Psittacose Richtlijn

Dit is een meldingsplichtige ziekte

C

Meldingsplichtige ziekte groep C

  • Laboratorium en behandelend arts melden binnen 1 werkdag aan de arts infectieziektebestrijding van de GGD.
  • De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid aan het CIb.
Chlamydia psittaci
Chlamydiosis
Ornithose
Papegaaienziekte

Samenvatting

Verwekker: bacterie Chlamydia psittaci
Besmettingsweg: Aerogeen (inhalatie) via contact met excreta van geïnfecteerde vogels
Incubatietijd: 1-4 weken
Besmettelijke periode: onbekend
Maatregelen: bron- en contactonderzoek op indicatie i.s.m. de NVWA en dierenartsen; voorlichting
Symptomen: varieert van (vrijwel) symptoomloos tot griepachtig ziektebeeld of ernstiger: pneumonie, sepsis met multi-orgaanfalen

Ziekte & Besmettelijkheid

Verwekker

C. psittaci behoort tot de familie van de Chlamydiaceae. Het wordt ondergebracht in het geslacht Chlamydia, samen met tien andere soorten (tabel 1):

Tabel 1. Soorten van het geslacht Chlamydia

 

Pathogeen voor de mens?

Primaire gastheer

C. abortus

Ja

Schapen en geiten

C. avium (Sachse 2014)

Onbekend

Vogels

C. caviae

Ja (Ramakers 2017)

Cavia’s

C. felis

Ja (Browning 2004)

Katten

C. gallinacea (Sac14)

Onbekend

Kippen

C. muridarum

Onbekend

Muizen, hamsters

C. pecorum

Mogelijk (Dean 2013)

Herkauwers, schapen (Polkinghorne 2009)

C. pneumoniae

Ja

Mens

C. psittaci

Ja

Vogels, waaronder eenden

C. suis

 

Mogelijk (Dean 2013)

Varkens, schapen (Becker 2007, Polkinghorne 2009)

C. trachomatis

Ja

Mens

 

Chlamydiaceae zijn obligaat intracellulaire gramnegatieve bacteriën die zich via binaire deling vermenigvuldigen. In tegenstelling tot alle andere bacteriesoorten zijn ze echter niet in staat zelf energie voor hun metabolisme aan te maken. Ook kunnen ze vrijwel geen aminozuren zelf aanmaken. Om deze behoefte te dekken, zijn ze volkomen afhankelijk van de gastheercellen waarbinnen ze aanwezig zijn.

Er zijn vijftien erkende C. psittaci genotypen bekend (A-F, WC, M56, E/B, 1V, 6N, MatI16, R54, YP84, CPX0308). Elk genotype heeft een voorkeur voor een bepaalde gastheer:

  • Genotype A voor papegaaiachtigen
  • Genotype B voor duiven
  • Genotypen C en E/B voor eenden en ganzen (Sachse 2008, Knittler 2015)
  • Genotype D voor kalkoenen
  • Genotype E voor o.a. duiven, kalkoenen, eenden en loopvogels (struisvogels, emoe’s, kiwi’s, etc.)
  • Genotype F voor papegaaiachtigen en kalkoenen
  • Genotype WC voor rundvee
  • Genotype M56 voor muskusratten
  • Over de overige genotypen (1V, 6N, MatI16, R54, YP84, CPX0308) is nog te weinig bekend om een uitspraak te kunnen doen over voorkeur voor een gastheer

In Nederland worden genotype A en B het meest frequent gevonden bij patiënten met een psittacose-infectie die bemonsterd werden (Heddema 2015, Teirlinck 2014). Recent is er, in vier C. psittaci samples, een 16e genotype aangetoond die het meest overeenkomt met genotype C (Heddema 2015).

Pathogenese

C. psittaci is een obligaat intracellulaire bacterie met een unieke bifasische ontwikkelingscyclus. Het heeft twee morfologische stadia, zoals andere Chlamydia:

  • het infectieuze, maar metabool inactieve elementaire deeltje (Elementary Body, EB)
  • het niet-infectieuze, maar metabool actieve en grotere reticulaire lichaampje (Reticulate Body, RB).

Het infectieuze deeltje is in staat buiten de gastheer te overleven. Deze deeltjes die zich bevinden in (gedroogde) excreta van vogels (oogvocht, snot of uitwerpselen) kunnen via inhalatie een infectie tot stand brengen bij de mens. Na inhalatie bindt het deeltje aan het celoppervlak en wordt opgenomen in de cel. In de cel gaat het deeltje niet dood, maar ontwikkelt zich tot een niet-infectieus deeltje, deelt zich vervolgens en rijpt dan uit tot nieuwe infectieuze deeltjes. Die verlaten na 48 tot 72 uur de cel om daarna weer nieuwe cellen te infecteren waardoor de cyclus zich herhaalt (Vanrompany 1995, Dautry 2004).

Na toegang via de respiratoire route kan C. psittaci invasief worden en een systemische infectie tot stand brengen. In de vroege fase van de ziekte is er een bacteriëmie (Mahony 2003).

