Samenvatting
Verwekker: Geslacht Plasmodium (malariaparasieten), belangrijkste species in de mens P. falciparum, P. vivax, P. ovale, P. malariae, P. knowlesi
Incubatieperiode: Verschilt per soort, meestal 10-15 dagen. Bij P. falciparum vanaf 7 dagen
Besmettingsweg: Beet van een geïnfecteerde Anopheles-mug
Besmettelijke periode: Onbekend aangezien overdracht van mens op mens zeer zeldzaam is.
Maatregelen: Meldingsplichtige ziekte groep C. Bronopsporing als de besmetting vermoedelijk in Nederland heeft plaatsgevonden
Symptomen: Hoofdpijn, koorts(pieken) en spierpijn. Complicaties vooral bij P. falciparum-infectie
Deze richtlijn is ontwikkeld voor zorgprofessionals werkzaam binnen de infectieziektebestrijding. De primaire doelgroepen zijn GGD- en LCI-professionals. Deze richtlijn bevat adviezen, taken en verantwoordelijkheden en vormt een basis voor het nemen van geïnformeerde beslissingen en het maken van beleid in de praktijk. Voor meer informatie zie Ontwikkeling LCI-richtlijnen.
Vaststelling richtlijn door LOI: 19 mei 2026. Vaststelling diagnostiek door subcommissie Diagnostiek in samenwerking met de NVMM: 22 januari 2025.
Wijzigingen sinds vaststelling
- 31 juli 2026: Aanpassing van paragraaf Epidemiologie: toegevoegd dat er in Nederland sporadisch gevallen van luchthavenmalaria zijn voorgekomen; de eerdere tekst vermeldde dat dit niet het geval was.
Herziening 2026
Deze richtlijn is in 2026 herzien door Marita van de Kerkhof (LCI, RIVM en LCR) en Marie-Astrid Hoogerwerf (LUMC). De arbeidsrelevante aanvullingen zijn herzien door Marieke Wijffels (LCI, RIVM).
Belangrijkste inhoudelijke wijzigingen herziening 2026:
- Achtergronden: De incubatieperiode is gewijzigd naar meestal 10-15 dagen (was meestal 12-17 dagen) in lijn met de WHO-richtlijn en is gespecificeerd per malariasoort.
- Achtergronden: Als incidentele transmissieroute zijn orgaan- en beenmergtransplantatie toegevoegd.
- Preventie: Malariavaccin R21/Matrix-M is toegevoegd aan de paragraaf Immunisatie.
- Preventie: De paragraaf Chemoprofylaxe en noodbehandeling is in lijn gebracht met de protocollen van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering (LCR).
- Preventie: Het beleid om noodbehandeling alleen te adviseren als toegang tot medische hulp binnen 48 uur onmogelijk is voor gebieden met middelmatige malariatransmissie is toegevoegd, in lijn met het huidige LCR-beleid.
- Preventie: Het bestaande LCR-beleid over een negatief reisadvies voor zwangeren naar gebieden met hoge of middelmatige malariatransmissie is nu ook opgenomen in de LCI-richtlijn.
- Arbeidsrelevante aanvullingen: Laboratoriummedewerkers en werknemers in lucht- en zeevervoer met mogelijk contact met Plasmodium spp. (of besmette muggen) zijn toegevoegd aan de arbeidsgerelateerde risicogroepen.
- Arbeidsrelevante aanvullingen: De mogelijkheid tot inzet van malaria-antigeensneltesten bij werknemers die reizen naar endemische gebieden is toegevoegd.
Aangepast bij herziening 2026:
- Herzien: De achtergronden (behoudens pathogenese en reservoir), preventie en maatregelen en arbeidsrelevante aanvullingen zijn herzien.
- Nieuw: De paragrafen Perinatale overdracht en Verhoogde kans op ernstig beloop bij zwangerschap zijn nieuw ontwikkeld.
Achtergronden
Verwekker
Een protozoön van het geslacht Plasmodium. Er zijn vier soorten malariaparasieten die specifiek de mens infecteren. Daarnaast kunnen enkele soorten die bij apen voorkomen ook mensen infecteren.
| Verwekker | Ziektebeeld | Koortsbeloop |
|---|---|---|
| P. falciparum | malaria tropica | grillig |
| P. vivax | malaria tertiana | derdedaags koorts |
| P. ovale1 | malaria tertiana | derdedaags koorts |
| P. malariae | malaria quartana | vierdedaags koorts |
| P. knowlesi2,3 | malaria quotidiana | dagelijkse koorts |
Epidemiologie
Verspreiding in de wereld
Malaria komt voornamelijk voor in de (sub)tropen en wordt veroorzaakt door een infectie met een parasiet van het geslacht Plasmodium. In 2024 waren er 265 miljoen gevallen van malaria in de (World Health Organization)-regio Afrika, wat neerkomt op 94% van de gevallen wereldwijd (WHO 2025). P. falciparum is in Afrika de belangrijkste verwekker van malaria. Een infectie met deze species leidt tot het ziektebeeld malaria tropica, dat zeer ernstig en soms fataal kan verlopen. Malaria tertiana (veroorzaakt door P. vivax en P. ovale) komt daar eveneens voor, maar (in het overgrote deel) minder frequent. Infecties met P. vivax komen vooral voor in Midden-Amerika, delen van Zuid-Amerika, Azië, het Midden-Oosten en daarnaast ook in delen van de Hoorn van Afrika (Battle 2021). Infecties met P. vivax of P. ovale leiden meestal tot niet-levensbedreigende ziekte. Malaria quartana, dat wordt veroorzaakt door P. malariae, komt voor in de meeste malaria endemische landen (met name Sub-Sahara-Afrika), hoewel weinig frequent (Fuehrer 2022).
P. knowlesi infecteert vooral non-humane primaten en komt veel voor in Zuidoost-Azië (vooral op Borneo) (Tobin 2024). Mensen kunnen ook ziek worden (malaria quotidiana). Soms ontwikkelt zich dan een ernstig ziektebeeld met fatale afloop (Malaria Atlas Project).
In Europa komt malaria vrijwel alleen als importziekte voor, hoewel zich in Griekenland tussen 2009 en 2013 uitbraken van autochtone P. vivax-infecties hebben voorgedaan (Spanakos 2018). Daarnaast wordt incidenteel melding gemaakt van malaria bij mensen die in de buurt van (lucht)havens verbleven (‘(lucht)havenmalaria’) en die nooit in malaria-endemische landen waren geweest (Mouchet 2000).
Voorkomen in Nederland
De laatste persoon met autochtone malaria (door P. vivax) in Nederland werd gemeld in 1959. In 1970 kreeg Nederland als een van de laatste landen in Europa het predicaat ‘malariavrij’ van de WHO (van der Kaaden 2003). Sinds 1970 wordt malaria in Nederland dan ook beschouwd als een importziekte. Wel zijn er sindsdien enkele gevallen van luchthavenmalaria beschreven (Thang 2002). Ook Caribisch Nederland is malariavrij.
