Pneumokokkenziekte (invasief) Richtlijn

Dit is een meldingsplichtige ziekte

C

Meldingsplichtige ziekte groep C

  • Laboratorium en behandelend arts melden binnen 1 werkdag aan de arts infectieziektebestrijding van de GGD.
  • De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid aan het CIb.
pneumokokkose
pneumokokkeninfectie

Samenvatting

Verwekker: Streptococcus pneumoniae-bacterie
Besmettingsweg: Aerogeen of door direct contact.
Incubatietijd: Afhankelijk van het serotype: 1-3 dagen
Besmettelijke periode: Tot 24-48 uur na start antibiotische therapie
Maatregelen: Contactonderzoek, profylaxe op indicatie
Symptomen: Otitis media acuta, sinusitis, bronchitis, pneumonie, meningitis en sepsis.

Ingeklapt

Versiebeheer

Ziekte & Besmettelijkheid

Verwekker

De Streptococcus pneumoniae is een gekapselde diplokok. Op basis van de polysacchariden in het kapsel worden negentig verschillende serotypen onderscheiden (Bur07).  

Pathogenese

Kolonisatie van de orofarynx vindt plaats doordat Streptococcus pneumoniae in staat is om met speciale receptoren aan epitheelcellen te hechten en de IgA-secretie te blokkeren (Bur07). Het mechanisme waardoor de pneumokok infecties kan veroorzaken is nog niet geheel opgehelderd, maar het pathogenetisch effect is gebaseerd op het vermogen om zich in de weefsels van de gastheer te vermenigvuldigen en een ontstekingsreactie te veroorzaken. Een intact trilhaarepitheel, onderdeel van de aspecifieke afweer, vormt een bescherming tegen deze infecties. Dit zou kunnen verklaren waarom rokers of mensen die herstellen van een acute luchtweginfectie een verhoogde kans hebben op pneumokokkose. Na het doormaken van een pneumokokkeninfectie ontstaat bescherming tegen het veroorzakende type door de opbouw van specifieke afweer.

Incubatieperiode

De incubatieperiode is afhankelijk van het serotype en is vrij kort: tussen de 1 tot 3 dagen (Bur07).

Ziekteverschijnselen

Besmetting met pneumokokken kan een klinisch beeld geven dat uiteenloopt van asymptomatisch dragerschap (waarschijnlijk maken alle mensen vroeg in het leven een periode met kolonisatie door) tot soms fulminant verlopende (invasieve) ziektebeelden. Ernstige ziektegevallen komen meestal geïsoleerd voor, maar in instellingen zijn ook clusters beschreven. Pneumokokken veroorzaken diverse ziektebeelden waaronder otitis media acuta, sinusitis, bronchitis en pneumonie. Meningitis en sepsis zijn ernstig verlopende invasieve infecties die tot ernstige restverschijnselen of overlijden kunnen leiden. Ziektebeelden die minder frequent voorkomen zijn artritis, endocarditis en peritonitis.

Pneumokokkenpneumonie

Karakteristiek is een acuut begin met verschijnselen van een bacteriëmie zoals koude rillingen en hoge koorts, productieve hoest (vaak met bloedbijmenging), kortademigheid en pijn bij het ademhalen. Ouderen vertonen vaak een minder acuut begin van de ziekteverschijnselen. Bij kinderen kunnen braken en convulsies, samen met koorts, de eerste verschijnselen zijn. De letaliteit bij alle leeftijdsgroepen bedraagt 5%, bij ouderen (>65 jaar) kan dit oplopen tot 40%.

Pneumokokkenmeningitis

Meningitis kan optreden na een bacteriëmie of na een schedeltrauma met een open verbinding tussen de nasofarynx en de meningen. De niet-traumatische meningitis treedt vooral bij jonge kinderen en ouderen op. De letaliteit van pneumokokkenmeningitis bedraagt tussen de 15 en 20%. (Bur07, Rüm01)

Pneumokokkenziekte met sepsis

Dit komt bij een kwart tot een derde van de patiënten met een pneumokokkenpneumonie voor (Bur02). De klinische verschijnselen bestaan uit bewustzijnsstoornissen, hoofdpijn, nekstijfheid of verwardheid, vaak met hoge koorts en een acuut beloop.