Incubatieperiode

Meestal 5-14 dagen maar kan oplopen tot een maand (Yung 1988, NASPHV 2008).

Ziekteverschijnselen

De ernst van de ziekte kan variëren van geen of milde griepachtige klachten (koorts, hevige hoofdpijn, spierpijn, hoesten, rillen en zweten) tot levensbedreigende of dodelijke vormen met mogelijk:

  • pneumonie;
  • pericarditis;
  • endocarditis;
  • myocarditis;
  • of een septisch ziektebeeld met multi-orgaanfalen.

Pneumonie is de meest bekende uitingsvorm van de ziekte. Op een röntgenfoto presenteert deze zich als een interstitiële of lobaire pneumonie. De symptomen zijn erg algemeen van aard: hoesten, kortademigheid en soms sputumproductie. Frequent wordt hevige hoofdpijn als symptoom genoemd.

Twee studies met respectievelijk 48 en 42 serologisch en/of PCR-bevestigde C. psittaci-patiënten beschreven psittacose-gerelateerde symptomen: 52-95% koorts, 23-33% hoofdpijn, 21-25% hoesten, 23-33% spierpijn, 5-10% diarree, en 3-19% klachten van benauwdheid (Telfer 2005, Branley 2014). Beide studies zijn in Australië uitgevoerd in het Blue Mountain district. De eerste studie betreft een mogelijke Australische uitbraak in 2002 van 59 patiënten (Telfer 2005), de tweede studie is een cohortstudie uitgevoerd tussen 2003 en 2009 over klinische kenmerken van nieuwe C. psittaci-patiënten (Branley 2014).

In 2017 werd 85% van de gemelde patiënten in Nederland ten gevolge van de ziekte in het ziekenhuis opgenomen (RIVM 2018). Er is sprake van een sterke onderdiagnostiek van minder ernstig verlopende infecties. Met adequate antibiotische behandeling is de mortaliteit minder dan 1% (Yung 1988).

Natuurlijke immuniteit

Na infectie ontstaat waarschijnlijk geen langdurige immuniteit. Na infectie komt een tijdelijke antistofreactie op gang (Knittler 2014). Het aantal symptomatische C. psittaci-infecties bij een risicogroep met verhoogde kans op infectie als werkers in kalkoenen- of kippenslachthuis is echter dusdanig laag (ondanks hoge percentages PCR- en serologisch positieve kalkoenen, kippen én medewerkers), dat er mogelijk toch van enige immuniteit sprake is (Dickx 2010).

Soms kan C. psittaci leiden tot een chronische infectie. Het is nog onduidelijk waardoor en wanneer dit precies ontstaat en percentages zijn onbekend. Mogelijk is het een kwestie van een onvolledig geklaarde primaire infectie (Hogan 2004). Of, zoals in vitro wordt gezien, door ontwikkeling van C. psittaci naar een niet-replicerende, persisterende staat (Wyrick 2010).

Er is momenteel weinig bewijs voor een duidelijk beschermend effect van moedermelk tegen Chlamydia-infecties (Lampe 1998, Skinner 2010).

Reservoir

Niet van toepassing.

Besmettingsweg

Besmetting vindt plaats via:

  • Met name aerogeen contact met (opgedroogde) excreta van geïnfecteerde vogels. De besmetting komt vervolgens tot stand via inhalatie van de EB’s (Elliot 2001).
  • Waarschijnlijk is er ook een verhoogde kans door transmissie via besmette veren en karkassen van vogels in het wild tijdens tuinieren en grasmaaien indien het gras niet wordt opgevangen (Beeckman 2009, Telfer 2005).

Besmetting van mens op mens werd tot voor kort als zeer onwaarschijnlijk beschouwd. Voor de jaren ‘90 is er in dit opzicht verwarring, omdat C. pneumoniae toen nog niet van C. psittaci werd onderscheiden. In 2012 en 2014 zijn twee cohorten beschreven waarin mens-op-mens besmetting waarschijnlijk wordt geacht. In beide studies was er primair sprake van een ernstig zieke psittacosepatiënt, waarna zowel familieleden als gezondheidszorgmedewerkers in een korte periode erna ook met C. psittaci besmet zijn geraakt, zonder evident vogelcontact te hebben gehad (Wallensten 2014, McGuigan 2012).

Besmettelijke periode

Onbekend.

Besmettelijkheid

Diagnostiek

Met medewerking van de NVMM. Conceptversie 5 november 2019 (definitieve versie verwacht november 2019).

Zie ook het Diagnostisch Vademecum Chlamydia.