In de periode 2014-2024 werden er tussen de 72 en 343 malariameldingen per jaar gedaan via de meldplicht. De voornaamste verwekker bij deze groep meldingen was P. falciparum. In de jaren 2020 en 2021 bleef het aantal meldingen achter ten opzichte van de voorgaande periode, als gevolg van de reisrestricties tijdens de COVID-19-pandemie. In 2023 was het aantal meldingen met 249 infecties weer terug op het niveau van voor de COVID-19-pandemie. In 2024 werden 217 meldingen gedaan. Het overgrote deel van deze infecties werd opgelopen in Afrika (90% van de meldingen). Bij een groot deel van deze infecties was sprake van reizen in verband met familie- en vriendenbezoek (RIVM 2025).
Pathogenese
Tijdens een bloedmaal injecteert de besmette Anopheles-mug tientallen sporozoïeten die via de bloedbaan de leverparenchymcellen bereiken, waarin zij zich vermenigvuldigen en ontwikkelen tot leverschizonten. Na minimaal zes dagen barsten de levercellen open en komen honderdduizenden merozoïeten (dochtercellen) vrij in de bloedbaan, die dan onmiddellijk erytrocyten binnendringen. Bij P. vivax en P. ovale kan een deel van de leverstadia persisteren en langere tijd latent aanwezig blijven als zogenaamde hypnozoïeten.
In de erytrocyt ontwikkelt de merozoïet zich tot trofozoïet en vervolgens tot bloedschizont. Uiteindelijk barst de erytrocyt open en komen er 6 tot maximaal 32 merozoïeten vrij, die op hun beurt weer nieuwe erytrocyten binnendringen (zie Life Cycle (CDC). In een vatbaar persoon neemt het aantal parasieten zo met een factor 6 tot 20 per cyclus toe (White 2014). De ziekteverschijnselen worden veroorzaakt door de vernietiging van erytrocyten, het vrijkomen van producten van parasiet en erytrocyt in de bloedbaan en de reactie van de gastheer hierop.
Bovendien kunnen bij P. falciparum de geïnfecteerde erytrocyten vastlopen (sequestratie) in de zeer kleine bloedvaten van verschillende organen (vooral hersenen en nieren, en bij zwangeren ook de placenta), waardoor in enkele dagen tijd levensbedreigende complicaties kunnen ontstaan. Bij P. vivax en P. ovale kunnen de hypnozoïeten zich met tussenposen van enkele weken tot meerdere maanden alsnog verder ontwikkelen tot leverschizonten en zo telkens opnieuw symptomen van malaria veroorzaken (‘relapses’).
Een deel van de merozoïeten vormt mannelijke microgametocyten en vrouwelijke macrogametocyten (begin seksuele cyclus). Deze worden tijdens een bloedmaal door de mug opgezogen. In de mug ontstaan hieruit de mannelijke microgameten en vrouwelijke macrogameten. Deze versmelten tot zygoten, die in de wand van de muggenmaag uitgroeien tot oöcysten. In de oöcyste ontstaan duizenden sporozoïeten die naar de speekselklier van de mug migreren, waarmee de cyclus opnieuw kan beginnen.
Incubatieperiode
De periode die verloopt tussen de beet van een met Plasmodium spp. besmette mug en het ontstaan van symptomen bedraagt gemiddeld 10-15 dagen, maar varieert sterk per Plasmodium-soort (WHO 2025). Bij P. falciparum kunnen symptomen al na 7 dagen ontstaan. P. malariae kan daarentegen een latente periode van weken, maanden of zelfs jaren hebben (Oriero 2021). Voor P. ovale en P. vivax is de incubatietijd gemiddeld 12-17 dagen, maar door de vorming van hypnozoïeten kunnen relapses ontstaan tot jaren na bezoek aan een endemisch gebied (Menkin-Smith 2025, Okafor 2025).
De gebruikelijke profylaxe voorkomt wel de ziekteverschijnselen van P. vivax en P. ovale maar niet de vorming van hypnozoïeten. Zo kan weken tot maanden – en in zeldzame gevallen jaren – na het stoppen met profylaxe een 'uitgestelde eerste aanval' optreden (Schwartz 2003). Ook bij P. falciparum kan een verlengde incubatietijd optreden bij personen die chemoprofylaxe gebruiken. Bij gebruik van mefloquine als profylaxe kan dit gezien de lange halfwaardetijd (13-37 dagen) oplopen tot drie maanden. Ook het onregelmatig slikken van antimalariamiddelen of infectie met een resistente Plasmodium-soort kan leiden tot een langere incubatietijd. Bij koorts na bezoek aan de tropen moet dus ook bij langere tijd na vertrek uit endemisch gebied gedacht worden aan mogelijke malaria.
Ziekteverschijnselen
De belangrijkste symptomen van malaria zijn (intermitterende) koorts, hoofd- en spierpijn. Het ziektebeeld verschilt afhankelijk van de Plasmodium-soort en de immuunstatus van de patiënt (zie ook Natuurlijke immuniteit). Bij de niet-immune reiziger gaat een parasitemie met P. falciparum altijd gepaard met symptomen. De mate van de parasitemie kan beïnvloed worden door voorafgaand profylaxegebruik. Ook de symptomen kunnen daardoor veranderd zijn (bijvoorbeeld subfebriele temperatuursverhoging). Bij semi-immune personen in endemische gebieden kan – bij volwassenen en oudere kinderen – een parasitemie symptoomloos of met geringe verschijnselen verlopen (zie ook Natuurlijke immuniteit). Ook kan het na expositie langer duren voordat klinische symptomen ontstaan, terwijl zich al wel een hoge parasitaire load kan ontwikkelen. Bij lichamelijk onderzoek kan bij een infectie die al meerdere dagen bestaat een anemie en/of een splenomegalie worden vastgesteld.
Het koortspatroon is afhankelijk van de Plasmodium-soort. P. knowlesi heeft een reproductiecyclus van 24 uur, P. falciparum, P. vivax en P. ovale van zo’n 48 uur en bij P. malariae is dit 72 uur. Dit kan het typische koortspatroon verklaren. Het is echter in de praktijk meestal niet mogelijk om uitsluitend op het koortsverloop een onderscheid te maken tussen de verschillende soorten.
P. falciparum
Malaria tropica (Engels: falciparum malaria) begint met een grillig verlopende koorts, al dan niet met koude rillingen. De typische anderdaagse koortsaanvallen komen bij malaria tropica zelden voor. In het begin ziet men een ‘griepachtig’ ziektebeeld met hoofdpijn, spierpijn, misselijkheid, braken en soms diarree. Indien de patiënt niet tijdig wordt behandeld ontstaat een steeds hogere parasitaire load, waardoor na verloop van dagen levensbedreigende complicaties kunnen ontstaan, zoals cerebrale malaria, nierinsufficiëntie en shock. Het overlijdensrisico van een persoon met malaria tropica die niet immuun is, is vooral afhankelijk van de snelheid waarmee het ziektebeeld wordt herkend. Tijdige behandeling verlaagt de parasitaire load en daarmee de kans op levensbedreigende complicaties. Het is niet bekend hoeveel Nederlandse reizigers met malaria tropica opgenomen worden op een intensive care, maar (Intensive care)-opnames en overlijdens zijn wel beschreven (Nederstigt 2023). In een in 2017 gepubliceerde case-series werd melding gemaakt van een case fatality rate van 0,5% onder personen woonachtig in Nederland maar geboren in malaria-endemische gebieden die bij een bezoek aan hun land van herkomst malaria opliepen (de Gier 2017).
