Kinkhoestvaccinatie zwangere vrouwen Richtlijn

 

Pasgeborenen en jonge, nog niet of onvoldoende gevaccineerde zuigelingen vormen de belangrijkste risicogroep voor het krijgen van een ernstige kinkhoestinfectie. Een effectieve manier om jonge zuigelingen te beschermen tegen kinkhoest is door middel van het vaccineren van zwangere vrouwen. Via de placenta geven zwangere vrouwen beschermende antistoffen door aan hun kind. Deze antistoffen beschermen de zuigeling de eerste levensmaanden tegen (een ernstig verloop van) kinkhoest.

De Gezondheidsraad heeft eind 2015 het advies uitgebracht om kinkhoestvaccinatie tijdens de zwangerschap aan te bieden in een nationaal programma. De minister van VWS zal beslissen of zij dit advies overneemt en hoe dit uitgevoerd zal gaan worden.

1. Achtergrond

Over kinkhoest
Kinkhoest is een acute infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bordetella pertussis en minder frequent door Bordetella parapertussis. Kinkhoest is vooral gevaarlijk voor niet of onvoldoende gevaccineerde zuigelingen, omdat in deze groep vaker complicaties (apnoe, hypoxie, pneumonie, encefalopathie en zelfs overlijden) worden gezien. Opnames in het ziekenhuis vinden voornamelijk in de eerste 2 tot 3 levensmaanden plaats.

Bij (gevaccineerde) oudere kinderen en volwassenen verloopt de ziekte minder heftig (of zelfs asymptomatisch), maar ondanks vaccinatie kan kinkhoest ook bij hen tot een langdurige en hardnekkige prikkelhoest leiden. Op basis van (serosurveillance-)onderzoek lijkt tot 10% van de oudere kinderen en volwassenen in Nederland recent een kinkhoestinfectie te hebben gehad, terwijl een minderheid hiervan (25%) langdurig hoesten meldt (De Greeff 2010). Ouders, met name moeders, en broertjes en zusjes, zijn de belangrijkste besmettingsbron voor de ongevaccineerde pasgeborenen en jonge zuigelingen. Een klein deel wordt door anderen (buiten het gezin) besmet (De Greeff 2010b).

Per jaar worden er in Nederland gemiddeld 170 gevallen van kinkhoest gemeld onder baby’s en zijn er gemiddeld 120 ziekenhuisopnamen. Dit gaat grotendeels om baby’s jonger dan 3 maanden die nog te jong zijn voor volledige vaccinatie. In de periode 2005-2014 zijn in Nederland ten minste vijf baby’s overleden aan de gevolgen van kinkhoest (Gezondheidsraad 2015).

Vaccins
Er zijn twee types vaccin tegen kinkhoest:

  • het whole cellvaccin dat de geïnactiveerde kinkhoestbacterie bevat;
  • het acellulair vaccin dat één of meerdere antigene componenten van de kinkhoestbacterie bevat.

Deze vaccins werken alleen tegen kinkhoest veroorzaakt door Bordetella pertussis en nauwelijks of niet tegen Bordetella parapertussis (Liese 2003). Het whole cellvaccin wordt niet aangeraden voor oudere kinderen en volwassenen omdat het bij hen relatief veel bijwerkingen geeft. Dit vaccin werd tot 2005 wel aan zuigelingen in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma gegeven. Tegenwoordig wordt in het Rijksvaccinatieprogramma alleen het acellulaire vaccin aangeboden.

De beschermingsduur van de kinkhoestvaccins is wisselend en varieert van 4 tot 6 jaar bij acellulaire vaccins tot circa 12 jaar bij whole cellvaccins. Ook het doormaken van een kinkhoestinfectie geeft geen levenslange bescherming, maar wel langer dan de vaccinatie (Wendelboe 2015). De laatste jaren wordt er een stijging in de incidentie van kinkhoest gezien. Dit kan enerzijds verklaard worden door betere diagnostiek en herkenning van de symptomen. Anderzijds lijkt het erop dat de acellulaire vaccins minder lange en minder effectieve bescherming bieden dan de whole cellvaccins (Wendelboe 2015). Ook lijken acellulaire vaccins minder effectief in het voorkomen van transmissie.