Microbiologische diagnostiek

Directe diagnostiek

De directe detectie berust op moleculaire detectie als onderdeel van een real time-multiplex-PCR voor respiratoire pathogenen of op speciale aanvraag als een zelfstandig target. Respiratoir materiaal verkregen via uitstrijk of spoelsels van de keel, sputum, of broncheo-alveolaire lavage (BAL) zijn geschikt. Hoe dieper uit de luchtwegen het materiaal verkregen is, hoe groter de kans op positiviteit, dus BAL of sputum hebben de voorkeur indien beschikbaar. Er is kruisreactiviteit mogelijk, afhankelijk van de testopzet, met andere zoönotische chlamydiasoorten zoals C. caviae en C. abortus. Directe kweek uit lichaamsmaterialen is complex en moet in een virologisch laboratorium worden uitgevoerd, omdat het op cellijnen moet gebeuren. Deze kweek is niet routinematig beschikbaar voor diagnostiek.  

Indirecte diagnostiek

De serologie berust op tweepuntsserologie. Een positieve IgM moet altijd bevestigd worden door IgG-titerstijging. Eenpuntsserologie is onbetrouwbaar. Mogelijke technieken zijn micro-immunofluorescentie (MIF), enzyme immuno assay (EIA), complementbinding en recombinant line blot. De complementbinding wordt door steeds meer laboratoria verlaten. Micro-immunofluorescentie is in Nederland nauwelijks routinematig beschikbaar. De recombinant line blot lijkt, op grond van tot nu toe beperkte validatie, in staat te zijn C. psittaci te onderscheiden van de andere relevante chlamydiasoorten. Een titer van 1:16 en groter in de CBR is suggestief voor een infectie, maar moet bevestigd worden met tweepuntsserologie. Zowel bij de EIA als de CBR zijn kruisreacties binnen de chlamydiasoorten een groot probleem. Dit is het duidelijkst zichtbaar in de MIF, de gouden standaard, waarbij in één gezichtsveld de 3 antigenen (elementair lichaampjes) zijn samengebracht van de verschillende relevante chlamydiasoorten. De sterkste en daarmee verst door te verdunnen immunofluorescentie bepaalt welke chlamydiasoort de infectie heeft veroorzaakt.

Typering voor bron- en contactonderzoek

Ter ondersteuning van brononderzoek is OmpA-genotypering op geïsoleerd DNA of klinisch materiaal beschikbaar. Met dit onderzoek is typering van alle bekende OmpA genotypen (A t/m F, E/B, WC, M56) van C. psittaci en identificatie van C. abortus mogelijk. Met aanvullend onderzoek is ook onderscheid van C. psittaci, C. caviae en C. felis mogelijk. Zie Diagnostisch Vademecum Chlamydia.

Risicogroepen

Verhoogde kans op infectie

Mensen die beroepshalve of via hun hobby in nauw contact komen met mogelijk geïnfecteerde vogels hebben een verhoogde kans op besmetting. Zie Arbeidsgerelateerde risicogroepen.

Verhoogde kans op ernstig beloop

Er is ernstig beloop van infecties met C. psittaci beschreven tijdens de zwangerschap, maar evenzeer bij immuungecompromitteerde volwassenen (Idu 1998, Johnson 1996, Gacouin 2012, Speelberg 2014).

Epidemiologie

Verspreiding in de wereld

Psittacose komt wereldwijd voor. Psittacose komt zowel sporadisch als in clusters voor. In een aantal landen is psittacose een meldingsplichtige ziekte, maar onderrapportage en onderdiagnostiek is zeer waarschijnlijk (Harkinezhad 2009). Waarschijnlijk wordt ongeveer 1% van alle CAP’s (community-acquired pneumonieën) veroorzaakt door C. psittaci. Een meta-analyse uit 2017 met 57 studies toont een incidentie die varieert van 0 tot 6.7% (Hogerwerf 2017).

De variatie aan gerapporteerde incidentie komt waarschijnlijk door onderrapportage, omdat er zonder duidelijk vogelcontact niet aan gedacht wordt, en gebrek aan het verrichten van psittacosediagnostiek. Het ontbreken van duidelijke vogelcontacten in het recente verleden sluit psittacose zeker niet uit.

Voorkomen in Nederland

In 2017 was het aantal meldingen van psittacose 52. Dit aantal is vergelijkbaar met het aantal meldingen in de jaren 2012-2016, toen het jaarlijks aantal meldingen varieerde van 41-60, maar lager dan in de jaren 2008-2011 toen dat er 70-80 per jaar waren. Het is onbekend of de daling van de afgelopen jaren komt doordat de incidentie van C. psittaci daadwerkelijk daalt, of dat er minder diagnostiek naar wordt verricht. Vermoedelijk is er sprake van een sterke onderdiagnostiek van minder ernstig verlopende infecties.

Preventie

Immunisatie

Er is geen vaccin beschikbaar voor C. psittaci. Wel wordt er veel onderzoek verricht naar T-cel vaccinatie voor met name C. trachomatis (Karunakaran 2010, Picard 2012, Li 2013).

Algemene preventieve maatregelen

Een deel van de algemene preventieve maatregelen moet op een beleidsmatig niveau genomen worden buiten het bereik van deze richtlijn. Hierbij moet men bijvoorbeeld denken aan het beperken van handel in geïmporteerde vogels en het testen van vogels op C. psittaci voordat verkoop in winkels is toegestaan (Scientific Committee on animal health and animal welfare EU 2002, Smith 2010, Halsby 2014).