Natuurlijke immuniteit

Na een doorgemaakte infectie is de immuniteit typespecifiek en blijft vele jaren bestaan.

Reservoir

De mens is het belangrijkste reservoir. Bij gezonde mensen kunnen pneumokokken als commensalen in de bovenste luchtwegen voorkomen. De prevalentie van dragerschap varieert met de leeftijd en met de omgeving van de drager (zoals in instellingen als gevangenissen, kindercentra, scholen, ziekenhuizen en verzorgings- en verpleeghuizen). In omstandigheden waarbij mensen dicht op elkaar leven is de kans op kolonisatie hoger. Het dragerschap van pneumokokken van kinderen op een crèche is hoger dan thuis, namelijk 58% van de crèchekinderen vergeleken met 37% van kinderen die niet op een crèche zitten. De prevalentie van dragerschap bij volwassenen varieert tussen 5 tot 70%; bij volwassenen zonder frequent contact met kleine kinderen is dat slechts 5 tot 10%. (Bog04, Bur07, CDC03, Pee04, Rüm01)

Besmettingsweg

Overdracht geschiedt aerogeen via druppeltjes vanuit de neus- of keelholte of door direct contact (bijvoorbeeld zoenen). Meestal treedt een infectie op met een serotype dat recent de bovenste luchtweg heeft gekoloniseerd. Dragerschap op zich is geen belangrijke risicofactor voor een infectie.

Besmettelijke periode

Na een geschikte antibiotische therapie zijn patiënten na 24 tot 48 uur niet meer besmettelijk.

Besmettelijkheid

Pneumokokkeninfecties komen doorgaans geïsoleerd voor. In kindercentra en verpleeghuizen kunnen zich wel clusters voordoen. De attack rate in gepubliceerde studies varieert van 2.6% tot 16% (Cru04, Nuo98, Tan03).

Diagnostiek

Microbiologische diagnostiek

Grampreparaat

Een preparaat met grampositieve diplokokken van liquor of sputummonster is sterk suggestief voor een pneumokok als ziekteverwekker. Een kweek is nodig om de diagnose met zekerheid te stellen.

Kweek

Er dient een kweek te worden afgenomen vóór het toedienen van antibiotica. Een positieve kweek van materiaal dat normaal steriel is zoals liquor, bloed of een gewrichtvloeistof is bewijzend voor een infectie. Een sputumkweek is ook mogelijk, al zijn de meningen van deskundigen over de waarde hiervan verdeeld. In een vroeg stadium van de ziekte kan desnoods materiaal van een keelwat gekweekt worden, hoewel een positieve kweek ook dragerschap kan betekenen. Voornamelijk bij jonge, gezonde kinderen kan een hoog percentage dragerschap gevonden worden. Bij een cluster kan door het afnemen van keelwatten bij contacten de mate van dragerschap en het type pneumokok vastgesteld worden. Het duurt 24 tot 48 uur voordat een uitslag er is.
Nederlandse laboratoria sturen pneumokokken die geïsoleerd zijn uit liquor en alle invasieve stammen van kinderen onder de vijf jaar naar het Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis (NRBM, een samenwerking van het RIVM en het AMC). Een selectie van negen laboratoria stuurt alle invasieve pneumokokken voor typering naar het NRBM.

Antibioticagevoeligheid

De gevoeligheid voor antibiotica moet routinematig worden bepaald om er zeker van te zijn dat een behandeling effectief is. Verminderd penicillinegevoelige pneumokokken komen voor bij 1 tot 2% van de isolaten in Nederland en betreft voornamelijk importgevallen. Ook voor macroliden is de resistentie de afgelopen vijf jaar wereldwijd toegenomen van 30% naar 37% (Klugman KP 07).

Overige diagnostiek

Pneumokokkenpneumonie
Op de thoraxfoto is het karakteristieke beeld een lobaire pneumonie met luchtbronchogram. Aanvullend laboratoriumonderzoek is nodig om de diagnose te bevestigen.