P. vivax, P. ovale en P. malariae
Malaria tertiana (derdedaagse koorts: P. vivax of P. ovale) en malaria quartana (vierdedaagse koorts: P. malariae) worden gekenmerkt door regelmatig terugkerende koortspieken met koude rillingen, respectievelijk om de 48 en 72 uur. Ook andere aspecifieke symptomen zoals hoofdpijn, spierpijn of misselijkheid kunnen hierbij voorkomen. Doordat de reproductie plaatsvindt in een beperkter aantal rode bloedcellen (bij P. vivax en P. ovale de erytroblasten, bij P. malariae de oude rode bloedcellen) en het aantal merozoieten per schizont lager is dan bij P. falciparum, wordt meestal een lagere parasitaire load gezien. Er ontstaat, in tegenstelling tot bij P. falciparum, zelden sequestratie van parasieten. Het ziekteverloop is over het algemeen milder, hoewel ernstige ziekte dus wel mogelijk is. Bij malaria tertiana kunnen zich recidieven voordoen tot ongeveer vijf jaar na terugkeer uit het betreffende malariagebied (zie Pathogenese).
P. knowlesi
P. knowlesi komt voor in specifieke gebieden in Zuidoost-Azië. Het kent een cyclusduur van 24 uur en veroorzaakt hiermee een snel stijgende parasitemie. De ernst van het ziektebeeld is hiermee vergelijkbaar met dat van P. falciparum (White 2014).
Natuurlijke immuniteit
In malaria-endemische gebieden kan iedereen geïnfecteerd raken. Continue herinfectie of langdurige infectie kan leiden tot een bepaalde graad van verworven immuniteit. Deze semi-immuniteit beschermt tegen ziekte, niet tegen infectie. Het opbouwen van deze weerstand duurt meerdere jaren. Zuigelingen geboren in hoog-endemische gebieden hebben gedurende het eerste half jaar enige bescherming door passief verkregen maternale antilichamen en door het foetaal hemoglobine (HbF) (White 2014).
Eenmaal opgebouwde semi-immuniteit gaat geleidelijk verloren wanneer een persoon niet meer regelmatig een herinfectie ondergaat, zoals bij verblijf in een niet-endemisch gebied. Hierdoor kunnen personen die na langer verblijf in een niet-endemisch gebied terugkeren naar een endemisch gebied alsnog (ernstig) ziek worden na infectie (Fiarhurst 2019, Mischlinger 2020). Erfelijke factoren spelen een rol bij de weerstand tegen ernstige malaria. Mensen met een heterozygote vorm (dragerschap) van sikkelcelanemie (AS) of thalassemie en personen met G6PD-deficiëntie zijn beter beschermd tegen de ernstige vormen van malaria, maar zij dienen wel de gebruikelijke profylaxe te krijgen (WHO 2025).
Reservoir
De mens is het reservoir voor P. falciparum, P. ovale, P. vivax en P. malariae. Bij verschillende vogels en non-humane primaten komen ook andere Plasmodium-soorten voor, waarvan de meeste geen rol hebben als ziekteverwekker bij de mens.
Sommige Plasmodium-soorten van non-humane primaten kunnen bij de mens wel ziekte veroorzaken, zoals P. knowlesi, P. brasilianum, P. cynomolgi, P. inui en P. fieldi. Humane infecties met P. knowlesi zijn daarvan het meest beschreven. Plasmodium-soorten van andere diersoorten spelen geen rol als ziekteverwekker bij de mens.
Transmissie
Besmettingsweg
Muggenbeten
De mens raakt besmet met sporozoieten door de beet van een geïnfecteerde vrouwelijke mug van het genus Anopheles. Via de mens kan vervolgens weer een mug worden geïnfecteerd met gametocyten. De ontwikkeling van de gametocyten naar sporozoieten in de speekselklieren van de mug is temperatuurafhankelijk en vindt niet plaats bij te lage of te hoge temperaturen (Suh 2024). Ook hebben de muggen wateroppervlak nodig om zich voort te planten waardoor in sommige gebieden de transmissie sterk seizoensafhankelijk is, met hoge transmissie in het regenseizoen en nauwelijks transmissie in het droge seizoen. De mug is actief tussen zonsondergang en zonsopgang.
Incidentele besmettingsroutes
Directe overdracht van mens op mens zonder tussenkomst van de mug is zeldzaam en berust op directe overdracht van bloed. Dit kan het geval zijn bij transmissie van moeder op kind (in endemische gebieden niet uitzonderlijk, zie Perinatale overdracht), in zeldzame gevallen het ontvangen van een bloedtransfusie met bloed van een persoon met malaria (via orgaan- of beenmergtransplantatie) en via hergebruik van besmette naalden (Daily 2025). Er is een geval van nosocomiale transmissie beschreven in Nederland, bij een kind met een neurotrauma dat naast een kind met ernstige malaria werd verpleegd. Mogelijk is deze transmissie veroorzaakt door omgevingsverontreiniging met occulte spoortjes bloed bij een zeer hoge parasitemie (Winterberg 2005).
Perinatale overdracht
Malaria kan ook worden overgedragen van moeder op kind. In een meta-analyse wordt een gepoolde prevalentie van congenitale malaria gerapporteerd van 6,9% en in sommige hoog-endemische gebieden loopt deze op tot 46,7% (Bilal 2020). Hierbij wordt congenitale malaria gedefinieerd als de aanwezigheid van malariaparasieten in het bloed binnen de eerste levensweek. Opvallend is dat de prevalentie van congenitale malaria hoger was in gebieden met onstabiele, wisselende transmissie dan in gebieden waar het hele jaar door malariatransmissie aanwezig is. Mogelijk wordt dit veroorzaakt door de aanwezigheid van beschermende antilichamen bij de moeder en via de placenta ook bij het kind in gebieden met constante transmissie. (Semi-)immune zwangeren lopen een kleiner risico op transplacentaire transmissie dan zwangeren die nooit met malaria in aanraking zijn geweest of nooit malaria hebben doorgemaakt, waarschijnlijk ook door beschermende antistoffen.
Besmettelijke periode
Mens-op-mens-transmissie komt slechts zelden voor (zie Incidentele besmettingsroutes); een besmettelijke periode kan hiervoor niet gegeven worden.
De voor muggen besmettelijke periode
Het bloed van een persoon met malaria is voor de mug besmettelijk vanaf het moment dat er gametocyten (geslachtelijke vormen) aanwezig zijn in het bloed. Dit is het geval vanaf 8-12 dagen na de beet van een geïnfecteerde mug bij P. falciparum en enkele dagen later bij P. vivax en P. ovale (Baker 2010, Bantuchai 2022). De mug is na een periode van gemiddeld twee weken in staat tot infectie van de mens en blijft dit gedurende de gehele levensduur van de mug (enkele weken).
Besmettelijkheid
De mens is in principe niet besmettelijk voor de mens (behalve via Incidentele besmettingsroutes).
Risicogroepen
Verhoogde kans op infectie
Reizigers naar endemische gebieden. Zie ook Arbeidsgerelateerde risicogroepen.