Maternale kinkhoestvaccinatie

Doel van maternale vaccinatie is bescherming van het kind de eerste maanden na de geboorte, tot de eerste vaccinaties volgens het Rijksvaccinatieprogramma zijn gegeven. De antistoffen die de zwangere aanmaakt, worden via de placenta overgedragen op het kind. Het transport van moeder naar kind is een actief proces en start rond 13 weken zwangerschap (Kohler 1966). Rond de 32 weken zijn de antistoftiters bij moeder en kind gelijkwaardig, daarna is de titer bij het kind vaak hoger dan bij de moeder (Maertens 2016). Deze antistoffen zorgen voor een korte termijn bescherming tegen (de ernstige complicaties van) klinische kinkhoest bij de zuigeling tot deze zelf meerdere vaccinaties tegen kinkhoest heeft gehad. De bijdrage van borstvoeding in de overdracht van antistoffen na kinkhoestvaccinatie is zeer beperkt (Pandolfi 2016).

De hoeveelheid antistoffen die een zwangere vrouw aanmaakt, is ongeveer 2 weken na de vaccinatie maximaal (Halperin 2011). Dit was de achterliggende reden voor het advies om vrouwen relatief laat in de zwangerschap te vaccineren (tussen 28 en 32 weken, evt. tot 38 weken) om de pasgeborene een zo hoog mogelijke concentratie antistoffen mee te geven. Recent onderzoek laat zien dat vaccinatie gegeven in het tweede trimester mogelijk ook zinvol is (Eberhard 2016). Mogelijk worden prematuur geboren kinderen beter beschermd door eerder in de zwangerschap (vanaf start van het tweede trimester) te vaccineren. Echter, er is nog niet veel onderzoek naar gedaan en vooralsnog verdient vaccinatie tijdens het derde trimester de voorkeur.

De concentratie van antistoffen bij het kind neemt in de loop van de eerste levensmaanden af, waarbij na twee maanden de antistofconcentratie nog altijd significant hoger is dan bij kinderen van ongevaccineerde moeders (Maertens 2016). Het is belangrijk dat de kinderen na de geboorte gevaccineerd worden volgens het schema van het Rijksvaccinatieprogramma, aangezien de maternale antistoffen, net als andere passief verkregen antistoffen, worden afgebroken (halfwaardetijd ongeveer 20 dagen) en daardoor alleen in de eerste levensmaanden bescherming geven.

Na vaccinatie in de zwangerschap wordt bij de kinderen enige demping (‘blunting’) gezien van de antistofresponsen tegen de (actieve) vaccinaties die vanaf de leeftijd van 2 maanden aan deze kinderen worden gegeven, niet alleen tegen de kinkhoestantigenen maar ook tegen andere vaccincomponenten (o.a. difterie en pneumokokken). Dit kan per vaccin en schema verschillen. In het Verenigd Koninkrijk lijkt dit niet te leiden tot verminderde effectiviteit van de zuigelingenvaccinaties. Bovendien wordt na boostervaccinatie rond 11-12 maanden geen verschil meer gezien in antistofrespons (Maertens 2016, Ladhani 2015).

2. Geregistreerde vaccins

Er zijn vijf verschillende vaccins voor revaccinatie tegen kinkhoest geregistreerd in Nederland voor volwassenen. Dit zijn altijd combinatievaccins bestaande uit één of meerdere antigene componenten van Bordetella pertussis (acellulaire kinkhoestvaccins) die zijn gecombineerd met in ieder geval het tetanus- en difterievaccin. Als een vaccin geregistreerd is in Nederland wil dit nog niet zeggen dat het ook verkrijgbaar is.

Merknaam

Samenstelling*

 

Overige informatie**

Bijzonderheden

Boostrix®

difterie, tetanus, pertussis (dTap)*

Bijsluiter en SmPC-tekst

Pertussis 3-valent

Geregistreerd vanaf 4 jaar

Boostrix Polio®

difterie, tetanus, pertussis, polio (dTap-IPV)*

Bijsluiter en SmPC-tekst

Pertussis 3-valent

Geregistreerd vanaf 4 jaar

Triaxis®

difterie, tetanus, pertussis (dTap)*

Bijsluiter en SmPC-tekst

Pertussis 5-valent

Geregistreerd vanaf 4 jaar

Triaxis Polio®

difterie, tetanus, pertussis, polio (dTap-IPV)*

Bijsluiter en SmPC-tekst

Pertussis 5-valent

Geregistreerd vanaf 3 jaar

diTekiBooster®

difterie, tetanus, pertussis (dTap)*

Bijsluiter en SmPC-tekst

Pertussis monovalent

Geregistreerd vanaf 4 jaar

* hoofdletter staat voor hoge dosis antigeen:

d= difterietoxoïd
T= tetanustoxoïd
ap = acellulair pertussis vaccin
IPV= geïnactiveerd poliovaccin

** Link naar de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG naar de patiëntenbijsluiter en de samenvatting van de productkenmerken (SmPC). De SmPC bevat medische informatie voor zorgverleners. De patiëntenbijsluiter is gebaseerd op de SmPC.

