COVID-19: Welke (groepen) personen kunnen met welke test(en) worden getest?

Onderbouwing en achtergrond bij LCI-richtlijn COVID-19 | Achtergronddocument OMT 30 december 2020 

Voor een actueel overzicht zie Verschillende type testen | RIVM

 

Disclaimer: OMT-achtergronddocumenten worden niet aangepast zonder dat ze opnieuw in het OMT besproken zijn. Inmiddels heeft het OMT in diverse bijeenkomsten de toepasbaarheid van verschillende typen testen voor verschillende groepen personen uitgebreid. De meest actuele versie van het overzicht ‘Welke (groepen) personen kunnen met welke test(en) worden getest?’ is hier te vinden.

 

Bij het maken van dit overzicht* is een aantal uitgangspunten gehanteerd. Kort samengevat zijn dat de volgende. Elke test kent voor- en nadelen, zoals de snelheid van de uitslag, waar de test gedaan kan worden (in of ook buiten een laboratorium) en een foutmarge. Die foutmarge is in het algemeen kleiner bij personen met recente klachten in vergelijking met personen zonder klachten.

Daar waar een fout-negatieve uitslag ernstige gevolgen kan hebben, worden zo accuraat mogelijke testen gebruikt. Denk hierbij aan ernstig zieke mensen (testen t.b.v. individuele diagnostiek) en aan kwetsbare personen in instellingen. Daar waar het nadeel van fout-negatieve testuitslagen opweegt tegen de voordelen van die test (snelheid en/of flexibele inzetbaarheid) kunnen ook minder accurate testen gebruikt worden (testen t.b.v. de volksgezondheid).

De PCR is de zogenaamde gouden standaard. De LAMP-PCR wordt als equivalent beschouwd. De ademtest is een vóórscreeningstest. Bij een positieve uitslag dient altijd een tweede test ingezet te worden ((LAMP-) PCR of antigeensneltest), maar een negatieve test sluit infectie betrouwbaar uit (bij symptomatische personen).

De sensitiviteit van antigeensneltesten is lager dan die van de PCR. Wel is er een consistente correlatie tussen de sensitiviteit van de antigeensneltest en de virale load: hoe hoger de virale load, hoe beter de sensitiviteit van de antigeensneltest. Bij lagere Ct-waardes is de sensitiviteit in het algemeen > 80%; de specificiteit is goed. Dit betekent dat er weinig tot geen fout-positieve testuitslagen zijn, maar wel – mede afhankelijk van de prevalentie – fout-negatieve uitslagen. Daarom moet de inzet steeds zorgvuldig worden afgewogen, waarbij het risico van fout-negatieve antigeensneltesten wordt gewogen ten opzichte van de voordelen van snel en veelvuldig testen met een antigeensneltest met een mogelijk hogere testbereidheid als gevolg.

De tabel* geeft weer welke groep(en) met welke test(en) getest kunnen worden; zo nodig wordt een rangorde van de te gebruiken testen aangegeven. De tabel* is bedoeld als overzicht; instellingen of settingen kunnen andere afwegingen maken, afhankelijk van hun eigen mogelijkheden. Zo kan de beschikking over een snelle PCR-faciliteit het inzetten van antigeensneltesten overbodig maken.

De tabel* is gebaseerd op de huidige stand van zaken en epidemiologie. Het OMT adviseert om de testprestaties van de genoemde testvormen te blijven monitoren, omdat de prestaties bij een veranderende epidemiologie en bij andere dominerende virusstammen anders kunnen zijn en nieuwe wetenschappelijke inzichten zich zullen voordoen.
 

* Voor overzichtstabel zie bijgevoegd pdf-bestand onder Documenten.

Zie voor een verkorte https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/testen/verschillende-type-testen