Antigeentesten
Een urine-antigeentest (BINAX) bruikbaar voor de diagnostiek bij een invasieve pneumokokkose (met een bacteriëmie), heeft bij deze patiënten een sensitiviteit en specificiteit die variëren van 65 tot 80% (sensitiviteit) en 97 tot 100% (specificiteit). Een nadeel van deze test is dat het pneumokokkenantigeen vele weken na een infectie in de urine aantoonbaar blijft.

Serologie
Voor de diagnostiek van individuele pneumokokkeninfecties is serologie niet zinvol.

Risicogroepen

Verhoogde kans op infectie

Tot de risicogroepen voor overdracht van pneumokokken behoren:

  • kinderen tot 3 jaar;
  • kinderen die ≥3 dagen per week naar een kindercentrum gaan;
  • kinderen uit grote gezinnen (≥ 5 personen);
  • tieners die veel samen zijn (‘crowding’);

Rokers en mensen die recent een infectie met influenza hebben doorgemaakt hebben een vergrote kans op ziekte door pneumokokken (Bog04, Gha99).

Verhoogde kans op een ernstig beloop

De volgende factoren bevorderen het ontstaan van een invasieve infectie:

  • beschadiging van de mucosa;
  • ondervoeding;
  • afweerstoornissen.

Kinderen (jonger dan 2 jaar) en ouderen (65-plussers) vertonen een verhoogde kans op een pneumokokkose, vaak met een ernstig beloop. Hetzelfde geldt voor personen met één van de volgende ziektebeelden:

  • anatomische of functionele asplenie;
  • liquorlekkage;
  • immuunsuppressieve therapie;
  • diabetes mellitus;
  • een hematologische aandoening;
  • chronische nierfunctiestoornis;
  • hivinfectie;
  • solide tumoren;
  • chronische ziekte van hart of longen.
  • Vooral kinderen met een functionele asplenie door een sikkelcelanemie lopen kans op een pneumokokkensepsis met hoge mortaliteit. Op 18 augustus 2003 heeft de Gezondheidsraad een advies uitgebracht voor een pneumokokkenvaccinatie voor 65-plussers en specifieke ziektebeelden (CDC97, Gr03, Bur07).

Epidemiologie

Verspreiding in de wereld

Pneumokokkose komt over de hele wereld voor. In de zones met een gematigd klimaat komen infecties meestal in de winter en het voorjaar voor. Een verhoogde incidentie komt vaak voor bij een griepepidemie. Epidemieën van pneumokokkose komen nauwelijks voor (Bur07). In ontwikkelingslanden vormt pneumokokkose bij kinderen een veelvoorkomende doodsoorzaak. Een belangrijk probleem is de wereldwijde ontwikkeling van penicillineresistente pneumokokken. In sommige landen in Midden-, Zuid-, en Oost-Europese landen kan resistentie in 50% van de isolaten voorkomen. (EARS06)

Voorkomen in Nederland

De incidentie van pneumokokkenziekte is niet precies bekend. Op grond van het aantal isolaten van de Streptococcus pneumoniae van het Referentielaboratorium Bacteriële Meningitis blijkt dat per jaar in Nederland ongeveer 250 gevallen met een pneumokokkenmeningitis voorkomen. De incidentie in het prevaccinatie tijdperk (voor 2006) was het hoogst onder een leeftijd van 3 jaar (8/100.000) en boven een leeftijd van 65 jaar (4/100.000). Het percentage penicillineresistente stammen bedraagt in Nederland 1% en is het laagste in Europa (EARS 2006).

Preventie

Immunisatie

Actieve immunisatie

Op de markt zijn zowel pneumokokken-polysaccharidevaccins (PPV) als pneumokokken-conjugaatvaccins (PCV) beschikbaar.

De polysaccharidevaccins bieden kortdurende bescherming; polysaccharidevaccins zijn in staat om B-lymfocyten te stimuleren zonder de tussenkomst van T-helpercellen. Na vaccinatie met polysaccharide-antigenen wordt daardoor geen immunologisch opgebouwd en is de beschermingsduur beperkt. Bovendien werken polysaccharidevaccins niet bij kinderen jonger dan 2 jaar, waarschijnlijk vanwege een nog onvoldoende gerijpt immuunsysteem. In Nederland zijn twee 23-valente polysaccharidevaccin beschikbaar: Pneumovax 23® en Pneumo 23®. Deze vaccins bieden bescherming tegen de 23 meest voorkomende serotypes die samen verantwoordelijk zijn voor 85-90% van de invasieve pneumokokkeninfecties (Harboe 2010, Blasi 2012, Lammers 2012).