Verhoogde kans op ernstig beloop
Er bestaat een verhoogde kans op complicaties bij (Ashley 2018, Hanscheid 2025):
- Zwangeren
- Kinderen, met name jonger dan 5 jaar
- Personen zonder (functionele) milt
- Personen die niet immuun zijn (of hun immuniteit hebben verloren), binnen deze groep lopen ouderen extra risico op een ernstig beloop
- Personen met homozygote sikkelcelanemie (heterozygotie geeft een bepaalde vorm van bescherming) en heterozygote dragers van zowel het sikkelcel- als het thalassemie-gen
- Personen met hiv
Personen met hiv hebben een hogere kans op ernstig beloop indien de cellulaire immuniteit, afgemeten aan het CD4-getal, verminderd is. In de literatuur wordt hiervoor een CD4-getal genoemd van lager dan 350 CD4-cellen per microliter (Chalwe 2009, Mouala 2009).
Verhoogde kans op ernstig beloop bij zwangerschap
Zwangeren hebben bij malaria een verhoogde kans op een ernstig beloop en op complicaties bij de foetus. Door aanhechting van erytrocyten geïnfecteerd met malaria-parasieten op de bloedvatwand in de placenta ontstaat inflammatie van de placenta en gedysreguleerde angiogenese, wat de kwaliteit van de placenta aantast (Daily 2025, WHO 2025). Er is een verhoogd risico op laag geboortegewicht bij de pasgeborene en toegenomen anemie bij de moeder (met name bij personen in endemische gebieden). Bij niet-immune zwangeren is er een verhoogd risico op ernstige complicaties van malaria: intra-uteriene vruchtdood en overlijden van de moeder (WHO 2025).
Behandeling
De Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB) en de Nederlandse Vereniging voor Parasitologie (NVP) adviseren artemisinine als de hoeksteen van de behandeling van infecties met P. falciparum (malaria tropica) of in zeldzamer geval P. knowlesi. In geval van ernstige infecties is intraveneuze behandeling met artesunaat de eerste keuze. Voor ongecompliceerde infecties is een op artemisinine of atovaquone-gebaseerde orale combinatietherapie het meest werkzaam. Bij de behandeling moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid van artemisinine-resistentie; met name stammen in Zuidoost-Azië kunnen verminderd gevoelig zijn, maar ook in oostelijk Afrika is artemisinine-resistentie in opkomst (Rosenthal 2024, White 2014).
Bij infecties met P. vivax en P. ovale (malaria tertiana), moet naast de behandeling die is gericht op de ziekte zelf ook nabehandeld worden om de hypnozoïeten te elimineren, zodat relapses kunnen worden voorkomen. Er dient ook rekening te worden gehouden met chloroquineresistente P. vivax-stammen in Zuidoost-Azië. Malaria door chloroquineresistente P. vivax kan goed behandeld worden met een op artemisinine-gebaseerde combinatietherapie (Rosenthal 2024).
Infecties met P. malariae kunnen over het algemeen goed behandeld worden met orale regimes gebaseerd op artemeter.
Voor meer informatie over de behandeling van malaria zie de richtlijnen van de SWAB en de NVP.
Diagnostiek
Het hoofdstuk Diagnostiek wordt verzorgd door de subcommissie diagnostiek met medewerking van de (Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie).
Voor een uitgebreide richtlijn ten aanzien van malariadiagnostiek, zie de FMS-richtlijn Malariadiagnostiek.
Vanwege het mogelijk fulminante en zelfs fatale beloop van malaria, is malariadiagnostiek in Nederland citodiagnostiek die 7 dagen per week 24 uur per dag beschikbaar moet zijn. Het is een kunstfout om bij verdenking van malaria te wachten met de bloedafname tot de eerstvolgende koortspiek. De daardoor veroorzaakte vertraging van de diagnostiek kan ernstige gevolgen hebben. Na bloedafname dient er binnen 90 minuten een screeningstest te worden uitgevoerd.
Microbiologische diagnostiek
Directe diagnostiek
Het aantonen van parasieten met microscopie op een bloeduitstrijk en/of dikkedruppelpreparaat is nog steeds de gouden standaard voor malariadiagnostiek. Deze technieken vereisen specifieke deskundigheid van goed opgeleid analytisch personeel.
Huidige diagnostiek in Nederland gebeurt middels een screeningsonderzoek op de aanwezigheid of afwezigheid van malaria (1 test of een combinatie van verschillende testen met een zeer hoge sensitiviteit voor alle malariasoorten, met maximaal 90 minuten doorlooptijd en 24/7 beschikbaar), gevolgd door een confirmatie-onderzoek middels microscopie (confirmatie van de aanwezigheid van malaria, speciesdeterminatie en eventueel parasitemie-bepaling).
Beschikbare diagnostische methoden zijn:
- Microscopie bloeduitstrijk en dikke druppel (screenings- en bevestigingtest)
Het dikkedruppelpreparaat is een preparaat van gelyseerd bloed waarin Plasmodium-parasieten kunnen worden aangetoond. De sensitiviteit is relatief hoog. Als er malariaparasieten worden gezien in het dikkedruppelpreparaat wordt gebruik gemaakt van bloeduitstrijkpreparaten voor het vaststellen van de Plasmodium-soort.
Het percentage geïnfecteerde erytrocyten (parasitaemie) wordt dan ook bepaald bij een infectie met P. falciparum of P. knowlesi, omdat dit medebepalend is voor de therapie.
- Malaria-antigeentesten (RDT) (screeningstest)
Malaria-antigeentesten (rapid diagnostic tests, RDT) zijn immunochromatografische kaarttesten waarbij antigeen van Plasmodium-parasieten wordt aangetoond. Ze zijn snel en eenvoudig in gebruik, maar minder sensitief en specifiek dan microscopie. Deze kaarten gebruiken verschillende Plasmodium-antigenen met verschillende gevoeligheid. Sommige van deze antigenen worden alleen gevonden in P. falciparum, waardoor vaak onderscheid gemaakt kan worden tussen P. falciparum en andere soorten. Er verschijnen echter steeds meer rapporten van P. falciparum die het P. falciparum-specifieke (HRP2) antigeen missen en daardoor niet worden gedetecteerd door de RDT. Afhankelijk van geografische locatie mist de RDT 10-40% of zelfs tot 80% van P. falciparum-gevallen. De RDT is ook onvoldoende sensitief om non-falciparum species te detecteren en kunnen P. falciparum-infecties met hoge parasitemie missen door de zogenoemde 'prozone effect'.
Malaria is niet uitgesloten bij een negatief antigeentestresultaat en een positieve malaria-antigeentest moet worden gevolgd door microscopisch onderzoek om de soort en het infectiepercentage te bepalen.
- LAMP (screeningstest)
LAMP is een Nucleic Acid Amplification Test (DNA-detectie) die veel sneller een uitslag geeft dan een conventionele Polymerase Chain Reaction (PCR) en geen specifiek hiervoor getrainde analisten nodig heeft, waardoor deze techniek makkelijk te implementeren is.
Een positieve LAMP-test geeft aan dat er Plasmodium spp.-DNA aanwezig is, maar kan geen soort en/of parasitemie bepalen. Daar is nog steeds microscopie voor nodig.
Zowel de sensitiviteit als de negatieve voorspellende waarde (NVW) van de LAMP-test worden als zeer hoog ingeschat. De specificiteit van LAMP in de follow-up is laag, door de (submicroscopische) aanwezigheid van gametocyten van Plasmodium spp. in het perifere bloed na adequate behandeling.