De maatregelen die binnen het bereik van de dagelijkse praktijk liggen:

  • Voorkom stofvorming; gebruik bijvoorbeeld geen hogedrukreinigers of stofzuigers zonder geschikt filter. Maak kooien van (mogelijk) besmette dieren nat schoon.
  • Draag handschoenen, beschermende kleding en een mond-neusmasker (FFP2) tijdens contact met mogelijk besmette vogels;
  • Maak vogels die geen contact hebben met wilde vogels en waarmee intensief contact bestaat C. psittaci-vrij (Smith 2010).
  • Indien een vogel als huisdier gehouden gaat worden kan deze i.o.m. de dierenarts op C. psittaci-infectie of dragerschap getest worden wanneer de vogelhandelaar dit nog niet heeft gedaan (Scientific Committee on animal health and animal welfare EU 2002). Tevens is de dierenarts de aangewezen persoon om verdachte, zieke vogels te beoordelen en eventueel te behandelen.

Reiniging, desinfectie en sterilisatie

Maatregelen

Meldingsplicht

Psittacose is een meldingsplichtige ziekte groep C. Het laboratorium en de arts melden een geval van psittacose binnen 1 werkdag aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid binnen 3 dagen aan het CIb en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.

Meldingscriteria:

Een patiënt met een PCR positief voor C. psittaci-DNA van een respiratoir monster, bloed, serum of plasma.

OF

Een patiënt met een pneumonie, pericarditis, endocarditis, of myocarditis in combinatie met een viervoudige titerstijging vastgesteld met behulp van CBR of MIF in een acuut en convalescent serummonster OF een ELISA waarbij een verdubbeling van de IgM of een verdrievoudiging van de IgG of een verdubbeling van de IgA in combinatie met een verdubbeling van de IgG aangetoond is.

Inschakelen van andere instanties

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Melden verdenking psittacose bij Landelijk meldpunt dierziekten.

Bronopsporing

De GGD inventariseert of er een aannemelijke bron voor de ziekte gevonden kan worden en onderzoekt of het een geïsoleerd geval betreft of dat er recent meer meldingen geweest zijn van psittacose die een gezamenlijke bron kunnen hebben. Er wordt vooral gezocht naar vogelcontact of contact met uitwerpselen van vogels. Op basis van het genotype kan eventueel gerichter gezocht worden.

Bronopsporingstool

Vanaf 1 oktober 2015 loopt er een landelijk project om de bronopsporing bij psittacose te verbeteren: het project Plat4m-2Bt-psittacosis. Onderdelen ervan zijn onder meer een gestructureerde vragenlijst voor de GGD om mogelijke bronnen uit te vragen en meer samenwerking met de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) om mogelijke bronnen te bemonsteren. Tot juli 2016 was er een losse vragenlijst die gemaild kon worden naar de NVWA en het RIVM. Vanaf 8 juli 2016 is de gestructureerde vragenlijst voor GGD en NVWA opgenomen in OSIRIS in extra tabbladen. Een belangrijk doel van de uitbreiding is het faciliteren van efficiënte en effectieve gegevensuitwisseling tussen GGD en NVWA.

Contactonderzoek

Wanneer een dier de bron is van meerdere dierlijke besmettingen kan de NVWA besluiten tot een bron-/contactonderzoek. Wanneer er sprake is van een geval van psittacosis bepaalt de GGD het beleid voor contactonderzoek (Smith 2010).

Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

De patiënt moet op de hoogte gebracht worden van de zoönotische aard van de aandoening. Indien de bron niet geëlimineerd kan worden is er kans op nieuwe infecties. Indien de bron bekend is moet deze in isolatie geplaatst en behandeld worden. Het vogelverblijf moet schoongemaakt en gedesinfecteerd worden, zie Reiniging, desinfectie en sterilisatie.

Wering van werk, school, kinderdagverblijf of consultatiebureau

Mens-op-mens besmetting is uiterst zeldzaam. Wering is daarom niet nodig.

Profylaxe & Behandeling

Profylaxe

Geen.

Behandeling

Doxycycline 100 mg eenmaal daags voor 10-14 dagen met eenmalig een oplaaddosis van 200 mg op de eerste dag. Macroliden (zoals claritromycine en erytromycine) zijn tweede keus indien tetracyclinen gecontraïndiceerd zijn.

Bij zwangerschap wordt erytromycine aanbevolen. In vitro is C. psittaci ook gevoelig voor de quinolonen zoals ciprofloxacine. In de klinische setting is de meeste ervaring opgedaan met de tetracyclinen. Zie ook SWAB: https://adult.swabid.nl/nl.