Bij conjugaatvaccins zijn de polysaccharide-antigenen gekoppeld aan een dragereiwit waardoor er een T-cel immuunrespons optreedt, ook bij kinderen jonger dan 2 jaar. Hierdoor worden niet alleen plasmacellen gevormd die antistoffen produceren, maar wordt er ook een immunologisch geheugen opgebouwd wat zorgt voor een langdurige bescherming tegen de in het vaccin opgenomen types (Harboe 2010). Er zijn momenteel (april 2016) twee conjugaatvaccins in Nederland beschikbaar: PCV10 (Synflorix®) en PCV13 (Prevenar 13®) die beschermen tegen respectievelijk 10 en 13 serotypes. Deze vaccins bieden bescherming tegen de meest voorkomende serotypes die samen verantwoordelijk zijn voor 70-90% van de invasieve pneumokokkeninfecties (Harboe 2010, WHO 2012).

Rijksvaccinatieprogramma
In Nederland is vaccinatie tegen pneumokokken sinds 2006 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Op de leeftijd van 6 weken, 4 maanden en 11 maanden ontvangen kinderen PCV10 (2+1 schema). Aanvankelijk werd PCV 7 gebruikt en werd er ook op de leeftijd van 3 maanden een pneumokokkenvaccinatie gegeven (3+1 schema), maar nadat uit onderzoek bleek dat bij een hoge vaccinatiegraad en eenmaal opgebouwde groepsimmuniteit ook drie in plaats van vier prikken goede bescherming bieden, is het schema in november 2013 aangepast (Spijkerman 2013). Kinderen die hun pneumokokkenvaccinaties in het kader van het RVP gemist hebben, kunnen deze tot de leeftijd van 2 jaar inhalen.

Vaccinatie van risicogroepen

De Gezondheidsraad heeft in 2003 een aantal aanbevelingen gedaan voor pneumokokkenvaccinaties bij risicogroepen (Gezondheidsraad 2003):

  • De wetenschappelijke inzichten in 2003 bieden geen basis voor een aanbeveling dat 65-plussers tegen pneumokokken zouden moeten worden ingeënt.
  • Afhankelijk van het onderliggende ziektebeeld gelden verschillende aanbevelingen voor risicogroepen (zie bijlage I). Een vaccinatie wordt sterk aanbevolen voor die groepen waarin het sterfterisico zeer hoog is, zoals bij een chirurgische of functionele asplenie of bij een schedeltrauma met liquorlekkage.
  • Per patiënt dient een afweging gemaakt te worden bij mensen met de volgende diagnoses: ziekte van Hodgkin, non-Hodgkin lymfoom, hiv, myeloom en chronische lymfatische leukemie, auto-immuunziekten en immunosuppressieve therapie, nierziekten, alcoholisme, beenmergtransplantatie of orgaantransplantatie.
  • De commissie geeft geen aanbeveling tot vaccinatie voor diagnoses als hypo- en a-gammaglobulinemie; solide tumoren; diabetes; chronische longziekten en chronisch hartfalen.

Naar verwachting zal de Gezondheidsraad in 2017 opnieuw een advies uitbrengen over pneumokokkenvaccinatie voor risicogroepen.

Medische risicogroepen

Voor patiënten uit medische risicogroepen wordt vaccinatie met het 13-valente conjugaatvaccin geadviseerd, gevolgd door vaccinatie met polysaccharidevaccin. Het op grote schaal vaccineren met conjugaatvaccins induceert namelijk een verschuiving in invasieve serotypes waarbij niet-vaccinserotypes vaker zullen voorkomen (Rodenburg 2010). Het advies is dan ook om na conjugaatvaccin minimaal 2 maanden later alsnog een 23-valent polysaccharidevaccin te geven (vanaf de leeftijd van 2 jaar) voor de meest optimale dekking.