3. Eigenschappen vaccin

Acellulair kinkhoestvaccin is een geïnactiveerd vaccin en bevat (afhankelijk van het vaccin) 1, 3 of 5 antigene componenten van Bordetella pertussis. Na een kinkhoestvaccinatie maakt het lichaam antistoffen aan tegen deze componenten.

  • Het monovalente kinkhoestvaccin bevat alleen pertussistoxine (PT).
  • Het 3-valente kinkhoestvaccin bevat naast PT ook filamenteus hemagglutinine (FHA) en pertactine (PRN).
  • Het 5-valente kinkhoestvaccin bevat tevens fimbriae agglutinogenen 2 + 3 (FIM).

Uit een literatuuronderzoek naar kinkhoestvaccins bij kinderen blijkt dat vaccins die meerdere (3 of meer) antigene pertussiscomponenten bevatten een hogere effectiviteit hebben (Zhang 2014). Bij de keuze voor een kinkhoestbevattend vaccin gaat de voorkeur daarom uit naar een vaccin met meerdere antigene pertussiscomponenten.

4. Indicaties

Zwangere vrouwen vanaf het tweede trimester van de zwangerschap (liefst voor 36 weken).
Recent onderzoek laat zien dat vaccineren in het tweede trimester van de zwangerschap hogere antistoftiters tegen kinkhoest bij het ongeboren kind geeft (Eberhard 2016). Door eerder in de zwangerschap te vaccineren worden ook te vroeg geboren baby’s beschermd. Echter, er is nog niet veel onderzoek naar gedaan en vooralsnog verdient vaccinatie tijdens het derde trimester de voorkeur.

5. Contra-indicaties

Dit vaccin mag uitsluitend op voorschrift van een arts gegeven worden. Contra-indicaties zijn:

  • (Ernstige) overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor (één van) de hulpstof(fen).
  • (Ernstige) overgevoeligheid na eerdere toediening van difterie-, tetanus- en pertussisvaccins.
  • Acute, ernstige, met koorts gepaard gaande ziekte (dan vaccinatie uitstellen).
  • Ernstig verhoogde bloedingsneiging, zowel aangeboren als verworven (dan vaccin subcutaan toedienen).

6. Effectiviteit

De effectiviteit van vaccinaties wordt bepaald op populatieniveau waarbij gekeken wordt naar het voorkomen van ziekte bij een groep gevaccineerde personen versus een groep ongevaccineerde personen. De effectiviteit is nooit 100%; in individuele gevallen kan het zijn dat er geen beschermende immuunrespons optreedt.

In het Verenigd Koninkrijk worden sinds oktober 2012 alle zwangere vrouwen in het derde trimester opgeroepen voor een kinkhoestvaccinatie. Hierbij wordt een effectiviteit van ?90% gezien in een cohortstudie en een case-controlstudie naar het voorkomen van kinkhoest bij jonge zuigelingen (< 3 maanden) bij vrouwen die minimaal 1 week voor de partus gevaccineerd waren. Dit betekent dat er onder de zuigelingen van de gevaccineerde vrouwen 90% minder kinkhoest voorkomt dan onder zuigelingen van niet gevaccineerde vrouwen (Amirtalingham 2014, Dabrera 2015).

Ter illustratie: in het Verenigd Koninkrijk heeft ongeveer 65% van de zwangere vrouwen zich daadwerkelijk laten vaccineren tijdens de zwangerschap.
In 2012 (voor de invoering van de maternale vaccinatie) kregen 328 kinderen onder de 3 maanden kinkhoest, 14 van hen zijn overleden.
In 2013 (na de invoering van de vaccinatie) kregen 72 kinderen onder de 3 maanden kinkhoest, van wie er 3 zijn overleden. De moeders van deze drie kinderen hadden zich niet laten vaccineren tijdens de zwangerschap (Amirtalingham 2014).