Historie

  • In 1879 beschreef de Zwitserse arts Jakob Ritter voor het eerst zeven gevallen van longontsteking die ontstonden na contact met recent geïmporteerde papegaaien en vinken. Hij noemde deze ziekte pneumotyfus, naar de hoofddiagnose pneumonie, met tyfus als differentiaaldiagnose. (Harkinezhad 1985, Pospischil 2009)
  • In 1892 werd de naam psittacose voor deze ziekte geïntroduceerd. Deze naam is afgeleid van het Griekse woord voor papegaai, psittakos (Πσιττακος).
  • In 1930 werd het ‘psittacosevirus’ voor het eerst geïsoleerd als veroorzaker van psittacose.
  • Later bleek dat het niet een virus betrof, maar een obligaat intracellulair groeiende bacterie.
  • Verschillende kleine uitbraken zijn gerapporteerd over de decennia en in 1929/1930 was er sprake van een epidemie in Europa en Amerika, met 766 ziektegevallen waarvan 112 mensen overleden.

Literatuur

  • Becker A, Lutz-Wohlgroth L, Brugnera E, Lu ZH, Zimmermann DR, Grimm F, Grosse Beilage E, Kaps S, Spiess B, Pospischil A, Vaughan L. Intensively kept pigs pre-disposed to chlamydial associated conjunctivitis. J Vet Med A Physiol Pathol Clin Med. 2007 Aug;54(6):307-13.
  • Beeckman DS, Vanrompay DC. Zoonotic Chlamydophila psittaci infections from a clinical perspective. Clin Microbiol Infect. 2009 Jan;15(1):11-7.
  • Branley JM, Weston KM, England J, Dwyer DE, Sorrell TC. Clinical features of endemic community-acquired psittacosis. New Microbes New Infect. 2014;2:7-12.
  • Browning GF. Is Chlamydophila felis a significant zoonotic pathogen? Aust Vet J. 2004 Nov;82(11):695-6.
  • Capelastegui A, Espana PP, Bilbao A, Gamazo J, Medel F, Salgado J, et al. Etiology of community-acquired pneumonia in a population-based study: Link between etiology and patients characteristics, process-of-care, clinical evolution and outcomes. BMC Infect Dis. 2012;12(1):134.
  • Cartwright KA, Caul EO, Lamb RW. Symptomatic Chlamydia psittaci reinfection. Lancet  1988;1:1004.
  • Charles PG, Whitby M, Fuller AJ, Stirling R, Wright AA, Korman TM, et al. The etiology of community-acquired pneumonia in Australia: why penicillin plus doxycycline or a macrolide is the most appropriate therapy Clin Infect Dis 2008;46:1513-1521.
  • Compendium of measures to control c. psittaci infection among humans (psittacosis) and pet birds (avian chlamydiosis), 2010 National association of state public health veterinarians (NASPHV) http://www.nasphv.org/Documents/Psittacosis.pdf  
  • Dautry-Varsat A, Balañá ME, Wyplosz B. Chlamydia--host cell interactions: recent advances on bacterial entry and intracellular development. Traffic. 2004;5:561-70.
  • Dean D, Rothschild J, Ruettger A, Kandel RP, Sachse K. Zoonotic Chlamydiaceae species associated with trachoma, Nepal. Emerg Infect Dis. 2013 Dec;19(12):1948-55.
  • Dickx V, Geens T, Deschuyffeleer T, Tyberghien L, Harkinezhad T, Beeckman DS, Braeckman L, Vanrompay D. Chlamydophila psittaci zoonotic risk assessment in a chicken and turkey slaughterhouse. J Clin Microbiol. 2010 Sep;48:3244-50.
  • Dijkstra F, Stenvers O. Toename van individuele gevallen en clusters van psittacose in 2005. Infectieziekten Bulletin 2006;17(1):5-7.
  • Dorrestein GM, Wiegman L J. Inventory of the shedding of Chlamydia psittaci by parakeets in the Utrecht area using ELISA. Tijdschr.Diergeneeskd. 1989;114:1227-1236.
  • Elbagir A, Petterson M, Lindahl M, Genç M, Fröman G, Mårdh PA. Influence of whole human milk, and fractions thereof, on inclusion-formation of Chlamydia trachomatis in McCoy cells. APMIS, 1990;98(7):609-14.
  • Elliot JH. Psittacosis. A flu like syndrome. Aust fam physician. 2001;30(8):739-41
  • Gacouin A, Revest M, Letheulle J, Fillatre P, Jouneau S, Piau C, Uhel F, Tattevin P, Le Tulzo Y. Distinctive features between community-acquired pneumonia (CAP) due to Chlamydophila psittaci and CAP due to Legionella pneumophila admitted to the intensive care unit (ICU). Eur J Clin Microbiol Infect Dis. 2012;31:2713-8.
  • Gosbell IB, Ross AD, Turner IB. Chlamydia psittaci infection and reinfection in a veterinarian. Aust Vet J. 1999;77:511-3.
