/10.15585/mmwr.rr7402a1
- Pasetti MF, Cuberos L, Horn TL, Shearer JD, Matthews SJ, House RV, et al. An improved Francisella tularensis live vaccine strain (LVS) is well tolerated and highly immunogenic when administered to rabbits in escalating doses using various immunization routes. Vaccine. 2008;26(14):1773–85. https://doi.org/10.1016/j.vaccine.2008.01.005
- Penn RL, Kinasewitz GT. Factors associated with a poor outcome in tularemia. Arch Intern Med. 1987;147(2):265–8.
- Rijks JM, Tulen AD, Notermans DW, Reubsaet FAG, de Vries MC, Koene MGJ, et al. Tularemia Transmission to Humans, the Netherlands, 2011-2021. Emerg Infect Dis. 2022;28(4):883–5. https://doi.org/10.3201/eid2804.211913
- Rossow H, Ollgren J, Klemets P, Pietarinen I, Saikku J, Pekkanen E, et al. Risk factors for pneumonic and ulceroglandular tularaemia in Finland: a population-based case-control study. Epidemiol Infect. 2014;142(10):2207–16. https://doi.org/10.1017/s0950268813002999
- Sigaloff KCE, Chung PK, Koopmans J, Notermans DW, van Rijckevorsel GGC, Koene M, et al. First case of severe pneumonic tularemia in an immunocompetent patient in the Netherlands. Neth J Med. 2017;75(7):301–3.
- Sjöstedt A, Conlan JW, North RJ. Neutrophils are critical for host defense against primary infection with the facultative intracellular bacterium Francisella tularensis in mice and participate in defense against reinfection. Infect Immun. 1994;62(7):2779–83. https://doi.org/10.1128/iai.62.7.2779-2783.1994
- Sjöstedt A, North RJ, Conlan JW. The requirement of tumour necrosis factor-alpha and interferon-gamma for the expression of protective immunity to secondary murine tularaemia depends on the size of the challenge inoculum. Microbiology (Reading). 1996;142 ( Pt 6):1369–74. https://doi.org/10.1099/13500872-142-6-1369
- (World Health Organization). WHO Guidelines on Tularaemia. Switzerland: World Health Organization; 2007.2007 Beschikbaar via: https://iris.who.int/server/api/core/bitstreams/4e893be7-698a-44e4-a6c4-e62175e4307b/content.
- Widerström M, Mörtberg S, Magnusson M, Fjällström P, Johansson AF. Treatment Outcome of Severe Respiratory Type B Tularemia Using Fluoroquinolones. Clin Infect Dis. 2024;78(Suppl 1):S38–s46. https://doi.org/10.1093/cid/ciad690