Veterinaire informatie bij de LCI-richtlijn Tinea capitis
Doel van de veterinaire informatie bij een LCI (Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding )-richtlijn is om de GGD (Gemeentelijke gezondheidsdienst )-professional te voorzien van context die relevant kan zijn voor bestrijding van de infectieziekte bij de mens. Dit kan bijvoorbeeld bijdragen aan bronopsporing en begrip van de epidemiologie. Voor meer informatie zie Ontwikkeling LCI-richtlijnen.
Dierlijke reservoirs
De kat, hond en het paard zijn reservoir voor M. canis. Knaagdieren zoals cavia’s en muizen kunnen T. mentagrophytes bij zich dragen, koeien en anderen herkauwers T. verrucosu en paarden T. equinum. Deze schimmels kunnen overigens bij alle zoogdieren worden aangetroffen.
Epidemiologie
M. canis komt in heel Europa voor.
Incubatieperiode bij dieren
Na besmetting van dieren kunnen na 2 tot 4 weken klinische verschijnselen worden gezien. Wanneer fluorescentie optreedt door middel van een Woodse lamp, kan dit na 7 dagen op de vacht worden waargenomen.
Ziekteverschijnselen bij dieren
Bij dieren gaat een schimmelinfectie vaak niet gepaard met jeuk. Er kunnen lokaal kale plekken worden gezien, met erytheem, crustae en squamae. Honden, met name jonge dieren, tonen plekken met afgebroken haren, vooral op kop en poten. Varkens, knaagdieren, egels en (langharige) katten zijn over het algemeen symptoomloos drager of de klinische verschijnselen zijn minimaal. Bij jonge dieren kan een meer uitgebreide infectie optreden, met meer ziekteverschijnselen. De infectie is meestal zelflimiterend in enkele weken tot maanden. Bij langharige dieren kan de schimmel persisteren.;
Natuurlijke immuniteit bij dieren
Bij dieren kan herinfectie optreden met M. canis, maar daarvoor zijn meer sporen nodig en herinfectie wordt sneller overwonnen (De Boer 2006).
Transmissie bij dieren
Relevante transmissieroutes bij dieren
Dieren kunnen worden besmet door direct contact met besmette huidschilfers of haren, maar ook indirect via borstels, halsters, dekens en de omgeving.
Besmettelijke periode bij dieren
Bij dieren komen symptoomloze, persisterende dragers voor, met name bij varkens, knaagdieren, egels en (langharige) katten. Deze dieren zijn infectieus voor andere dieren en mensen.
Besmettelijkheid bij dieren
Dieren met en zonder symptomen zijn zeer besmettelijk voor andere dieren. M. canis, T mentagrophytes, T. verrucosum zijn frequente zoönosen (Chermette 2008). M. gallinae (pluimvee) en M. nanum (varkens) komen niet vaak bij mensen voor. Mensen kunnen ook dieren infecteren met humane schimmels, soms waren deze dieren eerder behandeld met immuunsuppressieve middelen. Het is niet bekend of en in welke mate deze dieren op hun beurt weer mensen kunnen infecteren.
Risicodieren
Mensen met immuundeficiënties zijn vatbaarder voor zoöfiele schimmelsoorten, die normaal gesproken zelden mensen infecteren, zoals M. gallinae (van kippen).
Voor diagnostiek bij dieren wordt gebruikgemaakt van een schimmelkweek (DTM: Dermatofyt Test Medium). Voor deze kweek wordt aan de rand van de lesie enkele haren en huidcellen afgeborsteld met bijvoorbeeld een steriele tandenborstel en verzonden naar een laboratorium. Dit kan ook ‘in huis’, maar de kweekset moet bij de juiste temperatuur worden bewaard en gedurende 10 dagen dagelijks worden gecontroleerd. Kweek door het laboratorium is betrouwbaarder en tevens kan dan gespecificeerd worden om welke schimmelsoort het gaat.;
In ongeveer de helft van de gevallen licht M. canis bij dieren op onder een woodlamp. Fout-positieven en fout-negatieven komen voor.
Immunisatie bij dieren
In Nederland is er voor dieren geen vaccin geregistreerd tegen M. canis.
Preventieve maatregelen bij dieren
Laat honden en katten niet bij mensen in bed slapen. Was na huidcontact met dieren handen met water en zeep. Reinig gebruiksartikelen zoals manden, borstels en dierenverblijven regelmatig. Regelmatig stofzuigen vermindert de hoeveelheid haar en huidschilfers sterk. Gebruik voor ieder dier aparte, eigen borstels, riemen, halsters of ander tuig.
Meldingsplicht veterinair
Er is geen meldingsplicht voor schimmelinfecties bij dieren.
Reinigen en desinfecteren
Desinfectie van omgeving. Goed stofzuigen, chloorbleek (1:10 verdunning) doodt arthroconidia.
Behandeling bij dieren
Een schimmelinfectie bij dieren is over het algemeen zelflimiterend. Behandeling kan de infectie sneller doen genezen, transmissie naar mensen of andere dieren afremmen en klinische verschijnselen verminderen. Andere in het huishouden aanwezige dieren moeten worden onderzocht op (latent) dragerschap, om herinfectie na behandeling te voorkomen. Voor dieren zijn er topicale en systemische middelen beschikbaar. Systemische middelen worden minimaal 4 tot 10 weken toegediend, het is belangrijk om te controleren of de schimmelinfectie daadwerkelijk over is met behulp van een schimmelkweek. Scheren van dieren is controversieel, het zorgt ervoor dat topicale middelen beter werken, maar geeft ook huidbeschadigingen en mogelijk verdere verspreiding van de infectie.
Opsomming van geraadpleegde literatuur voor deze veterinaire informatie