  • Haag-Wackernagel D, Moch H. Health hazards posed by feral pigeons. J.Infect. 2004;48: 307-313.
  • Halsby KD, Walsh AL, Campbell C, Hewitt K, Morgan D. Healthy animals, healthy people: zoonosis risk from animal contact in pet shops, a systematic review of the literature. PLoS One. 2014;9(2):e89309.
  • Harkinezhad T, Verminnen K, De Buyzere M, Rietzschel E, Bekaert S, Vanrompay D. Prevalence of Chlamydophila psittaci infections in a human population in contact with domestic and companion birds. J Med Microbiol. 2009 Sep;58:1207-12.
  • Harkinezhad T. Chlamydophila psittaci infections in birds: a review with emphasis on zoonotic consequences. Veterinary microbiology 135 (2009) 68-77
  • Harris RL, Williams T W Jr. "Contribution to the Question of Pneumotyphus": a discussion of the original article by J. Ritter in 1880. Rev.Infect.Dis. 1985;7:119-122.
  • Heddema ER, van Hannen EJ, Duim B, de Jongh BM, Kaan JA, van Kessel R, Lumeij JT, Visser CE, Vandenbroucke-Grauls CM. An outbreak of psittacosis due to Chlamydophila psittaci genotype A in a veterinary teaching hospital. J Med Microbiol. 2006 Nov;55(Pt 11):1571-5.
  • Heddema ER, Sluis S Ter, Buys JA, Vandenbroucke-Grauls CM, Wijnen JH van, Visser CE. Prevalence of Chlamydophila psittaci in fecal droppings from feral pigeons in Amsterdam, The Netherlands. Appl.Environ.Microbiol. 2006;72:4423-4425.
  • Heddema ER, van Hannen EJ, Bongaerts M, Dijkstra F, Ten Hove RJ, de Wever B, Vanrompay D. Typing of Chlamydia psittaci to monitor epidemiology of psittacosis and aid disease control in the Netherlands, 2008 to 2013. Euro Surveill. 2015;20(5):21026.
  • Henry K, Crossley K. Wild-pigeon-related psittacosis in a family. Chest, 1986;90:708-710.
  • Herrera-González N, Guerra-lnfante FM. Serological evidence of infection by three species of Chlamydia in pregnant women in Mexico. Ginecol Obstet Mex. 2014;82:585-90.[Abstract only]
  • Hogan RJ, Mathews SA, Mukhopadhyay S, et al. Chlamydial persistence: beyond the biphasic paradigm. Infect Immun, 2004;72:1843–55
  • Hogerwerf L, de Gier B, Baan B, van der Hoek W. Chlamydia psittaci (psittacosis) as a cause of community-acquired pneumonia: a systematic review and meta-analysis. Epidemiol Infect. 2017 Nov;145(15):3096-3105.
  • Hughes C, Maharg P, Rosario P, Herrell M, Bratt D, Salgado J, et al. Possible nosocomial transmission of psittacosis. Infect.Control Hosp.Epidemiol. 1997;18:165-168.
  • Huminer D, Samra Z, Weisman Y, Pitlik S. Family outbreaks of psittacosis in Israel. Lancet 1988;2:615-618.
  • Idu SR, Zimmerman C, Mulder L, Meis JF. A very serious course of psittacosis in pregnancy. Ned.Tijdschr.Geneeskd. 1988;142:2586-2589.
  • Johnson SR, Pavord ID. Grand Rounds--City Hospital, Nottingham. A complicated case of community acquired pneumonia. BMJ 1996;312:899-901.
  • Karunakaran KP, Yu H, Foster LJ, Brunham RC. Development of a Chlamydia trachomatis T cell Vaccine. Hum Vaccin. 2010;6:676-80.
  • Kemmerling K, Müller U, Mielenz M, Sauerwein H. Chlamydophila species in dairy farms: polymerase chain reaction prevalence, disease association, and risk factors identified in a cross-sectional study in western Germany. J Dairy Sci. 2009 Sep;92(9):4347-54.
  • Knittler MR, Sachse K. Chlamydia psittaci: update on an underestimated zoonotic agent. Pathog Dis. 2015;73:1-15.
  • Lagae S. Emerging Chlamydia psittaci infections in chickens and examination of transmission to humans. J. of Medical microbiology papers in press. Published December 9, 2013 as doi: 10.1099/jmm.0.064675-0
  • Lampe MF, Ballweber LM, Isaacs CE, Patton DL, Stamm WE. Killing of Chlamydia trachomatis by novel antimicrobial lipids adapted from compounds in human breast milk. Antimicrob Agents Chemother. 1998;42(5):1239-44.
  • Laroucau K, Aaziz R, Meurice L, Servas V, Chossat I, Royer H, de Barbeyrac B, Vaillant V, Moyen JL, Meziani F, Sachse K, Rolland P. Outbreak of psittacosis in a group of women exposed to Chlamydia psittaci-infected chickens. Euro Surveill. 2015;18;20.