De Gezondheidsraad verwacht dat door maternale kinkhoestvaccinatie in Nederland het aantal gevallen van kinkhoest bij kinderen jonger dan 5 maanden (waarvoor bij een groot aantal van hen ziekenhuisopname nodig is) zal dalen van 128 naar 26 per jaar (Gezondheidsraad 2015).

7. Veiligheid en bijwerkingen van het kinkhoestvaccin bij zwangere vrouwen

Veiligheid

Zoals met andere geïnactiveerde vaccins, is niet te verwachten dat kinkhoestvaccinatie schadelijk is voor de foetus of zwangere vrouw, ook niet op de langere termijn. Het vaccineren van zwangere vrouwen tegen kinkhoest met combinatievaccins die het acellulaire kinkhoestvaccin bevatten, gebeurt al op grote schaal in andere landen zoals de Verenigde Staten (sinds 2011), het Verenigd Koninkrijk (sinds 2012, initieel Repevax®, sinds 2014 Boostrix-IPV®), Argentinië (sinds 2012), België (sinds 2013, Boostrix®), Ierland (sinds 2013), Israël (sinds 2015), delen van Australië (sinds 2015), Spanje (sinds 2015).

Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk onder 20.000 gevaccineerde zwangere vrouwen (met Repevax®) liet geen verhoogd risico op zwangerschapscomplicaties zien (Donegan 2014). Er is in deze studie onder meer gekeken naar complicaties als laag geboortegewicht, vroeggeboorte, doodgeboorte, zwangerschapsvergiftiging en sterfte van de moeder.

In een groot vergelijkend onderzoek onder 120.000 vrouwen (van wie ruim 26.000 gevaccineerd tegen kinkhoest tijdens de zwangerschap; de meesten met Adacel® (dTap)) in de Verenigde Staten werd geen verhoogd risico gevonden op zwangerschapscomplicaties zoals zwangerschapsvergiftiging, vroeggeboorte of laag geboortegewicht (Kharbanda 2014). Wel werd een licht verhoogd risico gevonden op chorio-amnionitis. Het absolute risico hierop was 5,6% onder niet gevaccineerde zwangere vrouwen en 6,1% onder gevaccineerde zwangere vrouwen. In deze studie had dit geen klinische gevolgen voor vroeggeboorte of gezondheidsrisico’s voor het kind. Ook in een Argentijnse studie waarin 1.200.000 vrouwen tijdens de zwangerschap zijn gevaccineerd tegen kinkhoest, bleek vaccinatie veilig te zijn voor moeder en ongeboren kind (Vizzotti 2015).

In de bijsluiters (zie 2. Geregistreerde vaccins) wordt aangegeven dat er onvoldoende gegevens zijn over gebruik tijdens de zwangerschap omdat het vaccin niet voor deze indicatie door de fabrikant is getest. Dit wil niet zeggen dat het vaccin niet veilig is.

Bijwerkingen

Zoals bij alle vaccinaties kunnen er milde bijwerkingen worden verwacht zoals slaperigheid, hoofdpijn en plaatselijke reacties zoals roodheid, zwelling en pijn op de injectieplaats. Bij het vaccineren van zwangere vrouwen worden niet meer of andere bijwerkingen verwacht dan bij de rest van de volwassen bevolking.

Zeer zeldzame reacties, zoals een ernstige allergische reactie, zijn niet uit te sluiten. Voor meer informatie en een overzicht van de meldingen van vermoede bijwerkingen na een vaccinatie kunt u terecht op de website van het Bijwerkingencentrum Lareb. Het gaat bij deze meldingen dus om het vermoeden bij de melder dat het een bijwerking betreft. De relatie met het vaccin staat niet vast, het kan ook gaan om een gebeurtenis die toevallig in de tijd samenvalt met vaccinatie.

Een uitgebreide beschrijving van mogelijke bijwerkingen is te vinden in de bijsluiter van het vaccin (zie 2. Geregistreerde vaccins).

8. Interacties

Het is onwaarschijnlijk dat gelijktijdige toediening met andere vaccins zal resulteren in een interferentie met de immuunrespons. Dit geldt ook voor zwangere vrouwen. Indien gelijktijdige toediening met andere vaccins nodig wordt geacht, moeten de vaccins op verschillende injectieplaatsen worden toegediend. Net als met andere vaccins kan het zijn dat bij patiënten die een immunosuppressieve therapie krijgen geen adequate respons wordt bereikt.