- QBC (quantitative buffy coat) (screeningstest)
De quantitative buffy coat (QBC)-techniek is een methode gebaseerd op micro-centrifugatie, fluorescentie en densiteit van geïnfecteerde rode bloed cellen. De sensitiviteit van de QBC is waarschijnlijk iets lager dan van de LAMP maar vergelijkbaar met microscopie. De QBC heeft wel een betere specificiteit dan de LAMP en dus een betere positief voorspellende waarde. Het is niet mogelijk om de hoogte van de parasitemie te determineren door middel van de QBC.
Dit is een techniek die vooral zinvol is voor laboratoria die regelmatig malariaonderzoek verrichten, aangezien analisten hierop getraind dienen te worden en de apparatuur benodigd voor uitvoeren van een QBC kostbaarder is dan voor standaard microscopie, RDT of LAMP. Van de screeningstesten is alleen de LAMP voldoende sensitief om als enige test te gebruikt kunnen worden, de andere testen (RDT en QBC) moeten altijd worden gecombineerd met een andere test (een tweede screeningstest of microscopie).
Overige directe methoden
- PCR-diagnostiek
PCR is vooral nuttig ter confirmatie van het microscopisch onderzoek of bij twijfel over de Plasmodium-soort(en), onder andere bij verdenking op een menginfectie, en is beschikbaar in de meeste expertisecentra voor parasitologische diagnostiek (zie Nederlandse Vereniging Parasitologie).
- Flowcytometrische technieken
Fluorescentie-flowcytometrische technieken worden door enkele expertisecentra sporadisch gebruikt. Met deze techniek kan binnen 1 minuut een Plasmodium-infectie aangetoond worden, waarbij tevens de parasitaemie accuraat bepaald wordt en P. falciparum van de overige Plasmodium-species onderscheiden kan worden. Daarnaast kunnen met deze methode ook andere bloedparasieten dan Plasmodium aangetoond worden, zoals Trypanosoma spp. en Babesia spp. De methode is sensitiever dan klassieke microscopie, maar wel kostbaar en vergt een speciaal apparaat, waardoor deze methodiek nog niet toegankelijk is voor de meeste laboratoria.
Waakzaamheid bij een negatieve uitslag
Bij een negatieve screeningstest en/of confirmatietest zonder microscopie moet alsnog (microscopisch) onderzoek overwogen om andere bloedparasieten te detecteren (zoals Trypanosoma-soorten en Babesia-soorten) als er geen alternatieve diagnose waarschijnlijk wordt geacht en de kliniek en epidemiologie hierbij zouden kunnen passen (in overleg met arts-microbioloog en/of expertisecentrum).
Herhaal ook de combinatie van testen bij blijvende hoge klinische verdenking op malaria en een negatieve testuitslag. In de literatuur is echter geen duidelijke onderbouwing voor het drie keer herhalen van de antigeentest/microscopie/QBC voor een voldoende hoge NVW.
Indirecte diagnostiek
Antistoffen zijn pas een week na ontstaan van het ziektebeeld aantoonbaar in het bloed en blijven tijdelijk (enkele maanden) in het bloed aanwezig. Antistofbepaling heeft geen plaats in de acute diagnostiek of de klinische follow-up van malaria.
Typering voor bron- en contactonderzoek
Niet van toepassing.
Niet-microbiologische diagnostiek
Niet van toepassing.
Preventie
Immunisatie
Vaccinatie
Er zijn twee vaccins geregistreerd voor gebruik bij kinderen in endemische gebieden: RTS,S/AS01 en R21/Matrix-M (WHO 2025). Deze vaccins geven slechts gedeeltelijke bescherming tegen P. falciparum-malaria, die in de loop der jaren afneemt (Datoo 2024, Olotu 2013). Daarnaast bieden deze vaccins geen bescherming tegen andere Plasmodium-species. In de nabije toekomst is er ook geen effectief vaccin voor reizigers te verwachten.
Algemene preventieve maatregelen
Preventie van malaria in landen waar malaria endemisch voorkomt bestaat uit (WHO 2025):
- bestrijding van de mug (applicatie insecticidenspray) en muggenlarve (verwijderen van stilstaand water of toevoegen van insectiden aan water);
- voorkomen van muggenbeten (gebruik van geïmpregneerde muggennetten, huidbedekkende kleding en muggenwerende middelen);
- gebruik van chemoprofylaxe.
Voor vertrek naar malaria-endemische gebieden wordt aanbevolen advies in te winnen over preventieve maatregelen bij een reizigersadviesbureau of reisgeneeskundig huisarts.
Zie voor meer informatie over het voorkomen van muggenbeten de LCI-richtlijn Muggenwerende maatregelen.
Chemoprofylaxe en noodbehandeling
Voor uitgebreide informatie en advisering rondom chemoprofylaxe en noodbehandeling, zie het LCR-protocol Malaria. Dit is beschikbaar voor abonnees via mijn.lcr.nl. Daar zijn tevens de LCR-landenlijst en malariakaarten te raadplegen, waarop gebieden met hoge, middelmatige en lage malariatransmissie zijn aangegeven. In deze richtlijn wordt een kort overzicht gegeven van chemoprofylaxe en noodbehandeling. Voor bijzondere groepen, zoals zwangeren, jonge kinderen, personen met (functionele) hypo- en asplenie en mensen met afweerstoornissen kunnen andere adviezen gelden dan hieronder vermeld.
Afhankelijk van het risico op malariatransmissie in het gebied worden chemoprofylaxe of noodbehandeling geadviseerd in aanvulling op de algemene preventieve maatregelen.
Hoge malariatransmissie
Chemoprofylaxe wordt aanbevolen voor reizigers naar gebieden met hoge malariatransmissie. Chemoprofylaxe van malaria is primair gericht op het voorkomen van malaria tropica. Arts en reiziger dienen zich ervan bewust te zijn dat, mede door de in ernst toenemende en zich uitbreidende meervoudige resistente parasieten en onjuist gebruik van chemoprofylaxe, de bescherming nooit 100% is. Bij koorts na terugkeer uit de tropen dient malaria altijd zo snel mogelijk te worden uitgesloten, ook als men profylaxe (heeft) gebruikt. De incubatietijd kan door het gebruik van chemoprofylaxe verlengd zijn (zie ook Incubatieperiode).
In Nederland worden doorgaans mefloquine of atovaquon/proguanil geadviseerd als chemoprofylaxe. In sommige gevallen wordt doxycycline voorgeschreven. Chloroquine wordt vrijwel niet meer gebruikt, omdat in veel gebieden resistentie tegen dit middel is ontstaan.
Mefloquine, doxycycline en chloroquine zijn suppressieve chemoprofylactica; zij werken op de bloedstadia van de parasiet. Omdat het vanaf het moment van geïnfecteerde muggensteek enige weken kan duren voordat de bloedstadia uit de lever vrijkomen, moeten deze middelen tot vier weken na het verlaten van het malariagebied worden ingenomen.
Atovaquon/proguanil is een causaal profylacticum dat werkt op zowel de lever- als de bloedstadia van de parasiet. Omdat het middel de parasieten elimineert die zich direct na infectie in de lever bevinden, hoeft atovaquon/proguanil maar tot zeven dagen na het verlaten van het malariagebied te worden ingenomen.