Indien een kind eerder gevaccineerd is met PCV7 of PCV10, is het advies alsnog PCV13 toe te dienen in verband met de additionele serotypes in het vaccin, gevolgd door vaccinatie met PPV23. Voor volwassenen geldt dat het conjugaatvaccin niet herhaald hoeft te worden behalve wanneer er een hoger-valent vaccin beschikbaar is. Of er daarna nog revaccinaties met PPV23 moeten worden gegeven is mede afhankelijk van de mate en aard van het verhoogde risico en is ter discussie.

Voor het vaccinatiebeleid voor kinderen en volwassenen met een chirurgische of functionele asplenie verwijzen wij naar de overzichtstabellen voor preventieve maatregelen voor hypo-/asplenie in de Richtlijn voor preventie van infecties bij mensen met (functionele) hypo- en asplenie. Een dergelijke richtlijn voor personen met een CI is in ontwikkeling.

Voor evidence-based onderbouwing, zie bijlage 2.

Vaccinatie ouderen (65+)

In de loop van 2017 wordt een advies van de Gezondheidsraad verwacht, in samenwerking met Zorginstituut Nederland, over vaccinatie tegen pneumokokken bij ouderen. Momenteel is pneumokokkenvaccinatie voor ouderen niet opgenomen in een publiek vaccinatieprogramma en wordt deze vaccinatie ook niet vergoed via de basiszorgverzekering. Wel is het voor ouderen mogelijk om zich op eigen kosten via hun huisarts of vaccinatiecentrum te laten vaccineren. Aanvullende informatie verwijzen wij u naar de RIVM-webpagina over extra vaccinaties op maat.

Passieve immunisatie

Niet van toepassing.

Algemene preventieve maatregelen

Hoesthygiëne beperkt de kans op overdracht.

Maatregelen

Meldingsplicht

Pneumokokkeninfectie bij kinderen geboren na 2006 is een meldingsplichtige ziekte, groep C.

Het laboratorium en de arts melden een geval van invasieve pneumokokkeninfectie aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten. Meldingscriterium:

  • Aantonen van Streptococcus pneumoniae in een normaal steriele plaats (bijvoorbeeld bloed of liquor) bij een kind geboren na 2006.

Als zich in een instelling waar kwetsbare personen verblijven meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van artikel 26 Wet publieke gezondheid. Meerdere gevallen van een pneumokokkenpneumonie of invasieve infecties in een instelling dienen door de directeur van de instelling te worden gemeld bij de lokale GGD.

Inschakelen van andere instanties

Bij meerdere gevallen in een instelling kan de lokale GGD overleggen met de LCI over het te voeren beleid.

Bronopsporing

Geen praktische betekenis.

Contactonderzoek

Contactonderzoek kan nodig zijn als bij een patiënt op een hoogrisicoafdeling (zoals een afdeling met terminale patiënten) een penicillineresistente pneumokok (PRP) wordt aangetoond, en wordt uitgevoerd door de afdeling ziekenhuishygiëne.

Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

Wanneer er een of meerdere gevallen van pneumokokkose in een (zorg)instelling zijn veroorzaakt door een PRP, dienen patiënten gecohorteerd te worden; patiënten met een penicillineresistente pneumokok worden gescheiden van de andere patiënten. Tevens dragen medewerkers een FFP1-masker, beschermende kleding en handschoenen voor het betreden van een kamer. Deze maatregelen worden door de afdeling ziekenhuishygiëne uitgevoerd. Voor evidence-based uitwerking zie bijlage 2.

Wering van werk, school of kinderdagverblijf

Patiënten met pneumokokkenpneumonie, -sepsis en -meningitis zijn te ziek om te werken of naar school te gaan. Na klinisch herstel mogen ze hun activiteiten hervatten. Wering van patiënten met mildere ziektebeelden (bronchitis, otitis media acuta) is niet nodig.