9. Doseringsschema

Aan zwangere vrouwen wordt tijdens elke zwangerschap opnieuw één boostervaccinatie aangeraden in het derde trimester. Eventueel kan de vaccinatie ook al in het tweede trimester gegeven worden. Vaccinatie vindt idealiter plaats voor 36 weken zwangerschap, daarna is het beschermende effect voor de pasgeborene minder groot, aangezien het 2 tot 4 weken duurt voor er een adequate antistofrespons optreedt en de periode van actief transport via de placenta korter is.

Bij meerlingzwangerschappen is één boostervaccinatie voldoende om een adequate antistofrespons voor meerdere kinderen aan te maken. Ook voor vrouwen die nooit eerder tegen kinkhoest zijn gevaccineerd, is één boostervaccinatie tijdens de zwangerschap voldoende, omdat zij waarschijnlijk eerder in hun leven al kinkhoest hebben doorgemaakt.

10. Beschermingsduur en revaccinatie

Bij vaccinatie tijdens de zwangerschap krijgt het ongeboren kind maternale antistoffen via de placenta (passieve immunisatie). Deze antistoffen zijn het hoogst rondom de geboorte en nemen in de loop van de eerste levensmaanden af (Maertens 2016). Pasgeboren zuigelingen zijn dus alleen de eerste levensmaanden beschermd. Het is daarom belangrijk dat deze zuigelingen daarna volgens het schema van het Rijksvaccinatieprogramma gevaccineerd worden. Vooralsnog heeft maternale kinkhoestvaccinatie dus geen invloed op het schema van het Rijksvaccinatieprogramma.

Het is belangrijk dat een vrouw tijdens elke zwangerschap opnieuw gevaccineerd wordt tegen kinkhoest, omdat de hoeveelheid antistoffen tegen kinkhoest in het lichaam in de loop van de tijd vrij snel weer afneemt. Hierdoor zijn er niet genoeg antistoffen bij de moeder aanwezig om tijdens een volgende zwangerschap het volgende pasgeboren kind te beschermen. Er zijn geen aanwijzingen dat het krijgen van meerdere pertussisbevattende vaccins in opeenvolgende zwangerschappen een verhoogd risico geeft op zwangerschapsgerelateerde aandoeningen (Morgan 2015).

11. Vaccinatieprogramma’s

Vaccinatie tegen kinkhoest bij kinderen (op leeftijd 2, 3, 4, 11 maanden en 4 jaar) is sinds de oprichting van het Rijksvaccinatieprogramma in 1957 hierin opgenomen. Eind 2015 heeft de Gezondheidsraad gekeken naar de effectiviteit van verschillende vaccinatiestrategieën tegen kinkhoest ter bescherming van jonge zuigelingen, onder andere neonatale immunisatie (passief of actief), cocooning (vaccineren van oudere kinderen en volwassenen in directe omgeving van de zuigeling) en vaccinatie van zwangere vrouwen. De Gezondheidsraad concludeerde dat alleen kinkhoestvaccinatie tijdens de zwangerschap bewezen effectief is en heeft het advies uitgebracht om zwangere vrouwen tijdens de zwangerschap een vaccinatie tegen kinkhoest aan te bieden (Gezondheidsraad 2015). De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluit op korte termijn of zij dit advies overneemt en hoe dit vaccinatieadvies het best zou kunnen worden uitgevoerd. Tot die tijd is het vaccineren van vrouwen tijdens de zwangerschap tegen kinkhoest op eigen initiatief en zijn de kosten voor eigen rekening.

Zie ook de publieksinformatie over kinkhoestvaccinatie voor zwangeren.

12. Overig

Voor hulp bij het beantwoorden van publieksvragen kunt u kijken op de webpagina met vragen en antwoorden over maternale kinkhoestvaccinatie.