Middelmatige malariatransmissie
Voor gebieden met middelmatige malariatransmissie wordt het meenemen van een noodbehandeling geadviseerd als toegang tot medische hulp binnen 48 uur onmogelijk is. In geval van verschijnselen die kunnen wijzen op malaria en die langer dan 24 uur aanhouden of recidiveren, wordt de noodbehandeling ingenomen als er geen arts kan worden geraadpleegd. Na inname dient alsnog zo snel mogelijk medische hulp te worden gezocht. In Nederland zijn er twee combinatiepreparaten die gebruikt worden als noodbehandeling: atovaquon/proguanil en artemether/lumefantrine.
Lage malariatransmissie
Voor gebieden met lage malariatransmissie worden uitsluitend muggenwerende maatregelen geadviseerd.
Semi-immuniteit
Personen met semi-immuniteit dienen bij bezoek aan endemische malariagebieden dezelfde voorzorgsmaatregelen te nemen als niet-immune personen (zie voor toelichting Natuurlijke immuniteit).
Preventieve maatregelen bij zwangeren
In verband met een verhoogde kans op ernstig beloop gelden voor zwangeren, naast de algemene preventieve maatregelen, de volgende aanvullende adviezen:
- Zwangeren wordt afgeraden om te reizen naar gebieden met hoge of middelmatige malariatransmissie.
- Indien toch besloten wordt om naar gebieden te reizen met hoge of middelmatige transmissie wordt geadviseerd om chemoprofylaxe te gebruiken die veilig is tijdens de zwangerschap of het geven van borstvoeding (zie LCR-protocol Malaria). Noodbehandeling wordt nooit geadviseerd aan zwangeren.
- Het gebruik van muggenwerende middelen met maximaal 30% DEET worden naast de reguliere muggenwerende maatregelen sterk aangeraden.
Zie ook de LCI-richtlijn Muggenwerende maatregelen en het LCR-protocol Malaria.
Preventieve maatregelen bij bloeddonoren
Voor bloeddonoren gelden extra voorzorgsmaatregelen na verblijf in gebieden waar malaria voorkomt of na een doorgemaakte malaria. Afhankelijk van het reisverleden en eventuele ziekteverschijnselen, is het tijdelijk niet toegestaan om bloed te doneren of kan een malariatest nodig zijn. Zie voor meer informatie de website van Sanquin.
Reiniging, desinfectie en sterilisatie
Conform de SRI-richtlijnen Medisch-specialistische zorg ter preventie van nosocomiale transmissie. De LCI-richtlijn Reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg is niet van toepassing.
Maatregelen
Meldingsplicht
Malaria is een meldingsplichtige ziekte groep C. Artsen en hoofden van laboratoria moeten bij vaststelling van de infectieziekte dit binnen 1 werkdag melden aan de (Gemeentelijke gezondheidsdienst). De GGD meldt gepseudonimiseerd conform de Wet publieke gezondheid binnen 1 week aan het (Centrum Infectieziektebestrijding) en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.
Meldingscriteria
- een persoon met koorts,
en - aantonen van malariaparasieten.
Inschakelen van andere instanties
Bij een verdenking op (lucht)havenmalaria wordt het Centrum Monitoring Vectoren (CMV) van de (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) betrokken in overleg met de LCI/RIVM.
Bron- en contactonderzoek
Bronopsporing
Bronopsporing is alleen nodig als de besmetting vermoedelijk in Nederland heeft plaatsgevonden (zie Incidentele besmettingsroutes en Risicolopers). Bij een waarschijnlijke bron in Nederland wordt nader brononderzoek verricht in overleg met de LCI/RIVM. Bij verdenking van (lucht)havenmalaria wordt de NVWA betrokken. Er worden dan aanvullende gegevens verzameld over tijd en plaats, er vindt een entomologische risicobeoordeling plaats en er wordt beoordeeld of er aanvullende maatregelen nodig zijn.
Als de besmetting in een endemisch gebied heeft plaatsgevonden, is bronopsporing niet nodig. Wel worden gegevens verzameld, waaronder land van besmetting, periode van verblijf, gebruik van profylaxe, risicogroep en malariasoort.
Contactonderzoek
Niet nodig.
Maatregelen ten aanzien van index, contacten en bron
Maatregelen bij een verdenking
Bij iedereen die binnen enkele maanden na het verlaten van de tropen ziek wordt en koorts heeft, moet de mogelijkheid van malaria overwogen worden. Als er verdenking is op malaria moet dit zo snel mogelijk worden aangetoond dan wel uitgesloten. De uitslag dient binnen enkele uren bekend te zijn, inclusief Plasmodium-soort en – indien het P. falciparum of P. knowlesi betreft – het percentage geïnfecteerde erytrocyten. Dit dient ook te gebeuren als men profylaxe (heeft) gebruikt.
Maatregelen bij een bevestigd geval
Alleen bij een waarschijnlijke bron in Nederland zijn mogelijk maatregelen geïndiceerd, zie Bronopsporing.
Postexpositieprofylaxe
Niet van toepassing.
Wering
Niet van toepassing.
Arbeidsrelevante aanvullingen
Deze aanvullingen zijn geschreven voor en door bedrijfsartsen en beschrijven de preventieve maatregelen om het oplopen van infectieziekten tijdens het werk te voorkomen (werknemer als risicoloper) en de maatregelen/aanpassingen die genomen kunnen worden bij vaststelling van de infectieziekte bij de werknemer (werknemer als risicovormer). In de werksituatie gelden de Arbowet, het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) en de Europese Richtlijn 2000/54 gericht op preventie. Zie ook biologische agentia in de wet (Arboportaal.nl).
Ziekteverschijnselen in relatie tot arbeid
Zie de paragraaf Ziekteverschijnselen in de hoofdtekst van deze richtlijn. Belastbaarheid in werk wordt bepaald door de ernst van de symptomen. Werknemers zonder immuniteit zijn doorgaans te ziek om hun werkzaamheden voort te zetten.
Arbeidsgerelateerde risicogroepen
Risicolopers
Beroepsgroepen met een verhoogde kans op infectie zijn werknemers die voor hun werk verblijven in gebieden waar malaria endemisch voorkomt. Ook laboratoriummedewerkers die direct werken met Plasmodium spp. of met Plasmodium spp. besmette muggen lopen risico. Daarnaast kunnen (in zeldzame gevallen) werknemers die betrokken zijn bij lucht- en zeevervoer besmet raken door een malariamug die per ongeluk is getransporteerd naar een gebied waar malaria normaal niet voorkomt (Chen 2018, Hallmaier-Wacker 2024, Kölsch 2023, Msellemu 2024).
Risicovormers
Niet van toepassing.
Werknemers met een verhoogde kans op ernstig beloop
Voor (medische) risicogroepen zie Verhoogde kans op ernstig beloop in de hoofdtekst van deze richtlijn. In de risico-inventarisatie en evaluatie moet rekening gehouden zijn met de medische risicogroepen en de demografie van de werknemerspopulatie. Zie ook: Risico-inventarisatie- en evaluatie (RI&E) op het Arboportaal).
Preventieve maatregelen op het werk
De werkgever is in het kader van het Arbeidsomstandighedenbesluit verantwoordelijk voor de bescherming van werknemers in het algemeen en zwangere medewerkers in het bijzonder (Afdeling 9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit).
Volg de Algemene preventieve maatregelen en, bij preventieve maatregelen op het werk, de bio-arbeidshygiënische strategie op het Arboportaal.
