Uitgangspunten PBM bij Wmo-ondersteuning

Bijlage bij de LCI-richtlijn COVID-19 | Versie 8 januari 2021 (versiebeheer zie onderaan deze pagina)

In dit document staan de uitgangspunten beschreven voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) door medewerkers die ondersteuning geven vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Organisaties die Wmo-ondersteuning bieden, kunnen van deze uitgangspunten een eigen vertaling maken voor hun eigen werkzaamheden en/of doelgroepen.

De uitgangspunten gelden ook voor zorgmedewerkers die tegen COVID-19 gevaccineerd zijn. Vaccinatie geeft geen 100% bescherming en het is nog niet bekend hoe lang het vaccin beschermt. Ook is nog onvoldoende bekend in hoeverre iemand die gevaccineerd is toch het virus kan verspreiden. Vaccinatie vormt op dit moment dus geen reden om gebruik van PBM achterwege te laten.

Bij de ondersteuning vanuit de Wmo gaat het bijvoorbeeld om:

  • huishoudelijke hulp
  • maaltijdondersteuning
  • individuele begeleiding waaronder beschermd wonen
  • dagbesteding
  • maatschappelijke opvang inclusief vrouwenopvang

Hygiëne en preventieve maatregelen

Voor medewerkers die Wmo-ondersteuning bieden, geldt dat zij altijd onderstaande preventieve maatregelen volgen:

  • Medewerkers blijven thuis bij klachten die bij het coronavirus kunnen passen en laten zich testen.  In het document van de Rijksoverheid staan klachten beschreven die kunnen passen bij het coronavirus; 
  • Medewerkers informeren voor zij beginnen met hun werk naar de gezondheid van de cliënt(en) en eventuele huisgenoten. Bij het stellen van de vragen kan de Gezondheidscheck behulpzaam zijn;
  • 1,5 meter afstand houden indien mogelijk;
  • Geen handen geven;
  • Vaak en goed handen wassen. Meer informatie over handhygiëne en hygiënisch werken staat in de algemene hygiënerichtlijn van het RIVM;
  • Hoesten en niezen in de elleboog;
  • Papieren zakdoekjes gebruiken.

Maatregelen bij een cliënt MET een (mogelijke) besmetting met het coronavirus

Is de cliënt besmet of mogelijk besmet met het coronavirus, dan geldt het volgende:

  • Indien is vastgesteld dat de cliënt besmet is met het coronavirus, dient de medewerker niet bij de cliënt naar binnen te gaan en mag de cliënt niet naar de dagbesteding komen. In dat geval wordt de ondersteuning uitgesteld of, indien mogelijk, zal de ondersteuning op een alternatieve manier worden gegeven.
  • Indien er een vermoeden bestaat dat de cliënt besmet is met het coronavirus, is het belangrijk dat de cliënt zich laat testen. Totdat de testuitslag bekend is, wordt de ondersteuning uitgesteld of, indien mogelijk zal de ondersteuning op een alternatieve manier worden gegeven.

Afwijken in specifieke situaties

Er zijn echter specifieke situaties waarin uitstel van de ondersteuning bij een cliënt  met een (mogelijke) besmetting met het coronavirus niet mogelijk is. Voor die gevallen is het verstandig dat de medewerker een ‘reservepakket’ bij zich heeft met daarin ten minste de volgende persoonlijke beschermingsmiddelen:

  • 1 spatbril of faceshield voor het beschermen van de ogen
  • 2 chirurgische mondneusmaskers type IIR
  • 2 paar wegwerphandschoenen
  • 2  schorten met lange mouwen
  • 1 flacon handdesinfectans
  • 1 flacon desinfectans om de spatbril of het faceshield mee te desinfecteren

Extra voorzorgsmaatregelen bij cliënten die NIET besmet zijn met het coronavirus

Als de situatie in de regio ‘zorgelijk’, ‘ernstig’ of ‘zeer ernstig’ is, dan betekent dit dat er te veel nieuwe coronabesmettingen zijn. Medewerkers dienen bij ouderen en andere kwetsbare doelgroepen dan extra voorzorgsmaatregelen te treffen tijdens hun werkzaamheden. Hieronder wordt voor verschillende soorten Wmo-ondersteuning beschreven welke extra  voorzorgsmaatregelen gelden bij cliënten die NIET besmet zijn met het coronavirus.  

