Veterinaire informatie bij de LCI-richtlijn Trichinellose

Doel van de veterinaire informatie bij een LCI-richtlijn is om de (Gemeentelijke gezondheidsdienst)-professional te voorzien van context die relevant kan zijn voor bestrijding van de infectieziekte bij de mens. Dit kan bijvoorbeeld bijdragen aan bronopsporing en begrip van de epidemiologie. Voor meer informatie zie Ontwikkeling LCI-richtlijnen.

Achtergronden

Dierlijke reservoirs

Trichinella-infectie komt voor bij vleesetende dieren, dus vrijwel alle carnivoren en omnivoren, waaronder bijvoorbeeld varkens, allerlei wild en knaagdieren. Infectie is ook niet uitgesloten bij paarden. Historisch was vooral varkensvlees een bron van infectie voor de mens, maar dankzij gecontroleerde huisvesting en veterinaire controles is het aandeel van varkensvlees afgenomen. De meeste uitbraken zijn nu gerelateerd aan wild van diverse diersoorten (Rostami 2017). Ook consumptiegewoonten hebben invloed op het relatieve risico van de verschillende diersoorten als bron van infectie voor de mens.

In de periode 1975 tot 2001 werden in Frankrijk en Italië meerdere grote uitbraken van trichinellose gelinkt aan de consumptie van paardenvlees (Ancelle 1998, Touratier 2001). Om die reden worden sinds 1991 ook slachtpaarden gecontroleerd volgens (Europese Unie)-richtlijnen. In de periode 2010-2023 werden in Europa vier uit meer dan 2 miljoen geteste paarden positief bevonden voor Trichinella (EFSA/ECDC 2024, Maillot 1998).

Epidemiologie

Verspreiding in de wereld bij dieren

Varkens die onder gecontroleerde omstandigheden binnen worden gehouden, zijn in Europa vrij van Trichinella (Franssen 2018). In Spanje en Oost-Europa komt de parasiet nog regelmatig voor bij wild en sporadisch ook bij vleesvarkens. Ook hier is het risico op besmetting het grootst bij het eten van onvoldoende verhit vlees en rauwe vleesproducten van dieren die buiten komen (EFSA/ECDC 2024). Verder zijn uitbraken van Trichinella beschreven in kleine gemeenschappen in afgelegen gebieden in Siberië door het eten van niet goed verhit berenvlees en in Canada en Alaska door het eten van rauw walrusvlees (Oksanen 2022). 

Voorkomen in Nederland bij dieren

Er is sinds 2000 in de slachthuiscontrole bij slachtvarkens slechts een keer Trichinella aangetroffen, in 2002 (RIVM 2011). Wilde zwijnen, vossen, wolven en wasbeerhonden kunnen wel besmet zijn met T. spiralis, T. britovi of T. pseudospiralis, maar de prevalentie is laag (Franssen 2014). In Nederland is Trichinella aangetroffen bij een vos (2010) en twee wasbeerhonden (2014 en 2023) (RIVM 2011, 2015, 2025).

Ziekteverschijnselen bij dieren 

Dieren vertonen geen symptomen in geval van trichinellose, soms wordt tijdelijk een stijve gang gezien. 

Transmissie bij dieren

Besmettingsweg bij dieren

Dieren worden besmet door opname van infectieuze larven in vlees. Paarden blijken niet altijd strikt beperkt tot plantaardig voedsel, bovendien speelt accidentele opname van dode (knaag)dieren bij het grazen of in het voer mogelijk een rol. Daarnaast blijken sommige paardeneigenaren de dieren soms (resten van) vleesproducten te voeren (Murrell 2004). 

Besmettelijke periode bij dieren

Nadat een dier infectieuze larven heeft binnengekregen, duurt het minimaal 14 dagen voor het dier op zijn beurt infectieuze larven in zijn spierweefsel heeft. Hoe lang een dier besmettelijke larven bij zich draagt, is afhankelijk van de diersoort, de Trichinella-species en de individuele immuunreactie van het dier zelf. Dit kan variëren van enkele weken tot levenslang (Pozio 2020). 

Diagnostiek bij dieren

Levende dieren worden zelden tot nooit op Trichinella getest, ook niet bij ziekteverschijnselen. Slachtdieren (varkens, paarden, wilde zwijnen) worden getest volgens uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/1375 middels spierbiopt, doorgaans van het middenrif. De monsters worden onderzocht volgens een specifiek omschreven methode in gecertificeerde laboratoria (EU 2015). Het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) is het Nationaal Referentielaboratorium voor parasieten in dieren (NRL-P) en verzorgt confirmatieonderzoek op verdachte larven. De soort van een aangetoonde Trichinella-larve wordt vastgesteld door middel van DNA-onderzoek en benodigde maatregelen worden genomen door de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit). Zie ook Vademecum Zoönosen. 

Preventie

Preventieve maatregelen bij dieren

Om te voorkomen dat dieren besmet kunnen worden met Trichinella, is het van belang dat deze dieren geen besmet vlees(afval) kunnen eten. Ratten en muizen moeten worden geweerd uit voeropslagplaatsen en stallen, zodat dode ratten en muizen niet in het veevoer terecht kunnen komen en daarmee als infectiebron kunnen optreden. Contact tussen wilde dieren en gedomesticeerde varkens moet worden tegengegaan. De voorwaarden voor erkenning als gecontroleerde huisvesting staan vastgelegd in EU 2015/1375 bijlage IV.

In Nederland worden alle geslachte varkens, paarden en wilde zwijnen getest om blootstelling van consumenten te voorkomen. Zie ook hierboven bij Diagnostiek. 

Maatregelen

Meldingsplicht en maatregelen bij dieren

Trichinellose bij dieren is meldingsplichtig en bestrijdingsplichtig voor dierenartsen en laboratoria. 

Bronopsporing

Een positief bevonden karkas wordt afgekeurd. Aanvullend wordt het bedrijf van herkomst nader onderzocht door de NVWA.

Literatuur