Aanvullend op de maatregelen die hier staan beschreven wordt aan werknemers die voor het werk naar endemische gebieden reizen het volgende aanbevolen:
- Regel een medische keuring (arbeidsgezondheidskundig onderzoek) bij een professional met aantoonbare deskundigheid en verbonden aan een LCR-gecertificeerde reizigersadvies- en vaccinatiekliniek. Hierbij wordt speciale aandacht besteed aan kwetsbare groepen, om te beoordelen of verblijf in een malariarisicogebied past bij de eigen gezondheid van betrokken medewerkers. Wijs medewerkers daarnaast op nazorg bij terugkeer, mocht er sprake zijn van sprake zijn van een onvoorziene infectie waarvoor behandeling nodig is (Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.91). Geef voorlichting over malaria en preventieve behandeling, zie Preventie en Chemoprofylaxe en noodbehandeling en geef informatie over eventuele noodbehandeling. Voor medewerkers kunnen de adviezen ten aanzien van chemoprofylaxe en noodbehandeling afwijken van die van standaardreizigers en in sommige gevallen kunnen malariasneltesten worden meegegeven.
- Zorg dat medewerkers geïnformeerd zijn over de plek waar zij zich ter plaatse kunnen laten behandelen. Informeer hen over gemaakte afspraken voor noodsituaties en eventuele repatriëring. Medewerkers moeten geïnformeerd zijn over de mogelijke aanwezigheid van namaakmedicatie ter plaatse (Nayyar 2012, (World Health Organization) 2024).
- Voor lang- en frequentverblijvers in hoogrisicogebieden is het van belang acceptatie van de maatregelen te toetsen en eventuele veranderingen in het malaria risico tijdens het verblijf ter plaatse te herevalueren.
Bovenstaande kan worden belegd bij specialistische centra met expertise op dit gebied.
Plasmodium falciparum valt in risicoklasse 3 en andere Plasmodium spp. in risicoklasse 2 van de biologische agentia (zie Europese Richtlijn 2019/1833). Laboratoriummedewerkers die gericht onderzoek doen naar de Plasmodium-parasiet voeren hun werkzaamheden uit op BSL-3-niveau (P. falciparum) of BSL-2-niveau (andere Plasmodium spp.).
Als medewerkers blootgesteld kunnen worden aan biologische agentia van de categorie 3 (zoals Plasmodium falciparum) is de werkgever verplicht een register bij te houden waarin deze (mogelijke) blootstelling is vastgelegd. Voor meer informatie en instructies zie Arbobesluit artikel 4.90. Jeugdige werknemers verrichten geen arbeid met, of worden niet blootgesteld aan, biologische agentia van categorie 3 of 4 (Arbobesluit artikel 4.105). Ook zwangeren verdienen speciale aandacht (Arbobesluit artikel 4.107).
Preventieve maatregelen bij kinderwens, zwangerschap of lactatie
Werkgevers actief in sectoren waar werknemers risico kunnen lopen op malaria (zie Risicolopers) dienen, bij voorkeur bij aanstelling, medewerkers te wijzen op het anonieme open spreekuur (arbeidsomstandigheden- of preventief spreekuur) bij de bedrijfsarts bij zwangerschapswens, zwangerschap of lactatie. Bespreek voor vertrek naar het endemisch gebied in een preconceptioneel consult de risico’s van malaria tijdens de zwangerschap voor moeder en kind, zie Perinatale overdracht en Verhoogde kans op ernstig beloop bij zwangerschap. Medewerkers die zwanger worden tijdens hun verblijf moeten zijn voorgelicht over de risico’s en de lokale medisch-hygiënische situatie. Zoals beschreven onder Preventieve maatregelen bij zwangeren wordt het zwangeren afgeraden te reizen naar gebieden met hoge of middelmatige malariatransmissie. Voor medewerkers die zwanger zijn of borstvoeding geven, zie Preventieve maatregelen bij zwangeren.
Maatregelen en wering van werk
Maatregelen
Zie Maatregelen in de hoofdtekst van deze richtlijn. Medewerkers die een malariasneltest hebben meegekregen moeten zijn geïnformeerd over de te nemen vervolgstappen na inzet van deze test. Indien van toepassing moeten ook de indicaties voor en het gebruik van een noodbehandeling zijn besproken. Zie voor meer achtergrondinformatie het LCR-protocol Malaria. Voor monitoring van de medische behandeling ter plaatse en het indien nodig initiëren van een medisch evacuatieproces dienen voor vertrek afspraken te zijn gemaakt.
Wering van werk
Wering van werk bij besmetting is niet van toepassing.
Melden als beroepsziekte
Indien de ziekte (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening is de bedrijfsarts verplicht (Arbobesluit artikel 9.3) om dit (online) te melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Het oplopen van malaria bij een werknemer die vanwege zijn werk verbleef in een malariagebied dient te worden gemeld als beroepsziekte.
Van 2015 tot en met 2025 zijn er 26 meldingen gedaan van arbeidsgerelateerde malaria. Dit is naar verwachting een onderschatting van het werkelijke aantal gevallen. Het (Nederlands Centrum voor Beroepsziekten) heeft te maken met onderrapportage. Het betrof in de meerderheid van de gevallen (21/26) meldingen vanuit de luchtvaart, andere meldingen komen van andere werkgevers waarvoor men voor het werk naar het buitenland werd uitgezonden. Ook een werknemer van een zeeschip liep malaria op in Afrika. In de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2024 werden in Osiris 271 gerelateerde ziektegevallen gemeld die tijdens werkzaamheden in het buitenland zijn opgelopen. Het betreft onder andere expats, zakenreizigers, medewerkers van de transportsector en de zorg.
Literatuur
- Ashley EA, White NJ. In: Jameson JL, Fauci AS, Kasper DL, Hauser SL, Longo DL, Loscalzo J, editors. Harrison's Principles of Internal Medicine, 20e. New York, NY: McGraw-Hill Education; 2018.
- Baker DA. Malaria gametocytogenesis. Mol Biochem Parasitol. 2010;172(2):57–65. doi.org/10.1016/j.molbiopara.2010.03.019
- Bantuchai S, Imad H, Nguitragool W. Plasmodium vivax gametocytes and transmission. Parasitology International. 2022;87:102497. doi.org/10.1016/j.parint.2021.102497
- Battle KE, Baird JK. The global burden of Plasmodium vivax malaria is obscure and insidious. PLOS Medicine. 2021;18(10):e1003799. doi.org/10.1371/journal.pmed.1003799
- Bilal JA, Malik EE, Al-Nafeesah A, Adam I. Global prevalence of congenital malaria: A systematic review and meta-analysis. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 2020;252:534–42. doi.org/10.1016/j.ejogrb.2020.06.025
- Chalwe V, Van geertruyden JP, Mukwamataba D, Menten J, Kamalamba J, Mulenga M, et al. Increased risk for severe malaria in HIV-1-infected adults, Zambia. Emerg Infect Dis. 2009;15(5):749; quiz 858. doi.org/10.3201/eid1505.081009
- Chen LH, Leder K, Barbre KA, Schlagenhauf P, Libman M, Keystone J, et al. Business travel-associated illness: a GeoSentinel analysis. J Travel Med. 2018;25(1). doi.org/10.1093/jtm/tax097
- Daily JP, Parikh S. Malaria. N Engl J Med. 2025;392(13):1320–33. doi.org/10.1056/NEJMra2405313
- Datoo MS, Dicko A, Tinto H, Ouédraogo JB, Hamaluba M, Olotu A, et al. Safety and efficacy of malaria vaccine candidate R21/Matrix-M in African children: a multicentre, double-blind, randomised, phase 3 trial. Lancet. 2024;403(10426):533–44. doi.org/10.1016/s0140-6736(23)02511-4
- de Gier B, Suryapranata FS, Croughs M, van Genderen PJ, Keuter M, Visser LG, et al. Increase in imported malaria in the Netherlands in asylum seekers and VFR travellers. Malar J. 2017;16(1):60. doi.org/10.1186/s12936-017-1711-5
- Fiarhurst RM, Wellems TE. Malaria (Plasmodium species). In: Bennett J, editor. Mandell, Douglas and Bennett's Principles and Practice of Infectious Diseases. 2. 9th ed: Elsevier - OHCE; 2019. p. 3299–318.