Literatuur

  • Amirthalingam G, Andrews N, Campbell H, Ribeiro S, Kara E, Donegan K, et al. Effectiveness of maternal pertussis vaccination in England: an observational study. Lancet. 2014;384(9953):1521-8.
  • Dabrera G, Amirthalingam G, Andrews N, Campbell H, Ribeiro S, Kara E, et al. A case-control study to estimate the effectiveness of maternal pertussis vaccination in protecting newborn infants in England and Wales, 2012-2013. Clin Infect Dis. 2015;60(3):333-7.
  • de Greeff SC, de Melker HE, van Gageldonk PG, Schellekens JF, van der Klis FR, Mollema L, et al. Seroprevalence of pertussis in The Netherlands: evidence for increased circulation of Bordetella pertussis. PLoS One. 2010;5(12):e14183.
  • de Greeff SC, Mooi FR, Westerhof A, Verbakel JM, Peeters MF, Heuvelman CJ, et al. Pertussis disease burden in the household: how to protect young infants. Clin Infect Dis. 2010;50(10):1339-45.
  • Donegan K, King B, Bryan P. Safety of pertussis vaccination in pregnant women in UK: observational study. BMJ. 2014;349:g4219.
  • Eberhardt CS, Blanchard-Rohner G, Lemaitre B, Boukrid M, Combescure C, Othenin-Girard V, et al. Maternal immunization earlier in pregnancy maximizes antibody transfer and expected infant seropositivity against pertussis. Clin Infect Dis. 2016.
  • Gezondheidsraad. Vaccinatie tegen kinkhoest: doel en strategie. Den Haag: Gezondheidsraad; 2 december 2015.
  • Halperin BA, Morris A, Mackinnon-Cameron D, Mutch J, Langley JM, McNeil SA, et al. Kinetics of the antibody response to tetanus-diphtheria-acellular pertussis vaccine in women of childbearing age and postpartum women. Clin Infect Dis. 2011;53(9):885-92.
  • Kharbanda EO, Vazquez-Benitez G, Lipkind HS, Klein NP, Cheetham TC, Naleway A, et al. Evaluation of the association of maternal pertussis vaccination with obstetric events and birth outcomes. JAMA. 2014;312(18):1897-904.
  • Kohler PF, Farr RS. Elevation of cord over maternal IgG immunoglobulin: evidence for an active placental IgG transport. Nature. 1966;210(5040):1070-1.
  • Ladhani SN, Andrews NJ, Southern J, Jones CE, Amirthalingam G, Waight PA, et al. Antibody Responses After Primary Immunization in Infants Born to Women Receiving a Pertussis-containing Vaccine During Pregnancy: Single Arm Observational Study With a Historical Comparator. Clin Infect Dis. 2015;61(11):1637-44.
  • Liese JG, Renner C, Stojanov S, Belohradsky BH, Munich Vaccine Study G. Clinical and epidemiological picture of B pertussis and B parapertussis infections after introduction of acellular pertussis vaccines. Arch Dis Child. 2003;88(8):684-7.
  • Maertens K, Cabore RN, Huygen K, Hens N, Van Damme P, Leuridan E. Pertussis vaccination during pregnancy in Belgium: Results of a prospective controlled cohort study. Vaccine. 2016;34(1):142-50.
  • Morgan JL, Baggari SR, McIntire DD, Sheffield JS. Pregnancy outcomes after antepartum tetanus, diphtheria, and acellular pertussis vaccination. Obstet Gynecol. 2015;125(6):1433-8.
  • Pandolfi E, Gesualdo F, Carloni E, Villani A, Midulla F, Carsetti R, Stefanelli P, Fedele G, Eugenio Tozzi A, Does Breastfeeding Protect Young Infants from Pertussis? Case-Control Study and Immunologic Evaluation he Pediatric Infectious Disease Journal Publish Ahead of Print DOI: 10.1097/INF.0000000000001418
  • Vizzotti C, Neyro S, Katz N, Juarez MV, Perez Carrega ME, Aquino A, et al. Maternal immunization in Argentina: A storyline from the prospective of a middle income country. Vaccine. 2015.
  • Wendelboe AM, Van Rie A, Salmaso S, Englund JA. Duration of immunity against pertussis after natural infection or vaccination. Pediatr Infect Dis J. 2005;24(5 Suppl):S58-61.
  • Zhang L, Prietsch SO, Axelsson I, Halperin SA. Acellular vaccines for preventing whooping cough in children. Cochrane Database Syst Rev. 2014;9:CD001478.

Versiebeheer

1 februari 2017: In paragraaf 1 en paragraaf 9 is duidelijker vermeld dat er nog beperkt onderzoek is gedaan naar antistofrespons bij vaccinatie in het tweede trimester van de zwangerschap. Om die reden is er een voorkeur voor vaccineren in het derde trimester.
16 maart 2017: Duidelijker vermeld dat er geen langetermijngevolgen zijn, er vooralsnog geen verandering in het RVP-schema voor kinkhoest is bij kinderen van gevaccineerde moeders en hoeveel baby's de afgelopen jaren zijn overleden aan kinkhoest.