Maatregelen voor huishoudelijke hulp en maaltijdondersteuning

Het betreft hier meestal ondersteuning aan ouderen en/of andere kwetsbare doelgroepen, veelal in de thuissituatie. Medewerkers dragen preventief een chirurgisch mondneusmasker type II bij de ondersteunende taken en contacten die binnen 1,5 meter van de client uitgevoerd worden. Voorbeelden hiervan zijn het helpen bij het eten, het helpen opstaan uit een stoel of het begeleiden bij het lopen. Het permanent dragen van wegwerphandschoenen is niet nodig, een goede handhygiëne volstaat. De medewerker kan dit ook doen in situaties waarbij twijfel bestaat of men voldoende afstand kan houden van de cliënt. In de praktijk zal dit er bij veel Wmo-taken toe leiden dat medewerkers bij vrijwel elke cliënt uit voorzorg een chirurgisch mondneusmasker type II dragen. In specifieke situaties kunnen organisaties zelf een risicoafweging in maken. Het document Preventief gebruik mondneusmaskers langdurige zorg beschrijft uitgebreider de factoren die van belang zijn bij deze risicoafweging.

Maatregelen voor de dagbesteding

Het betreft hier ondersteuning aan diverse doelgroepen, waaronder  ouderen en/of andere kwetsbare doelgroepen die nog thuiswonend zijn. Op de dagbesteding worden bijvoorbeeld gezamenlijke welzijnsactiviteiten gedaan of gezamenlijk gegeten en/of gedronken. Bij de dagbesteding zijn medewerkers en cliënten gedurende langere tijd (ten minste een dagdeel) met elkaar in contact. Het is van belang om de dagbestedingsruimte zo in te richten en te voorzien van looproutes dat er zoveel mogelijk 1,5 meter afstand gehouden kan worden tussen de cliënten onderling en tussen de cliënten en medewerkers. Ook het dagelijks uitvoeren van een triage waarbij medewerkers informeren naar de gezondheid van cliënten en/of zij contact hebben gehad met een persoon met het coronavirus is hierbij van belang, om cliënten die verdacht worden van een besmetting met het coronavirus tijdelijk te weren van de dagbesteding.

Indien medewerkers binnen 1, 5 meter van de client komen, dragen zij een chirurgisch mondneusmasker type II. Voor contacten buiten de 1,5 meter maken organisaties zelf een afweging of zij uit voorzorg een mondneusmasker type II dragen. Het document Preventief gebruik mondneusmaskers langdurige zorg beschrijft uitgebreider de factoren die van belang zijn bij deze risicoafweging. De doelgroepen in de dagbesteding zijn erg divers en kunnen ook van invloed zijn op de keuze om wel of geen maskers te dragen.

Voor een dagbesteding voor ouderen en/ of andere doelgroepen met een verhoogd risico op ernstig beloop van COVID-19 wordt geadviseerd om het masker continue op te houden (maximaal 3 uur). En dit alleen te verwisselen als het masker nat wordt of als medewerkers zelf eten of drinken buiten de 1,5 meter van cliënten. Een dagbesteding voor minder kwetsbare doelgroepen, zoals  jonge (verstandelijk) gehandicapten,  kan overwegen om buiten de 1,5 meter geen masker te dragen, om het contact maken en/of praten met de cliënt te verbeteren.

Daarnaast kunnen organisaties een afweging maken of bij sommige cliënten in plaats van een masker een faceshield gedragen kan worden binnen 1,5 meter. Hiervoor kan gekozen worden als de communicatie of het contact ernstig verstoord wordt door het dragen van een mondneusmasker bij cliënten met bijvoorbeeld slechthorendheid, doofheid of autisme. Hierbij dient meegewogen te worden dat een faceshield geen gelijkwaardige vervanging is van een mondneusmasker. Daarom zijn goede bronmaatregelen zoals triage op klachten, algemene hygiënemaatregelen en laagdrempelig testbeleid essentieel.

De deelnemende cliënten aan de dagbesteding dragen, indien mogelijk, een niet -medisch mondneusmasker. Cliënten kunnen soms geen mondneusmasker dragen vanwege een fysieke of verstandelijke of psychische beperking(en) of chronische ziekte(n). Zij zijn volgens de Rijksoverheid dan niet verplicht om een mondneusmasker te dragen. Cliënten die een mondneusmasker dragen, kunnen dit eventueel afdoen als zij op meer dan 1,5 meter afstand van elkaar zitten. Tijdens het gezamenlijk vervoeren van cliënten van en naar een locatie voor dagbesteding dragen cliënten zo mogelijk een niet-medisch mondneusmasker maar dit is niet verplicht, zie ook document van de Rijksoverheid Vragen over het coronavirus en zorg en vervoer.