Profylaxe & Behandeling

Profylaxe

Tot nu toe is slechts één cluster met een multiresistente pneumokok (resistentie tegen cotrimoxazol, erythromycine en in mindere mate tegen penicilline en cefotaxim) in een instelling in de Verenigde Staten beschreven, waarbij immunisatie en chemoprofylaxe zijn toegepast om de verspreiding te stoppen. Indien een cluster wordt veroorzaakt door een serotype dat in het vaccin vertegenwoordigd is, is vaccinatie van personen met kans op een ernstig beloop een mogelijke interventie. Om de periode tussen vaccinatie en immuniteit te overbruggen is antibiotische profylaxe met orale penicillines (fenoxymethylpenicilline of feneticilline: volwassenen 250 tot 500 mg 2dd) te overwegen voor een periode van 2 weken. (Cru03) Het cohorteren is een andere maatregel om dragerschap met de desbetreffende stam uit de instelling te krijgen. Over het te voeren beleid is overleg met de LCI gewenst. Bij één enkel geval van een pneumokokkeninfectie is het niet nodig om profylaxe bij gezinscontacten voor te schrijven. Wanneer er sprake is van een pneumokokkenoutbreak in een instelling, kan er wel overwogen worden profylaxe voor te schrijven. Voor evidence-based uitwerking zie bijlage II.

Behandeling

Een (vermoedelijke) pneumonie wordt behandeld met orale antibiotica:

  • volwassenen: doxycycline 1e dag: 200 mg, 2e  - 7e dag: 1dd 100 mg met amoxicilline of erytromycine als alternatief
  • kinderen: amoxicilline 30 mg/kg gedurende 7 dagen met azitromycine als alternatief).

De klinische behandeling van meningitis, pneumonie en sepsis bestaat uit het intraveneus toedienen van antibiotica. Een gevoeligheidsbepaling wordt altijd verricht, alhoewel bij respiratoire infecties penicillineresistentie klinisch meestal niet relevant is.

Historie

De belangrijkste verwekker van de (lobaire) pneumonie werd in 1881 tegelijkertijd geïsoleerd door Pasteur in Frankrijk en Sterberg in de Verenigde Staten. Beide wetenschappers gaven de bacterie verschillende namen, totdat eind jaren '80 van de negentiende eeuw de naam ‘pneumokok’ werd geïntroduceerd. Vervolgens werd de naam veranderd in ‘Diplococcus pneumoniae’ vanwege zijn verschijning in het grampreparaat van sputum. In 1974 werd de naam opnieuw veranderd in ‘Streptococcus pneumoniae’ op grond van morfologische kenmerken. In het begin van de twintigste eeuw werd in een studie onder gezonde mijnwerkers in Afrika aangetoond dat vaccinatie met gedode pneumokokken tot een afname van het aantal pneumonieën leidde. Later bleek dat antistoffen gericht tegen kapselpolysachariden voor bescherming zorgen. Door de komst van antibiotica verbeterde de behandeling en verminderde de mortaliteit van pneumokokkenziekte.

Sinds 1995 is een 23-valent kapselpolysaccharidevaccin beschikbaar dat gebruikt kan worden bij volwassenen en kinderen >2 jaar. Dit vaccin dekt ongeveer 95% van de serotypen die ernstige infecties veroorzaken in West–Europa (Bur07, HPA). Inmiddels zijn ook conjugaatvaccins op de markt die kinderen onder de 2 jaar kunnen beschermen tegen de 7 op kinderleeftijd meest voorkomende invasieve serotypen. Hiermee is een discussie ontstaan over de noodzaak om deze vaccins in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) op te nemen (Gezondheidsraad 2001). Met ingang van 1 april 2006 is pneumokokkenvaccinatie middels een conjugaatvaccin in het RVP opgenomen.