  • Lee SJ, Lee MG, Jeon MJ, Jung KS, Lee HK, Kishimoto T. Atypical pathogens in adult patients admitted with community-acquired pneumonia in Korea. Jpn J Infect Dis 2002;55:157-159.
  • Lenzko H, Moog U, Henning K, Lederbach R, Diller R, Menge C, Sachse K, Sprague LD. High frequency of chlamydial co-infections in clinically healthy sheep flocks. BMC Vet Res. 2011;7:29.
  • Li W, Murthy AK, Lanka GK, Chetty SL, Yu JJ, Chambers JP, Zhong G, Forsthuber TG, Guentzel MN, Arulanandam BP. A T cell epitope-based vaccine protects against chlamydial infection in HLA-DR4 transgenic mice. Vaccine. 2013;19;31:5722-8.
  • Liu S, Sun W, Chu J, Huang X, Wu Z, Yan M, Zhang Q, Zhao P, Igietseme JU, Black CM, He C, Li Y. Construction of Recombinant HVT Expressing PmpD, and Immunological Evaluation against Chlamydia psittaci and Marek's Disease Virus. PLoS One. 2015 Apr 20;10:e0124992
  • Longbottom D, Coulter LJ. Animal chlamydioses and zoonotic implications. J.Comp Pathol. 2003;128:217-244.
  • Mahony JB, Coombes BK, Chernesky MA. Chlamydia and chlamydophila. In P.R.Murray, E. J. Baron, J. H. Jorgensen, M. A. Pfaller, & R. H. Yolken (Eds.), Washington DC: ASM Press, 2003: pp. 991-1004.
  • Marrie TJ, Peeling RW, Reid T, De Carolis E, Canadian Community-Acquired Pneumonia Investigators. Chlamydia species as a cause of community-acquired pneumonia in Canada. Eur Respir J 2003;21:779-784.
  • McGuigan CC, McIntyre PG, Templeton K. Psittacosis outbreak in Tayside, Scotland, December 2011 to February 2012. Euro Surveill. 2012 May 31;17(22). pii: 20186.
  • National Association of State Public Health Veterinarian. Compendium of Measures To Control Chlamydophila psittaci Infection Among Humans (Psittacosis) and Pet Birds (Avian Chlamydiosis), 2008 April
  • OIE Terrestrial Manual 2018. Chapter 2.3.1. – Avian chlamydiosis.
  • Pal S, Tatarenkova O, de la Maza LM. Maternal immunity partially protects newborn mice against a Chlamydia trachomatis intranasal challenge. J Reprod Immunol. 2010;86(2):151-7.
  • Pantchev A, Sting R, Bauerfeind R, Tyczka J, Sachse K. Detection of all Chlamydophila and Chlamydia spp. of veterinary interest using species-specific real-time PCR assays. Comp Immunol Microbiol Infect Dis. 2010;33:473-84.
  • Persson K, Haidl S. Evaluation of a commercial test for antibodies to the chlamydial lipopolysaccharide (Medac) for serodiagnosis of acute infections by Chlamydia pneumoniae (TWAR) and Chlamydia psittaci. APMIS 2000;108:131-138.
  • Picard MD, Cohane KP, Gierahn TM, Higgins DE, Flechtner JB.High-throughput proteomic screening identifies Chlamydia trachomatis antigens that are capable of eliciting T cell and antibody responses that provide protection against vaginal challenge. Vaccine. 2012; 19;30:4387-93.
  • Pinkhof H. Argentinië - Epidemie van psittacosis. Ned Tijdschr Geneeskd, 1940;84:1147.
  • Polkinghorne A, Borel N, Becker A, Lu ZH, Zimmermann DR, Brugnera E, Pospischil A, Vaughan L. Molecular evidence for chlamydial infections in the eyes of sheep. Vet Microbiol. 2009 Mar 16;135(1-2):142-6.
  • Pospischil A. From disease to etiology: historical aspects of Chlamyida-related diseases in animals and humans. Drugs Today, 2009, 45(Suppl B):141-146.
  • Potter ME, Kaufmann AK, Plikaytis BD. Psittacosis in the United States, 1979. Morb.Mortal.Wkly.Rep.Surveill Summ. 1983;32:27SS-31SS.
  • Ramakers BPHeijne MLie NLe TNvan Vliet MClaessen VPJTolsma PJPDe Rosa MRoest HIJVanrompay DHeddema ERSchneeberger PHermans MHA. Zoonotic Chlamydia caviae Presenting as Community-Acquired Pneumonia. N Engl J Med. 2017 Sep 7;377(10):992-994. doi: 10.1056/NEJMc1702983.
  • Rehn M, Ringberg H, Runehagen A, Herrmann B, Olsen B, Petersson AC, Hjertqvist M, Kühlmann-Berenzon S, Wallensten A. Unusual increase of psittacosis in southern Sweden linked to wild bird exposure, January to April 2013. Euro Surveill. 2013 May 9;18:20478.
  • Ritter J. 1881. Beitrag zur Frage des Pneumotyphus. (Eine Hausepidemie in Uster [Schweiz] betreffend.). Deutches Archiv fur Klinische Medizin 25:53-96.
  • RIVM (2014). Jaarrapportage Surveillance respiratoire infectieziekten 2013. RIVM Rapport 150002006/2014.