- Fuehrer H-P, Campino S, Sutherland CJ. The primate malaria parasites Plasmodium malariae, Plasmodium brasilianum and Plasmodium ovale spp.: genomic insights into distribution, dispersal and host transitions. Malaria Journal. 2022;21(1):138. doi.org/10.1186/s12936-022-04151-4
- Hallmaier-Wacker LK, van Eick MD, Briët O, Delamare H, Falkenhorst G, Houzé S, et al. Airport and luggage (Odyssean) malaria in Europe: a systematic review. Euro Surveill. 2024;29(41). doi.org/10.2807/1560-7917.Es.2024.29.41.2400237
- Hanscheid, T., Kain, K.C., Grobusch, M.P. (2025). Severe Malaria: Overview. In: Kremsner, P.G., Krishna, S. (eds) Encyclopedia of Malaria. Springer, New York, NY. doi.org/10.1007/978-1-4614-8757-9_161-1
- Kölsch Y, Phiri BSJ, Küpper T. Tropical infections as occupational diseases among young volunteers in social projects. Int J Hyg Environ Health. 2023;250:114164. doi.org/10.1016/j.ijheh.2023.114164
- Menkin-Smith L, Winders WT. Plasmodium vivax Malaria. StatPearls. Treasure Island (FL): StatPearls Publishing, LLC.; 2025.
- Mischlinger J, Rönnberg C, Álvarez-Martínez MJ, Bühler S, Paul M, Schlagenhauf P, et al. Imported Malaria in Countries where Malaria Is Not Endemic: a Comparison of Semi-immune and Nonimmune Travelers. Clin Microbiol Rev. 2020;33(2). doi.org/10.1128/cmr.00104-19
- Mouala C, Guiguet M, Houzé S, Damond F, Pialoux G, Viget N, et al. Impact of HIV infection on severity of imported malaria is restricted to patients with CD4 cell counts < 350 cells/microl. Aids. 2009;23(15):1997–2004. doi.org/10.1097/QAD.0b013e32832f4215
- Mouchet J. Airport malaria : a rare disease still poorly understood. Euro Surveill. 2000;5(7):75–6. doi.org/10.2807/esm.05.07.00016-en
- Msellemu D, Tanner M, Yadav R, Moore SJ. Occupational exposure to malaria, leishmaniasis and arbovirus vectors in endemic regions: A systematic review. Curr Res Parasitol Vector Borne Dis. 2024;6:100185. doi.org/10.1016/j.crpvbd.2024.100185
- Nayyar GM, Breman JG, Newton PN, Herrington J. Poor-quality antimalarial drugs in southeast Asia and sub-Saharan Africa. Lancet Infect Dis. 2012;12(6):488–96. doi.org/10.1016/s1473-3099(12)70064-6
- Nederstigt C, van Dam CV, Jeninga EH, Haak BW, Schouten M, Michels M. Severe cases of Plasmodium falciparum infection on the ICU: diagnostic challenges and management. 2023.
- Okafor CN, Finnigan NA. Plasmodium ovale Malaria. StatPearls. Treasure Island (FL): StatPearls Publishing. LLC.; 2025.
- Olotu A, Fegan G, Wambua J, Nyangweso G, Awuondo KO, Leach A, et al. Four-year efficacy of RTS,S/AS01E and its interaction with malaria exposure. N Engl J Med. 2013;368(12):1111–20. doi.org/10.1056/NEJMoa1207564
- Oriero EC, Amenga-Etego L, Ishengoma DS, Amambua-Ngwa A. Plasmodium malariae, current knowledge and future research opportunities on a neglected malaria parasite species. Crit Rev Microbiol. 2021;47(1):44–56. doi.org/10.1080/1040841x.2020.1838440
- (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Staat van Zoönosen 2024 2025.
- Rosenthal PJ, Asua V, Bailey JA, Conrad MD, Ishengoma DS, Kamya MR, et al. The emergence of artemisinin partial resistance in Africa: how do we respond? The Lancet Infectious Diseases. 2024;24(9):e591–e600. doi.org/10.1016/S1473-3099(24)00141-5
- Schwartz E, Parise M, Kozarsky P, Cetron M. Delayed onset of malaria--implications for chemoprophylaxis in travelers. N Engl J Med. 2003;349(16):1510–6. doi.org/10.1056/NEJMoa021592
- Spanakos G, Snounou G, Pervanidou D, Alifrangis M, Rosanas-Urgell A, Baka A, et al. Genetic Spatiotemporal Anatomy of Plasmodium vivax Malaria Episodes in Greece, 2009-2013. Emerg Infect Dis. 2018;24(3):541–8. doi.org/10.3201/eid2403.170605
- Suh E, Stopard IJ, Lambert B, Waite JL, Dennington NL, Churcher TS, et al. Estimating the effects of temperature on transmission of the human malaria parasite, Plasmodium falciparum. Nat Commun. 2024;15(1):3230. doi.org/10.1038/s41467-024-47265-w
- Thang HD, Elsas RM, Veenstra J. Airport malaria: report of a case and a brief review of the literature. Neth J Med. 2002;60(11):441–3.
- Tobin RJ, Harrison LE, Tully MK, Lubis IND, Noviyanti R, Anstey NM, et al. Updating estimates of Plasmodium knowlesi malaria risk in response to changing land use patterns across Southeast Asia. PLoS Negl Trop Dis. 2024;18(1):e0011570. doi.org/10.1371/journal.pntd.0011570
- van der Kaaden JJ. Geschiedenis van de inheemse malaria in Nederland. RIVM; 2003.
- White NJ, Pukrittayakamee S, Hien TT, Faiz MA, Mokuolu OA, Dondorp AM. Malaria. Lancet. 2014;383(9918):723–35. doi.org/10.1016/s0140-6736(13)60024-0
- WHO. International travel and health. Module 3. Malaria. Geneva: World Health Organization; 2024.
- WHO. WHO guidelines for malaria. 2025.
- WHO. World malaria report 2025.
- Winterberg DH, Wever PC, van Rheenen-Verberg C, Kempers O, Durand R, Bos AP, et al. A boy with nosocomial malaria tropica contracted in a Dutch hospital. Pediatr Infect Dis J. 2005;24(1):89–91. doi.org/10.1097/01.inf.0000148881.92329.f6