Maatregelen voor individuele begeleiding waaronder beschermd wonen

Bij individuele begeleiding heeft de medewerker ondersteunende taken en contacten die veelal buiten de 1,5 meter uitgevoerd kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn ondersteunende gesprekken voor dagstructurering. De doelgroep zijn ondermeer cliënten met een verstandelijke of psychiatrische beperking . Hier gelden voor de bewoners en medewerkers de regels voor het openbaar en dagelijks leven van de Rijksoverheid.

De medewerker en de cliënt passen hygiënemaatregelen toe en houden minimaal 1, 5 meter afstand van elkaar. Indien dit niet mogelijk is, dragen zij een niet-medisch mondneusmasker.

Maatregelen voor maatschappelijke opvang

Onder maatschappelijke opvang vallen bijvoorbeeld vrouwenopvang en opvang van dak- en thuislozen. Bij de maatschappelijke opvang gelden op de eigen kamer de regels voor het openbaar en dagelijks leven van de Rijksoverheid. De medewerkers en de cliënt houden minimaal 1,5 meter afstand van elkaar en letten goed op de hygiëne. Indien dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld in gangen en gedeelde ruimtes als keukens, dragen cliënten en medewerkers een niet-medisch mondneusmasker. Ook in publieke binnenruimtes dragen medewerkers en cliënten een niet-medisch mondneusmasker zoals beschreven onder de kop ‘niet-medische mondneusmaskers’.

Organisaties kunnen besluiten om chirurgische mondneusmaskers type II te gebruiken, als zij inschatten dat er sprake is van een verhoogd risico op verspreiding van het coronavirus onder cliënten en/of medewerkers, bijvoorbeeld in een (tijdelijke) grootschalige opvanglocatie of in situaties waarbij de medewerker onvoldoende beschermd kan worden.

Indien er in de opvang sprake is van een zorgsetting waarbij verplegende, verzorgende en/of medische handelingen plaatsvinden, dan gelden de maatregelen voor medewerkers zoals beschreven in het document Uitgangspunten PBM bij verzorging, verpleging of medische behandelingen buiten het ziekenhuis. Voorbeelden hiervan zijn de zorg aan cliënten opgenomen op een ziekenafdeling binnen een opvanglocatie.

Niet-medische mondneusmaskers

Vanaf 1 december 2020 is het verplicht  om in publieke binnenruimtes niet-medische mondneusmaskers te dragen. Niet-medische mondneusmaskers worden gebruikt om de kans te verminderen dat degene die het mondneusmasker draagt, het virus verspreidt naar zijn omgeving. In  openbare binnenruimtes van maatschappelijke opvanglocaties is het dragen van een niet-medisch mondneusmasker verplicht, in niet-openbare gemeenschappelijke ruimtes wordt het geadviseerd als er geen 1,5 meter afstand kan worden gehouden.  

Faceshields

Faceshields zijn doorzichtige plastic kappen die voor het gezicht worden gedragen en aan de zij- en onderkant, en soms ook bovenkant, open zijn. Faceshields zijn geen gelijkwaardige vervanging voor (medische) mondneusmaskers, ze kunnen voor preventieve doeleinden in bepaalde situaties als barrière tegen spatten worden gebruikt.

Versiebeheer

  • 08-01-2021: De uitgangspunten gelden ook voor zorgmedewerkers die tegen COVID-19 gevaccineerd zijn. Vaccinatie geeft geen 100% bescherming en het is nog niet bekend hoe lang het vaccin beschermt. Ook is nog onvoldoende bekend in hoeverre iemand die gevaccineerd is toch het virus kan verspreiden. Vaccinatie vormt op dit moment dus geen reden om gebruik van PBM achterwege te laten.
  • 03-12-2020: Geheel herziene versie, per ondersteuningsvorm uitgebreid met preventieve maatregelen bij een hoge COVID-19-incidentie in Nederland. Ook is de titel aangepast van "Beleid PBM Wmo-ondersteuning' naar 'Uitgangspunten PBM bij Wmo-ondersteuning'. Omwille van de vindbaarheid is de url niet aangepast.

Versiebeheer bijlage Beleid PBM Wmo-ondersteuning

  • 12-10-2020: De zin 'Uiteraard geldt hierbij terughoudendheid gegeven het feit dat er schaarste blijft aan beschermingsmiddelen' is vervallen.
  • 29-05-2020: Klachten passend bij COVID-19 zijn aangepast.
  • 06-05-2020: Eerste versie.