  • RIVM (2018). Staat van Zoönosen 2017. RIVM Rapport 2018-0112.
  • Ruys AC. Psittacosis in Duitschland en Amerika. Ned Tijdschr Geneeskd. 1934;78:2787.
  • Sachse K, Laroucau K, Hotzel H, Schubert E, Ehricht R, Slickers P. Genotyping of Chlamydophila psittaci using a new DNA microarray assay based on sequence analysis of ompA genes. BMC Microbiol. 2008;17:63.
  • Sachse K, Laroucau K, Riege K, Wehner S, Dilcher M, Myers G, Weidmann M. Vorimore F, Vicari N, Magnino S, Liebler-Tenorio E, Ruettger A, Hufert FT, Bavoil PM, Rossello-Mora R, Marz M. Evidence for the existence of two new members of the family Chlamydiaceae and proposal of Chlamydia avium sp. nov. and Chlamydia gallinacea sp. Nov. Syst. Appl. Microbiol. 2014;37:79–88
  • Salinas J, Caro MR, Cuello F. Antibody prevalence and isolation of Chlamydia psittaci from pigeons (Columba livia). Avian Dis. 1993;37:523-527.
  • Schlossberg D, Delgado J, Moore MM, Wishner A, Mohn J. An epidemic of avian and human psittacosis. Arch.Intern.Med. 1993;153:2594-2596.
  • Scientific committee on animal health and animal welfare. Avian chlamydiosis as a zoonotic risk and reduction strategies. (Rep. No. SANCO/AH/R26/2002.). Brussels: European Commission, Health and Consumer Protection Directorate-General, 2002.
  • Skaug K, Otnaess AB, Orstavik I, Jerve F. Chlamydial secretory IgA antibodies in human milk. Acta Pathol Microbiol Immunol Scand C. 1982;90(1):21-5.
  • Skinner MC, Kiselev AO, Isaacs CE, Mietzner TA, Montelaro RC, Lampe MF. Evaluation of WLBU2 peptide and 3-O-octyl-sn-glycerol lipid as active ingredients for a topical microbicide formulation targeting Chlamydia trachomatis. Antimicrob Agents Chemother. 2010;54(2):627-36.
  • Smith A, Kathleen & T. Campbell, Colin & Murphy, Julia & Stobierski, Mary Grace & Tengelsen, Leslie. (2011). Compendium of Measures to Control Chlamydophila psittaci Infection Among Humans (Psittacosis) and Pet Birds (Avian Chlamydiosis), 2010 National Association of State Public Health Veterinarians (NASPHV). Journal of Exotic Pet Medicine - J EXOT PET MED. 20. 32-45. 10.1053/j.jepm.2010.11.007.
  • Speelberg B, Heddema ER, Janssen N, Scholtes BMJ, van Vliet ECJ, Verduin CM. Chlamydia psittaci pneumonia with septic shock and hypoxic respiratory failure. Neth Journal of Crit Care, 2014;18(5):18-22.
  • Szeredi L, Hotzel H, Sachse K. Vet Res Commun. 2005;Suppl 1:37-49.
  • Teirlinck AC, van Asten L, Brandsema PS, Dijkstra F, Donker GA, Euser SM, van Gageldonk-Lafeber AB, Hooiveld M, de Lange MMA, Meijer A, Slump E, van der Hoek W. Annual report on surveillance of respiratory infectious diseases 2013, the Netherlands. RIVM 2014.
  • Telfer BL, Moberley SA, Hort KP et al. Probable psittacosis outbreak linked to wild birds. Emerg Infect Dis 2005; 11: 391–397
  • Moberley SA, Hort KP, Branley JM, Dwyer DE, Muscatello DJ, Correll PK, England J, McAnulty JM. Probable psittacosis outbreak linked to wild birds. Emerg Infect Dis. 2005 Mar;11(3):391-7.
  • van Buuren CE, Dorrestein GM, van Dijk JE. Chlamydia psittaci infections in birds: a review on the pathogenesis and histopathological features. Vet Q. 1994 Mar;16(1):38-41. Review. PubMed PMID: 8009817.
  • Vanrompay D, Ducatelle R, Haesebrouck F. Chlamydia psittaci infections: a review with emphasis on avian chlamydiosis. Vet.Microbiol. 1995;45:93-119.
  • Vorimore F, Thébault A, Poisson S, Cléva D, Robineau J, de Barbeyrac B, Durand B, Laroucau K. Chlamydia psittaci in ducks: a hidden health risk for poultry workers. Pathog Dis. 2015;73:1-9.
  • Wallensten A, Fredlund H, Runehagen A. Multiple human-to-human transmission from a severe case of psittacosis Sweden, January-February 2013. Euro Surveill. 2014;19(42). pii: 20937.
  • Williams J, Tallis G, Dalton C, Ng S, Beaton S, Catton M, et al. Community outbreak of psittacosis in a rural Australian town. Lancet 1998;351:1697-1699.
  • Wyrick PB. Chlamydia trachomatis persistence in vitro: an overview. J Infect Dis 2010;201(Suppl 2):S88–95.
  • Yung AP, Grayson ML. Psittacosis - a review of 135 cases. Med.J.Aust. 1988;148:228-233.