Literatuur

  • Blasi F, Mantero M, Santus P, Tarsia P. Understanding the burden of pneumococcal disease in adults. Clin Microbiol Infect. 2012;18 Suppl 5:7-14.
  • Bogaert D, Belkum A van, Sluijter M et al. Colonisation by Streptocoocus pneumoniae and Staphylococcus aureus in healthy children. Lancet 2004;363:1871-1872.
  • Burgmeijer R, Hoppenbrouwers K, Bolscher N (red). Handboek vaccinaties. Koninklijke van Gorcum BV, 2007.
  • CDC. Prevention of Pneumococcal Recommendations of the Immunization Practices Advisory Committee (ACIP), MMWR 1997.
  • CDC. Epidemiology and Prevention of Vaccine-Preventable Diseases. The Pink Book. 7th Edition. February 2003:217-229.
  • Crum NF, Wallace MR, Lamb CR et al. Halting a pneumococcal pneumonia outbreak among United States marine corps trainees. Am J Prev Med 2003;25(2):107-111.
  • Crum NF, Barrozo CP, Chapman FA et al. An outbreak of conjunctivitis due to a novel unencapsulated Streptococcus pneumoniae among military trainees. Clin Infect Dis. 2004 15;39(8):1148-1154.
  • Gezondheidsraad. Advies: Algemene vaccinatie tegen meningokokken en pneumokokken, december 2001.
  • Gezondheidsraad. Advies: Vaccinatie tegen pneumokokken bij ouderen en risicogroepen, 18 augustus 2003.
  • Gezondheidsraad. Vaccinatie van zuigelingen tegen pneumokokkeninfecties, 25 oktober 2005.
  • Ghaffar F, Friedland IR, McCracken GH jr. Dynamics of nasopharyngeal colonization by Streptococcus pneumoniae. Pediatr Infect Dis J 1999;18:638-646.
  • Harboe ZB, Benfield TL, Valentiner-Branth P, Hjuler T, Lambertsen L, Kaltoft M, et al. Temporal trends in invasive pneumococcal disease and pneumococcal serotypes over 7 decades. Clin Infect Dis. 2010;50(3):329-37.
  • Haveman LM. Ernstige pneumokokkeninfecties bij jonge kinderen: het belang van vaccinatie. NTVG 12 oktober 2002; 146:1917-1921.
  • Health Protection Agency, www.hpa.org.uk/infections/topics_az/pneumococcal/default.htm.
  • Lammers AJ, van der Maas N, Peters EJ, Meerveld-Eggink A, Sanders EA, Kroon FP, et al. [Prevention of severe infections in patients with hyposplenism or asplenia]. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156(44):A4857.
  • Netherlands Reference Laboratory for Bacterial Meningitis (AMC/RIVM) Bacterial meningitis in the Netherlands; annual report 2004 Amsterdam: University of Amsterdam, 2005.
  • Nuorti JP. An Outbreak of Multidrug-resistant Pneumococcal Pneumonia and Bacterimia Among Unvaccinatied Nursing Home Residents. N Engl J Med 1998:1861-1868.
  • Peerbooms PG, Engelen MN, Stokman DA, Benthem BH van, Weert ML van, Bruisten SM, Belkum A van, Coutinho RA. Nasopharyngeal carriage of potential bacterial pathogens related to day care attendance, with special reference to the molecular epidemiology of Haemophilus influenzae. J Clin Microbiol. 2002;40(8):2832-6.
  • O’Brien KL, Hochman M, Goldblatt D. Combined schedules of pneumococcal conjugate and polysacharide vaccines: is hyporesponsiveness an issue? Lancet Infect Dis. 2007;7(9):597-606.
  • Rodenburg GD, de Greeff SC, Jansen AG, de Melker HE, Schouls LM, Hak E, et al. Effects of pneumococcal conjugate vaccine 2 years after its introduction, the Netherlands. Emerg Infect Dis. 2010;16(5):816-23.
  • Rümke HC, Hermans PWM, Bogaert D, Groot R de. Pneumokokken-vaccinatie van jonge kinderen in het Rijksvaccinatieprogramma? Inf bull Jrg 12 Nr 7 (rvp):217-223.
  • Scott DA, Komjathy SF, Hu BT, Baker S, Supan LA et al. Phase 1 trial of a 13-valent pneumococcal conjugate vaccine in healthy adults. Vaccine 2007;25(33):6164-6166.
  • Tan CG, Ostrawski S, Bresnitz EA. A preventable outbreak of pneumococcal pneumonia among unvaccinated nursing home residents in New Yersey during 2001. Infect Control Hosp Epidemiol 2003;24(11):799-800.
  • Veenhoven RH. Vaccinatie tegen otitis media acuta. NTVG 13 mei 2000;144:931-935.
  • WHO. Pneumococcal vaccines WHO position paper - 2012 - recommendations. Vaccine. 2012;30(32):4717-8.

Publieksinformatie

Bijlagen